Vergeetsel

Er is een nieuw laagje vergeetsel gevallen, vanochtend, toen buiten nog een streepjescode was. Ik trok de luxaflex omhoog en jij werd stil. Haar eerste rijzen deze lente deed de zon in het verborgene, zoals jouw droom school ergens tussen jou en het dekbed dat ik omsloeg om je te halen naar de herinnering van morgen. Ook het vergeetsel vangt ons gaan, naar de brievenbus en terug, jouw kleine hand geklemd om twee van mijn vingers, maar dat spoor zal spoedig verdwijnen, want tegen alle schijn breekt echt de lente aan.

Jij droeg het koordje en ik de krant, en jij at terwijl ik las. Wij gaan nu nog hand in hand, maar ooit zullen onze wegen scheiden. Als er iets is wat ons bindt, ons allen, dan is het de wil om te kennen en de angst om te vergeten, om te worden vergeten, maar om te leren kennen, moet er altijd iets vergeten worden. Het is dus beter te kennen zonder iets net zoals het beter is te geloven zonder G., en daarom geloof ik alleen in engelen, in engelen zoals jij, want als jij er niet zou zijn, als er niemand was om te vergeten, waarom zou er dan vergeetsel zijn?

Vreemdeling

Onder mijn voeten knispert het. Als een nawee van de winter, vroeg in maart, is er vanochtend een dun laagje sneeuw gevallen. De winter was aan zijn aftocht bezig, de velden waren grotendeels bloot komen liggen maar hier, in het bos, schuilend voor zon en wind, hield de winter zich nog op. Zeker op de paden, waar de sneeuw onder druk van voeten en poten tot ijs is samengeperst. Met de lonkende lente had deze takatalvi voor mij niet gehoeven, maar toch weet de sneeuw me weer te betoveren, weer ben ik dat kind,  verrukt van de plotse gedaantewisseling van de buitenwereld.

Ook voor Elias was sneeuw het eerste wonder waar hij getuige van was. De volgende keer dat de winter intreedt, zal de herinnering aan nu gesmolten zijn, maar vanaf dat moment zal de sneeuw zich voorgoed in zijn geheugen nestelen. In de sneeuw, die de wereld binnenstebuiten keert, ontdekken we onszelf. Als Elias op zijn negenendertigste de sneeuw onder zijn voeten voelt knisperen, zal hij de kou en de extatische winterpret van zijn kinderjaren opnieuw beleven. Want dat is wat de winter met ons doet, hij wekt de herinnering aan de verwondering die met het opgroeien in slaap is gesust.

Met acht maanden oud is Elias een vreemdeling in de wereld. Hij spreekt de taal niet, heeft de regels en gewoonten niet onder de knie en is afhankelijk. Liefde is voor hem van levensbelang, in elk geval tot hij zich op de hoogte stelt van de rechten van het kind. Dan zal hij beseffen dat er, voorbij de liefde, sprake is van een sociaal contract. Tot die tijd zal hij zich oefenen in liefde om wederliefde te oogsten, terwijl hij met nieuwsgierigheid, het tweede ijzer in het vuur, een relatie opbouwt met de wereld om hem heen.

In mijn eerste jaren in Finland beleefde ik een tweede kindertijd. Ik was onbeholpen in een wereld vol raadsels die geschreven waren in mysterieuze, staccato-achtige woorden. Als vreemdeling moest ik me continu bewijzen, of het nu ging om het openen van een bankrekening, het aangaan van doorlopende contracten of puur om mijn taalbegrip. Inderdaad, alsof ik een kind was, maar met de kanttekening dat de maatschappij me enigszins wantrouwend gadesloeg.

Hoewel ik inmiddels al jaren in Finland woon, volledig geïntegreerd ben en vloeiend ben in mijn taal, is dat wantrouwen er nog altijd een beetje. Kort geleden was ik eerste auteur van een wetenschappelijk artikel met enige nieuwswaarde. Zonder uitzondering namen de journalisten contact op met de tweede auteur omdat ik, met mijn buitenlandse naam, vast geen Fins zou spreken. De tweede auteur verwees ze toch door naar mij en ik werd met verontschuldigingen om de oren geslagen.

Met de jaren ben ik me steeds meer bewust geworden van mijn Nederlandse trekjes en met mijn eerdere stille gêne daarover heb ik afgerekend. Ik ben niet meer geneigd tot Fin te assimileren. Laat mij hier maar lekker een Nederlander zijn. Alleen al vanwege mijn naam zal ik altijd een vreemdeling blijven, en Elias misschien ook wel een beetje, al is het maar in de beleving van de ander.

