Een harde realiteit en een zachte G

Vanuit geneeskundig opzicht mogen we niet ontevreden zijn. Hij is een week beademd en werd gisteren gewekt uit zijn kunstmatige slaap maar heeft nu al bijna geen extra zuurstof meer nodig. Hij kan nog niet staan, maar de kracht in zijn armen en benen zal gauw verbeteren, daar twijfel ik niet over. Het is echter duidelijk dat hij nog lang niet toe is aan mijn voorzichtig optimisme. In het bed ligt een man die nog aan het verwerken is wat hem is overkomen. De tattoo in zijn nek, zijn kale hoofd en wat stevig figuur ten spijt, want hij ziet eruit als iemand die niet gauw klein te krijgen is.

‘Het is me wat,’ zeg ik.  

‘Ja, het is me zeker wat. Het is een harde ziekte.’ Die woorden breken het verzet tegen de tranen.

‘Maar ook een harde man,’ breng ik ertegenin. Kova, het Finse woord voor hard, leent zich prima voor deze voorstelling van zaken.

‘Dit is een ziekte die ik niemand toewens. Nooit. Zelfs je ergste vijand wens je dit niet toe.’ Hij vertelt over de beangstigende tijd van toenemende kortademigheid, de dreiging van de dood en de rare dingen die hij heeft gezien. Hallucinaties. Ook zijn vrouw is ziek geworden. Net als hij had zij zich niet laten vaccineren, maar gelukkig kon zij thuis uitzieken, zonder medicatie of beademing.

En dan de hamvraag, van mijn kant. ‘Mag ik je vragen…?’ Natuurlijk mag ik dat, want de kaarten liggen open op tafel. Voor mij bestaan er geen taboes, tenminste niet als ik met mijn patiënten spreek. Er is ook geen oordeel, niet eens een echte mening. Als daar twijfel over bestaat, druk ik mijn patiënten op het hart dat ik als arts de zaken puur van de medische kant bekijk. Ik heb geen oordeel over risicogedrag, of dat nu roken of het niet-vaccineren is, maar ben wel heel benieuwd naar de drijfveren.

Als je mensen in categorieën mag verdelen, is hij er een van de kat uit de boom. In zijn omgeving en via de sociale media bereikten hem berichten over ernstige bijwerkingen en grote onzekerheden van de vaccins. En niemand in zijn omgeving was nog ernstig ziek geworden van het virus zelf. Zo besloot hij om af te wachten, en zijn partner ook. Een heel begrijpelijke afweging dus eigenlijk, maar de realiteit haalde hem in.

‘Nu hoef ik niet meer overtuigd te worden,’ zegt hij met de tranen in zijn ogen. ‘Het is een harde ziekte, een verdomd harde ziekte.’

Gedane zaken nemen geen keer, maar voor ongedane zaken geldt dat soms ook. Nu het virus zich razendsnel verspreidt, hetgeen even wordt of werd getolereerd omdat veruit het grootste deel van de kwetsbare bevolking is gevaccineerd, zullen de meeste mensen zelf met het virus worden geconfronteerd. Voor een groot deel van de niet-gevaccineerde groep mensen is het risico op ernstige ziekte gelukkig betrekkelijk klein, want jonge, gezonde mensen werden tot nu toe zelden ernstig ziek. Maar als je dat betrekkelijk kleine individuele risico vermenigvuldigt met het duizelingwekkend aantal besmettingen, is het niet vreemd dat ook in Finland de afdelingen en intensive care-afdelingen overbezet raken. Een Russische roulette waarbij de meeste revolvers ongeladen zijn, maar wel een Russische roulette op bevolkingsniveau.

Als je de cijfers heel rationeel en droog bekijkt, valt niet te ontkennen dat vaccins vele malen veiliger zijn dan het doormaken van een infectie. En dat geldt voor vrijwel iedere volwassene. Maar het is een hardnekkig misverstand dat mensen rationele wezens zijn. Iedereen heeft zijn eigen individuele gezondheidskwesties en een eigen perceptie over risico’s die overigens heel lastig te bevatten zijn. Onlangs schreef ik een veelgelezen stukje waarin ik opriep tot wederzijds respect en dialoog met de misschien wat provocerende kop dat ik aan de kant van de ongevaccineerden sta. Even lag ik onder vuur bij zowel diehard vaccinanten als antivaxxers juist omdat ik de zaken beschouwde zonder morele stellingname. Met de voor sommigen wat prikkelende kop wilde ik uitdrukken dat ik altijd aan de kant van mijn patiënten sta, los van de keuzes die ze maken of die ze nog even uitstellen. Ik wilde er ook mee aangeven dat de onderverdeling van de mensheid in twee soorten, gevaccineerd en ongevaccineerd, een kunstmatige is. In plaats van onze mening te verkondigen moeten we in de eerste plaats leren luisteren, en indien gewenst moeten wij (ik spreek namens de experts) eerlijk en afgewogen de informatie overbrengen die voorhanden is en ons niet laten verleiden tot het voorspiegelen van zekerheden die (nog) niet bestaan. We moeten de horrorverhalen die rondgaan niet zomaar afdoen als onzin, maar plaatsen in het juiste perspectief. We zijn geen rationele wezens, maar dat wil niet zeggen dat we de ratio buitenspel moeten laten staan. Uiteindelijk kiest niemand ervoor om ernstig ziek te worden. We streven allemaal hetzelfde na.