Dat klinkt misschien ernstig, maar is het niet. Want door een vreemdeling te zijn wekken we verwondering. Wij zijn de winter, we zijn de knisperende sneeuw.

Stille revolutie

Met Elias op de slee achter me aan loop ik door het dal. Gisteravond viel er regen en vandaag zakt de witte grond, die eerder zo solide leek, onder mijn voeten weg. Het vroege voorjaar is een stille revolutie. Onder de broze sneeuw wordt de bodem vochtig, er vormen zich stroompjes die de sneeuwlaag van binnenuit aanvreten terwijl er op het oog nog weinig aan de hand is. In de bosrand hangen de naaldentakjes van de sparren naar beneden. Ze geven uitdrukking aan de weemoed waar dit moment van vervuld is. Hoewel de lente eraan zit te komen, is deze fase van het jaar eerder een inslapen dan een ontwaken. Voor de wedergeboorte van de lente moet de winter eerst de aftocht blazen. Met de sneeuw verdwijnt ook het licht.

Ergens halverwege het pad naar de boerderijen op de heuvel verandert het wit van de sneeuw in het wit van de nevel die de sterfpijn van de winter verdooft. Rechts van me zijn twee met bomen begroeide bulten in het landschap ondanks de mist goed waar te nemen, maar het is of de kleuren eruit zijn gezogen, uit de stammen en uit de naaldentakken die ’s winters toch al zo donker zijn. Tussen de bomen is met een wit houten kruis de locatie van een prehistorische kerk gemarkeerd waarvan de resten zijn blootgelegd. Op dagen als deze is het onderscheid met het verre verleden betekenisloos. De man die ons pad kruist, zonder op te kijken, zou best in een ander tijdperk kunnen leven. De geschiedenis fluistert in onze oren.

Elias is diep in gedachten. Als ik naar hem omkijk, lijkt hij het niet op te merken. Pas als ik zijn aandacht trek begint hij te lachen. De druktemaker die hij binnen vier muren is, verandert in de buitenlucht in een filosoof van amper acht maanden oud. Ik geloof dat de mens een buitendier is, en dat de personen die we binnenshuis zijn eigenlijk fictieve karakters zijn die een eigen leven zijn gaan leven. Hoe meer je binnen zit, hoe meer je gaat geloven in dat bestaan, maar werkelijk bestaan doe je binnen niet.

Toch keren we terug naar huis. Elias glijdt en ik loop langs de rivier, waar zich op het ijs een zilveren plas heeft gevormd, we steken de velden over en keren via de heuvel en het bos terug naar huis. Ik hoor gekwetter van vogels maar zie ze niet. Misschien heeft de lente haar strategie aangepast en heeft ze toch al een vroege voorbode vooruitgestuurd nog voor de winter is geweken.

Ontmaskering

Het is zes december, Onafhankelijkheidsdag, maar we hebben de televisie niet eens aangezet. In twintig-twintig is alles anders, ook Linnan Juhlat, de kasteelfeesten die ik altijd gekscherend Handshaking Party noem. Handshaking is dit jaar uit den boze. In februari begon het met aangescherpte regels met betrekking tot handhygiëne, minstens twintig seconden wassen, daarna kwam er het elleboogje en vervolgens raakten we elkaar helemaal niet meer aan. In Turku werd je sowieso al nooit geacht mensen te groeten die je niet persoonlijk kende, zelfs een vriendelijke hoofdknik kon als emotionele aanranding worden opgevat, dus eigenlijk veranderde er met corona hier niet zoveel.

Ook in de spreekkamer laat ik de handdruk tegenwoordig achterwege en zijn zowel patiënt als ik gemaskerd. Wel luister ik gewoon nog met mijn stethoscoop naar de longen en gaat het maskertje af als ik een kijkje moet nemen in keel of neus. Dat ontmaskeren is trouwens vaak reuze interessant, want na een gesprek van pak ‘m beet vijftien minuten, zie je eindelijke pas echt wat voor iemand je voor je hebt als het maskertje wordt afgenomen. Dan pas realiseer je je hoeveel we met een maskertje eigenlijk voor elkaar verbergen.

Over ontmaskeren gesproken, Demasquée van Akseli Gallen-Kallela is een van mij favoriete schilderijen. Een absoluut meesterwerk van de Finse schilder die vooral bekend is vanwege zijn scènes uit de Kalevala. Met Demasquée wijkt hij van dat thema af. We zien een jonge vrouw naakt onderuit zitten op een bank. In haar rechterhand houdt ze een zwart maskertje dat bijna wegvalt tegen de donkere achtergrond. Ondanks haar naaktheid is er weinig erotisch aan haar. Ik heb nog nooit een naakt gezien dat je het gevoel geeft dat je het zelf bent die naakt is, en dat zij het is die jou bekijkt in plaats van andersom. Ze bekijkt je met een blik die precies beantwoordt aan hoe je je op dat moment voelt. Voor dit schilderij ben ik verschillende keren naar Atheneum geweest, en telkens weer kijkt ze me anders aan.

Het is maar goed dat dit jaar op zijn einde loopt, want met al die maskertjes verbergen we te veel voor elkaar. Hoewel de boze droom die corona heet nog lang niet voorbij is, hoop ik dat we in de loop van het volgende jaar stukje bij beetje kunnen ontmaskeren, en dat ook de handdruk die nu als een zonde voelt, ooit weer in zijn volle glorie wordt hersteld.

(deze column verscheen in de december-editie van Noorderlicht)

Akseli Gallen-Kallela, Démasquée (1888)

Wedervraag

Als bladgoud siert het groot dooiermos de kale populieren, maar verder heeft de herfst de kleuren uit het landschap gezogen. Aan de oever van de rivier is al wat groen was in tinten troosteloos bruin veranderd, de resterende blaadjes van de wilg zijn bleek als was die het hele jaar buiten heeft gehangen. Toch kijkt Elias in de drager zijn ogen uit. Vanuit de bosjes klinkt het gekwetter van putters. We beklimmen de rotsen en wandelen door het bos. De beschutting van de naaldbomen geeft me een huiselijk gevoel. De open plekken in het bos fascineren me het meest. Het zijn net huiskamers, met stenen banken die bekleed zijn met mos. De omgeving waarin wij wonen heeft een rijke geschiedenis. Op verschillende plekken zijn overblijfsels uit de ijzertijd te vinden, rotsen waar putjes in zijn gehakt, en er zijn de resten van een kerk uit de 12e eeuw, de oudste van Finland. Een eekhoorn beweegt zich brutaal dwars door onze bos-huiskamer heen en laat zijn sporen na in de natte grond. Ik moet denken aan mijn vorige boek, Achter de rug van God, en de vraag die Väinämöinen me stelt: ‘hoe te leven?’. Als Posio, het dorpje in Lapland, me die antwoorden al verschafte, dan hadden ze een tijdelijk karakter. Uiteindelijk bleef de vraag overeind en nu, een paar jaar later alweer, zijn ze nog altijd niet definitief beantwoord. Misschien is de vraag ‘hoe?’ wel een synoniem voor het leven. Ik vermoedde ergens dat het vaderschap me zou helpen, maar Elias heeft meer iets weg van een wedervraag. Ik druk een kus op zijn wang en pak zijn handjes vast om ze te warmen. Hij dommelt in.

Stilte

De dag begint met een zangzwanenlied en met een hemel die in oranje tinten langzaam oplicht boven het meer. Een dun laagje ijs op de plassen verraadt nachtvorst en ja, het is ook echt een stuk kouder dan de afgelopen week. Ik loop de heuvels op en af en luister naar de stilte.

We hebben het vaak over hoe de mens de wereld verstoort. We hebben het dan over klimaatverandering, uitstervende diersoorten, afval en lichtvervuiling, maar wat we doen met de stilte hebben we het eigenlijk nooit. Ik leerde pas wat stilte was toen ik op mijn achttiende in mijn eentje door de Dartmoors doolde. Later, in Ierland, leerde ik van de stilte te houden. In de jaren dat we in Lapland woonde, begon stilte daadwerkelijk deel uit te maken van mijn leven. Ik raakte er zelfs zo aan gewend, dat ik bij het afdalen naar het Zuiden telkens moeite had met het lawaai dat me van alle kanten bestookte.