Maar we zien ons wel geconfronteerd met een harde realiteit, zeker in het ziekenhuis. Een patiënte van tegen de tachtig herstelde zelf, maar verloor in de twee weken die zij in het ziekenhuis doorbracht wel haar man en een van haar zoons. Toch bleef ze onverbiddelijk in haar verzet tegen het vaccinatieprogramma. Het is niet alleen de harde realiteit van mijn patiënten die me zeer raakt, maar ook de waarneming dat het me de afgelopen weken een paar keer is overkomen (en eerder nooit) dat de niet-vaccinatievraag me door een patiënt werd kwalijk genomen. Misschien komt het door de toon van het debat, want ook die is kova, dat sommige mensen niet meer open staan voor het gesprek of niet meer vertrouwen op de neutrale houding van een arts. Daarom wil ik ervoor pleiten een G toe te voegen aan de coronapas: de zachte G van het open gesprek.

Waarom ik, longarts, aan de kant van de ongevaccineerden sta

Op de vraag waarom ze nog geen coronavaccinatie heeft gehad, barst ze in tranen uit. Met mijn ziekte… een vaccinatie? En al die bijwerkingen dan? Het zou waarschijnlijk gemakkelijk zijn het gesprek te vermijden en het alleen te hebben over de pufjes en pillen die ze in moet nemen als ze straks van de afdeling naar huis wordt ontslagen. Veel van mijn collega’s vermijden gesprekken over vaccinaties en leefgewoontes om conflicten te voorkomen of gewoon om wat eerder met de patiënt klaar te zijn. Er zijn ook collega’s die de hoop hebben opgegeven, jaren geleden al, en in een stil cynisme hun carrière vervolgen of in het beste geval in de hoop dat op den duur voor alle kwalen een tabletje wordt uitgevonden.

Sinds het voorjaar, toen de coronavaccinatie op gang kwam, vraag ik mijn patiënten naar hun vaccinatiestatus, net zoals ik ze altijd al vraag naar roken en alcoholgebruik en ik ernstig overgewicht nooit onbesproken laat. De angst voor een conflict is onterecht als je meer geïnteresseerd bent in het verhaal van de patiënt dan in je eigen wijsheid. Zo kwam ik erachter dat bijna elke roker op mijn poli er eigenlijk al lang geleden mee had willen stoppen. Met ernstig overgewicht ligt dat iets anders, waarschijnlijk omdat men het niet in de eerste instantie als een medisch probleem ziet, ook al is uit onderzoek gebleken dat overgewicht in sommige westerse landen inmiddels een grotere moordenaar is dan de sigaret. De meeste mensen willen wel wat gewicht kwijt en veel hebben daar zelfs een poging toe ondernomen, maar met name onder mannen leeft het idee dat er met wat extra kilootjes niets mis is.

Met betrekking tot vaccinatie sta ik vrijwel dagelijks versteld. Ten eerste zijn meer van mijn patiënten ongevaccineerd dan ik op basis van de statistieken had verwacht. Wat me verontrust, is dat juist veel mensen die vanwege onderliggende ziekten een sterk verhoogd risico hebben om met een corona-infectie in het ziekenhuis te belanden, zoals overgewicht, slaapapneu, diabetes of een chronische longziekte, zich nog niet hebben laten vaccineren. Veel van hen zijn bang voor bijwerkingen, juist vanwege hun onderliggende ziektes of omdat ze zelf negatieve ervaringen van vaccinaties hebben of erover hebben gehoord. Vanwege een eigen wetenschappelijke publicatie, waarin we als eersten slaapapneu beschreven als een risicofactor voor ernstige corona-infectie, krijg ik ook nog zo nu en dan mailtjes van mensen die zich zorgen maken. Ik kan je vertellen dat ik met mijn oren sta te klapperen van de verhalen die er rondgaan. Via via horen mensen over iemand die kort na de vaccinatie ernstige gezondheidsklachten kreeg of zelfs is overleden. Meestal gaat het niet om één verhaal, maar stapelen ze zich op. En dat de overheid niet altijd te vertrouwen is, is een gegeven. Geen wonder dat mensen doodsbang worden en dat ze anderen gaan waarschuwen. Heel wat mensen weten gewoon niet wat er waar is van die verhalen en gaan graag met een arts in gesprek die ze vertrouwen. Ze hebben zich voorlopig niet gevaccineerd en kijken de kat uit de boom.