In Turku is het een stuk stiller dan in Nederland, maar volledige stilte is er niet te vinden. Pas als we ons terugtrekken in de bossen van Midden-Finland, vinden we de ware stilte terug. Wat dat met je doet, is onbeschrijfelijk. Zo lang we aan het gezoem, geronk en geklaag van de mensenwereld worden blootgesteld, zijn onze hersenen hard bezig dat allemaal te onderdrukken zodat we ons niet echt bewust zijn van het geluid om ons heen. Maar het kost wel inspanning, en zo is het ongehoorde geluid een constante stressfactor die pas wordt uitgeschakeld als we enige tijd in echte stilte doorbrengen. Het is alsof een verborgen spiergroep ergens in je lichaam zich eindelijk ontspant. Ineens ga je dingen horen waar je je normaal gesproken niet bewust van bent, zoals je eigen voetstappen en je ademhaling. Je staat een moment stil en houdt je adem in. Je hoort een takje breken, je hoort een specht die anders onopgemerkt zou zijn gebleven.

De wereld waar de stilte heerst is een goede plek. De gedachte dat je ooit weer terug moet, naar de stad en zijn wegen, probeer je te verdringen. En ook dat maakt de stilte mogelijk, je wordt baas van je eigen gevoel, je kunt dingen vergeten waar je niet aan wilt denken, en dingen oproepen waar je naar verlangt. Misschien is de wereld van de stilte wel een van de werelden buiten de ons bekende dimensies. Misschien is stilte wel de wonderpil waar wetenschappers al decennia naar zoeken. Hoe dan ook is stilte spiritueel.

Manifest van de vrijbuiter

Het kostte het Duitse leger vijf dagen om Nederland op de knieën te dwingen en tachtig jaar later kostte het zes dagen om met man en macht Yves Rausch, alias De Rambo van het Zwarte Woud, te overmeesteren. Naar verluidt had Rausch tien maanden huurachterstand toen hij ervoor koos om de maatschappij te verruilen voor een hut in het bos. Hij kweekte er zijn eigen groenten en leefde verder van insecten en bronwater. Daarmee overtrad hij natuurlijk de regels, en de rest van het verhaal kent u.

In een café zou Rausch een manifest hebben achtergelaten dat in de Engelse media ‘The Call of the Wild’ wordt genoemd naar een roman van Jack London, de mooiste dierenroman ooit geschreven. De hond Buck, een kruising tussen een Schotse collie en een Sint-bernard, die als sleehond wordt ingezet, weet in dat boek te ontvluchten aan de mensenwereld waarin hij misbruikt en ernstig mishandeld werd, en geeft zo gehoor aan de roep van de wildernis. In werkelijkheid is het manifest van Rausch niet door hemzelf geschreven. Het zou om een Waldläufer-manifest gaan met tips om in de wildernis te overleven.

De maatschappij waar Rausch aan wilde ontsnappen is er een die zich het best laat karakteriseren door de garantie op een kunstgebit als je de tachtig nadert, omdat de enige tand die bestand is tegen de tand des tijds nu eenmaal een kunsttand is. Voor wie dat doel voor ogen heeft, is de maatschappij er in de loop der jaren steeds beter op geworden. Hoewel de coronacrisis enige roering aanbrengt, die hoogstens de ons resterende vrijheid wat verder aanvreet en de productie van kunstgebitten – wat, toegegeven, pas en maatwerk is in de mondholte die tevens in coronatermen het hol van de leeuw kan worden genoemd – voor enkele maanden deed stagneren, heeft de burger nog niet veel te klagen, want de veroudering van het gebit is een kwestie van vele jaren en daarbij vallen de coronamaanden in het niet.

Laten we, omdat het ons een serieuze zaak is, de kosten van een kunstgebitgarantie op een rijtje zetten. Kinderen worden op jonge leeftijd gedeponeerd in tehuizen omdat ze op die leeftijd in het kader van kunstgebitten toch maar lastposten zijn. Zodra de melktanden worden gewisseld worden ze vijf dagen per week naar instituten gestuurd die bedoeld schijnen om de interesse in het leven in het algemeen en de behoefte daadwerkelijk iets te leren in het bijzonder zo vroeg en effectief mogelijk te smoren. Tegen hun achttiende zijn ze genoeg gebrainwashed om tot burger bekroond te worden (met mogelijkheid tot herexamen als dit nog niet het geval is) en om zogenaamde uit vrije wil het vreugdeloze slavenbestaan van anderen te kopiëren.

Rausch mag dan een Einzelgänger heten, enige in zijn soort is hij niet. In feite is hij bewust of onbewust een volgeling van Diogenes, de Griekse filosoof die volgens de overleveringen leefde in een regenton in de stad en volgens wie openbare masturbatie een daad van wijsheid was omdat die getuigde van onvervalste zelfbeschikking. De Finse dakloze Kati Sinenmaa bouwde met keien vanaf 1995 meer dan tien jaar aan een eigen kasteel in de openbare bossen van Helsinki. Omdat de autoriteiten zich er geen raad mee wisten, lieten ze haar jarenlang begaan, tot onlangs een ambtenaar in toenemende mate last kreeg van zijn constipatie en besloot na te gaan of het kasteel wel aan de veiligheidsnormen voldeed.

Toch zijn het niet alleen Einzelgängers die zich afkeren van de maatschappij der kunstgebitgaranties. Zo heb je in Kopenhagen de vrijstad Christiania, die zich in de jaren zeventig eenzijdig onafhankelijk verklaarde van Denemarken en die status tot voor kort de facto wist te handhaven. Alle individuen en groepen die als ongehoorzaam (zoals antivaxxers) of extremistisch (zoals Syriëgangers) worden beschouwd, vormen samen een grote groep afvalligen, en het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat er veel meer van zulke mensen zijn, die samen misschien wel een meerderheid zouden vormen, ware het niet dat ze minder geneigd zullen zijn te gaan stemmen, die de samenleving overdreven betuttelend vinden en liever wat meer persoonlijke vrijheid zien en daarvoor bereid zijn desnoods de kunstgebitgarantie op te offeren.

Desondanks krijgt de kunstgebitgarantiemaatschappij met de dag meer grip op ons. Over smaak valt steeds meer te twisten (waardoor ik mij genoodzaakt zie dit stuk met een smakeloze vergelijking aan te vangen) en satire is ongeoorloofd als die niet uitdrukkelijk als dusdanig wordt benoemd. De vrolijke misdaad, die uitgaat van hartstochten, wordt genadeloos bestraft en heeft zodoende plaatsgemaakt voor georganiseerde misdaad, waardoor het aantal passiemoorden tot een zorgwekkend minimum is gedaald en zogenaamde liquidaties in het moorddebat de boventoon voeren. Als een kwaadaardige belediging vereffend dient te worden met een flinke mep, is er altijd wel iemand om dat te filmen met zijn mobieltje zodat de rekening van het aan te meten kunstgebit bij de partij belandt die gezien de voorafgaande belediging nota bene in zijn recht stond.

Men zou het recht moeten hebben om zich af te keren, om buiten de conventies een bestaan op te bouwen en nee te zeggen tegen de kunstgebitgarantiemaatschappij. Het zijn niet de Einzelgängers die gevaarlijk zijn, maar juist de brave burgers die de ander dwingen te leven naar hun normen en waarden. Het Zwarte Woud is er niet alleen voor toeristen en andere wilde zwijnen, maar ook voor mensen die de voorkeur geven aan een vroege of tandeloze dood boven een dood zonder ooit waarlijk te hebben geleefd.

I can’t breathe

Bij racisme denk ik in de eerste plaats aan Hassan, een jonge man van vijfentwintig, vader van twee. Ik zie het zweet nog over zijn koortsende lichaam druipen en kan me nauwelijks verweren tegen de wanhoop in zijn ogen. Je gaat het redden, vertelde ik hem, maar in de nacht zie ik hem terug in mijn droom, en de volgende morgen is hij dood. I can’t breathe: al sprak hij ze niet uit, het hadden zijn laatste woorden kunnen zijn. De tuberculosemedicijnen kwamen voor hem te laat. Met zijn dood valt het inkomen weg van het gezin.  

In het districtsziekenhuis in Mangochi, Malawi, zijn er dagelijks jonge, overbodige sterfgevallen. Bij de ochtendoverdracht zijn we alert, er moet lering worden getrokken uit de gemaakte fouten en we moeten met zijn allen gemotiveerd blijven, ons uiterste best blijven doen ook al komen we middelen tekort. Het cynisme loert, en ook dat is een gevaar. Voor de sterfgevallen zijn vaak tal van oorzaken aan te wijzen, maar als je maar ver genoeg doorgraaft, kom je bij armoede uit.

Ik vraag me vaak af hoe het mogelijk is dat de wereldwijde ongelijkheid nog altijd onoverbrugbaar is. We zijn solidair met mensen die op ons lijken, die dezelfde taal spreken, naar dezelfde school gaan en hetzelfde geld te besteden hebben. Bij de foto van een blond jongetje op een Syrisch IS-kamp schrikken we: zo’n kind hoort daar niet thuis. Maar andere kinderen dan wel? Hoe verder een ander van ons af staat, in welk opzicht dan ook, des te minder trekken we ons iets van hem aan. We hebben moeite om een eenvoudige Afrikaanse visser met tuberculose als volwaardig mens te zien en hem dezelfde behoeften en rechten toe te dichten als onszelf. Daar bestaat een woord voor, het heet racisme.

Net als het brute politiegeweld in de Verenigde Staten maakt het ziektegeweld dat de ene na de andere Afrikaan door de hel sleept me verdrietig en boos. Want of je nu door een wrede agent je keel wordt dichtgedrukt, of dat je lijdt aan een aan armoede gerelateerde ziekte als tuberculose, het eindigt ermee dat lucht, het enige ter wereld dat nog gratis is en overal om ons heen ruimschoots beschikbaar, je wordt ontnomen.

Het is de hoogste tijd om het wegkijken van het Afrikaanse continent bij de ware naam te noemen. Het is een vorm van racisme die jaarlijks miljoenen levens eist en een veelvoud aan mensen klein en machteloos houdt, de toegang tot onderwijs ontzegt en hen verdoemt tot het hebben van een toekomstvisie die niet veel verder reikt dan tot het volgende regenseizoen. Het is hoogste tijd om Black Lives Matter in een breder perspectief te zien, om onze relatie tot onze zuiderburen te herzien en de mens overal ter wereld en in alle situaties in de eerste plaats als medemens te zien. Vanbinnen zijn we allemaal hetzelfde.


Deze column verscheen op opiniewebsite Joop.nl

De koelbloedigen

‘Geen asperges vandaag,’ zei de stem, ‘u kunt kiezen uit pizza, soep of brood. Alle gerechten zijn vegetarisch.’

Hij was zo iemand die niet opgaf, al wist hij dat je geen biefstuk of groenten kon verwachten. Als je ergens op wilde bijten moest je dat op je nagels doen. De rest was zacht, het smaakte prima als je maar bereid was te vergeten dat het kunstmatig was, zoals al het andere.

De schaduwen waren allang verdwenen, buiten dan, want achter de meeste ramen was het donker. Vierentwintig lichten brandden er nog, achter vierentwintig gesloten gordijnen bewoog zo nu en dan een schaduw. Dat was dan meer per vergissing, want de mensen was op het hart gedrukt bij de ramen weg te blijven. Maar bij hem had de angst het nooit van de nieuwsgierigheid gewonnen.

Volgens het scherm was het zestien april, maar dat was wel vaker zo. De volgorde van de dagen was verraderlijk. Hij was opgehouden aan zichzelf te twijfelen en had zich er maar bij neergelegd. Een man op de dertiende rij van boven, negende raam van links, had dat niet gedaan, hij had gewuifd en gesprongen, hij had geroepen maar zijn stem was niet te horen geweest, en die man was de eerste wiens licht was uitgegaan. In het begin ging dat snel, het uitgaan van lichten. De achtste van onder, vijftiende van links was hem gevolgd met een tussenpoos van enkele dagen, hoewel in die enkele dagen de klok op het scherm voor het eerst een sprongetje had gemaakt. In die dagen hing het gevaar nog nadrukkelijk in de lucht, er werd nergens anders over bericht. De mensen werd vriendelijk maar met klem verzocht voor enkele dagen binnen te blijven, het voedsel zou aan de deur worden bezorgd. In die dagen zaten daar nog groenten bij en vlees. Vegetarische opties volgden al snel, maar na verloop van tijd was het alleen nog maar vegetarisch wat de pot schafte. Het aanbod verschraalde, de consistentie van het voedsel vereenvoudigde maar de smaken en kleuren werden steeds gevarieerder. De gerechten kregen exotische namen die op den duur nergens meer tot te herleiden waren. Pizza de bravoure bijvoorbeeld, het gerecht dat nu werd binnen geschoven door het luikje bij de deur.

Gedachteloos sneed hij de koek in stukken, die niets met pizza te maken had, laat staan met bravoure. Weinig had trouwens nog met bravoure te maken; het ging alleen nog maar om tijdverdrijf. De shows op het scherm zorgden voor afleiding. Af en toe werd nog over het gevaar bericht, dat hielp de mensen om de dreiging in het achterhoofd te houden, niet in de buurt van het raam te komen en al helemaal niet aan de deur te voelen.

De verzoeken werden braaf opgevolgd. Dat was maar goed ook, volgens de commentators op het scherm, want nu kwam het aan op solidariteit. Als men zich niet aan de regels hield, zou de ramp zich voltrekken. Er werd daarom dringend beroep gedaan op gemeenschapszin. Voor zolang de dreiging aanhield, was afzondering de regel. Alleen op die manier was het gevaar af te wenden en zou de samenleving uiteindelijk zegevieren.

Vanaf het begin had hij er zijn twijfels bij gehad, maar het was niet het moment geweest om te protesteren. Dat kon je beter achteraf doen, had hij zichzelf voorgehouden. Maar wanneer was achteraf? Zijn argwaan was veranderd in spot, maar terwijl hij vanbinnen de spot dreef met de wereld, en vooral met zichzelf, hield hij zich kalm, want in je eentje viel er niets tegen te beginnen. Of zouden er meer zijn die dagelijks om asperges vroegen? Zou iedereen vanbinnen protesteren, maar zonder het kenbaar te maken om zich de wroeging van het systeem niet op de hals te halen?

Hij gluurde nog even naar buiten en telde de ramen waar nog licht brandde. Het waren er nog steeds vierentwintig. Het getal was al een hele tijd stabiel. Dit waren de koelbloedigen, de mensen die zich niet op stang hadden laten jagen. Als je het systeem wilde bedonderen, moest je dat van binnen doen, terwijl je van buiten de rust bewaarde. Het was juist die rust die hem beklemde, want evenzeer leek het hem van belang de uiterlijke gedweeheid niet naar binnen door te laten sijpelen, want het innerlijk protest was het enige waaraan hij voelde dat hij nog in leven was.

Terwijl hij dat overdacht, telkens hetzelfde riedeltje, was het of een band zich om zijn borst spande. Hij kneep zijn handen samen tot vuisten. Zo had hij vaak gezeten, hij verzamelde zijn krachten en concentreerde die in de uiteinden van zijn lichaam, in zijn handen en voeten. Hij stond op en liep op de deur af. De klink, dacht hij, de klink. Op het laatst trok hij zijn hand terug. Hij moest weer terug naar de woonkamer, zich uitstrekken op de bank. Maar deze keer protesteerde zijn lichaam sterker dan voorheen.

Vierentwintig koelbloedigen, zei hij bij zichzelf, vierentwintig koelbloedigen die zich hebben bedreven in gedweeheid. Maar wat was deze koelbloedigheid eigenlijk nog waard? De boom was een hele tijd kaal gebleven voor hij opeens van het plein was verdwenen. De zon was ingeruild voor een anoniem licht dat overal en nergens vandaan leek te komen. Het enige wat er nog was de tijd, maar zelfs daar werd mee gesteggeld. Dagen die werden overgeslagen, zoals de dertiende van de maand, die ging er het eerste aan, voordat de maandag verdween en na verloop van tijd de dinsdag. De week begon nu bij donderdag, wat betekende dat het altijd weekend was of bijna weekend. Hoe lang zou het duren voor het altijd zondag was, een zondag ergens halverwege april?

Bij die gedachte slaakte hij een kreet. Dat had hij nooit eerder gedaan. Nu had hij zich dus bloot gegeven, maar wat maakte het nog uit? Hij voelde het bloed door zijn aderen stromen, hij voelde hoe zich in alle cellen van zijn lichaam nieuwe krachten ontketenden. Vol energie stapte hij op het raam af. Hij sloeg met volle kracht op het glas, dat onder zijn vuisten zachtjes dreunde, hij schreeuwde en zwaaide. Maar er was daarbuiten geen roering te bespeuren. Geen gordijn kwam in beweging, als er al iemand was die hem hoorde of zag, dan liet die in zijn koelbloedigheid niets merken.

Terwijl hij zo tekeer ging, viel tegelijkertijd de rust over hem. Het was of hij zichzelf binnenstebuiten had gekeerd, of hij vanbinnen eindelijk de kalmte voelde die hij dag in dag uit had tentoongespreid. Hij schoof het gordijn weer dicht en liep naar zijn slaapkamer, maar nog voor hij die had bereikt, doofde het licht.

Aantekeningen bij de curve

U heeft ‘m vast wel voorbij zien komen: flatten the curve. Een model waarin een ongecontroleerde uitbraak dwars door een stippellijn breekt die voor de maximale zorgcapaciteit staat, is viraal gegaan op een snelheid waar het coronavirus jaloers op zal zijn. Maar er is nogal wat op dat model aan te merken.

Laten we met de Y-as beginnen. Waar staat die voor? Omdat we dagelijks grafieken zien met exponentiële toename van het aantal bewezen infecties, nemen we aan dat de Y-as daarvoor staat. Maar is dat wel zo?

De stippellijn ergens laag op de Y-as staat voor maximale zorgcapaciteit. Van nature wordt zo’n grens bepaald door een bottleneck. Deze corona-uitbraak heeft tal van bottlenecks, waarbij die van de intensieve zorg het meest afschuwwekkend is. Artsen in Wuhan en Italië zien patiënten doodgaan zonder dat ze de juiste zorg kunnen leveren. Het is een scenario waar iedere tropenarts bekend mee is, maar die choquerend is voor zorgverleners die er niet voor gekozen hebben om in zo’n setting aan het werk te zijn. Omdat we dat onmenselijk vinden en we die situatie willen voorkomen, zal de stippellijn op de grafiek de weergave zijn van deze bottleneck. Andere bottlenecks zal ik voor het gemak verder buiten beschouwing laten, een voorbeeld zou zijn het leveren van zorg op veilige manier, zodat zorgverleners niet besmet worden. Er zijn ook stippellijnen te bedenken voor het kunnen traceren van blootgestelde mensen en voor tal van andere aspecten van de zorg.

Zo kunnen we bepalen waar de Y-as voor staat. Het gaat om het aantal mensen dat intensieve zorg behoeft, en dat is heel wat anders dan de grafiek van nieuwe (bevestigde) infecties. We weten uit de beschikbare data dat mensen vaak pas na een week klachten naar het ziekenhuis gaan, en dat het dan nog even duurt voor ze op de intensive care belanden. Alles bij elkaar zit er waarschijnlijk meestal zo’n twee weken tussen infectie en opname op de IC, en de mensen die vervolgens overlijden, doen dat meestal pas na een week IC-behandeling.

Hoewel maatregelen tegen verspreiding van het virus direct invloed zullen hebben op het nieuwe aantal infecties, zal het aantal bewezen gevallen nog even ongestoord doorgaan. twee weken later zal het aantal nieuwe benodigde IC-opnames pas gaan dalen, maar ondertussen liggen die afdelingen wel vol en zijn de beademingsapparatuur bezet. Er bestaan wel lichtere methoden van beademing via een masker, maar het nut daarvan bij COVID19 is gering.

We zijn inmiddels op de X-as beland, die van de tijd. Er wordt momenteel gesproken over maatregelen van korte duur. Maar hoe lang of hoe kort blijven de maatregelen van kracht? Pas als de zorg weer op adem komt, kunnen de maatregelen beetje bij beetje worden versoepeld, anders veert de curve weer ongestoord op. In Wuhan zijn de maatregelen al bijna twee maanden van kracht. Ze zijn bijzonder succesvol gebleken, maar nog altijd is het gevaar niet geweken. De angst is dat bij het vieren van de teugels, de hel opnieuw losbarst. Pas als er heel weinig nieuwe infecties zijn en er een significante horde-immuniteit is doordat een groot aandeel van de bevolking een infectie achter de rug heeft, is het maatschappelijke gevaar geweken. Ik heb geen glazen bol, maar het is naïef om te denken dat we over een paar maanden ons oude leventje voort kunnen zetten. Ingrijpende maatregelen worden op den duur opgeheven, andere maatregelen blijven nog lang van kracht.

Na een tijdje dat oude leventje weer oppakken, had mogelijk wel gekund als het Westen niet met deze curve op de proppen was gekomen. Want het derde bezwaar is dat de curve het WHO-beleid ondermijnt. De WHO heeft herhaaldelijk gepleit voor compleet indammen van de epidemie, maar zodra de uitbraak het Westen goed en wel bereikte, wierpen we de handdoek in de ring. Containment werd een vloeibaar begrip. Daardoor komen bijvoorbeeld naar alle waarschijnlijkheid miljoenen mensen te overlijden die volgens het WHO-scenario in leven waren gebleven. De curve is dus ook een politiek wapen, waarin het scenario van het WHO-beleid ontbreekt.

Het vierde bezwaar tegen de curve is dat de menselijkheid erin ontbreekt. We leven namelijk niet in een statistisch model. Het beleid is niet erop gericht om grafieken te tekenen, maar om onze menselijke normen en waarden hoog te houden, om ernstig zieke patiënten de medische zorg te bieden die ze nodig hebben en om er voor elkaar te kunnen zijn. Hou je dus aan de maatregelen, maar vergeet de curve. Meer nog dan in het leven van alledag, komt het in een crisis als deze aan op compassie. Als mensen daarentegen alleen hun eigen billen schoon gaan houden, dan is dat een humanitair falen. Daar is geen curve tegen bestand.