Natuurlijk is mijn patiëntenpopulatie niet representatief voor de hele bevolking, maar ik denk wel dat veel mensen onterecht aannemen dat de mensen die nog niet gevaccineerd zijn er allemaal op uit zijn om de samenleving te saboteren. Het is belangrijk om elkaar en elkaars zorgen serieus te nemen. Ieder woord in de media waarmee de zogenaamde ongevaccineerden over een kam worden geschoren, belachelijk worden gemaakt of vervloekt, is niet alleen een aanslag op onze open samenleving, maar ook daad van polarisatie waarmee het alleen maar moeilijker wordt om de juiste en uitgebalanceerde informatie terecht te laten komen bij de mensen die die informatie het hardst nodig hebben. Het doel daarvan moet niet zijn om mensen aan de vaccinatie te krijgen, maar om ze tot een weloverwogen keuze te laten komen. Uiteindelijk wil bijna iedereen alleen maar het beste voor zichzelf en zijn of haar naasten.

Woorden

Liefde bestaat omdat we er een woord voor hebben en hetzelfde geldt voor God, in het leven geroepen door het woord dat de mens hem influisterde. Luidt de verborgen regel van Genesis niet: En de mens zei: Er zij God en er was God. En hij zag dat God goed was. En wat voor liefde en God geldt, geldt voor alles, maar dan ook echt alles behalve de tijd, omdat vroeger was en de toekomst wordt en het nu alleen maar een overgangsvorm is, een spiegel als het ware, en al zijn spiegels nog zo mooi ingelijst, je ziet nooit de spiegel zelf, we zien alleen de toekomst in het verleden.

Willekeur

Twee dagen geleden zwaaide je voor het eerst ten teken van groet en gisteren begon je te dansen. Je bent bijna altijd vrolijk, soms een beetje stout maar je hebt nog geen begrip van goed en kwaad. Het is waanzinnig verdrietig dat er kinderen zijn als jij die het slachtoffer worden van bommen en raketten die schijnbaar willekeurig uit de lucht komen vallen.


Uit: Het is lente in je vadertaal (werk in wording)

Anders

Ik heb ze vandaag geteld, niet de bosanemonen aan de bosrand maar hun witte bloemblaadjes die bloemdekbladeren of tepalen heten (ze hebben geen afzonderlijke dek- en kroonbladeren). Bijna altijd zijn het er zes, maar ik kwam ook heel wat bloemen met zeven tepalen tegen, en een enkele keer zelfs een met vijf bloemblaadjes of acht ervan. Op basis van mijn hier aan onze bosrand uitgevoerde onderzoekje kunnen we zeggen dat zes tepalen voor bosanemonen de norm is. De zevenbladige bloemen vormen een minderheid en zij met een ander getal zijn vreemd. Zouden de bosanemonen er een democratie op nahouden, dan zouden de zesbladigen het voor het zeggen hebben en zouden de vreemde bloemen weinig hebben in te brengen. Als je daarentegen uitgaat van het kapitalistische principe dat overvloed altijd beter is, dan zou je juist kunnen stellen dat de achtbladige bloem de kampioen is, en de zevenbladige bloem tot de elite behoort. De (in mijn ogen) mooiste bosanemoon die ik er aantrof had echter niet meer dan vijf tepalen, die zich wel in zo’n fijne perfectie rond de groene kern en de krans van geel gehelmde meeldraden hadden geschaard, dat je vanuit esthetisch oogpunt de vijfbladige bosanemoon zou kunnen uitroepen tot de verhevenste van haar soort. En is de bloem geen esthetisch wezen, vormt schoonheid niet haar bestaansrecht?

Waarschijnlijk haal je je schouders op voor dit soort onzin, net zoals de mieren doen die de zaadjes van de bloem verspreiden. De bloemen die anders zijn, horen er evengoed bij. Ook in de mensenwereld hebben we te maken met anderen, minderheden, rijk- en minder bedeelden, maar wat doen die verschillen er uiteindelijk toe?


Dit stuk maakt deel uit van het essay Het is lente in je vadertaal

De ochtend is van optimisten

Er is een verschil tussen de ochtend en de avond, dat kan je niet ontgaan, ook hier in het bos. Je merkt het aan alles, al staat de zon op dezelfde hoogte. De lichtval is anders, en dat zit ‘m vooral in de vierde of vijfde dimensie: het licht valt de dag binnen, en daarvoor zou het niet uitmaken als de zon voor de verandering eens in het westen opkwam in plaats van het oosten. Het licht valt de dag binnen en de wereld ontwaakt. Je hoort andere vogels dan in de avond, en al heb je geen benul van welke vogels het zijn, in je hoofd heb je die geluiden aan de ochtend gekoppeld. Maar stel nu dat de ochtend- en avondvogels eens zouden wisselen, dan nog zou je, misschien na een korte weifeling, de ochtend herkennen aan zijn geluid want net als het licht dat doet, breken de vogelgeluiden de dag binnen. Ze brengen vlekjes en streepjes aan op het lege nalatenschap van de nacht. De vroege ochtend zit hem in zoveel aspecten, dat je de vinger er niet op kunt leggen, je hebt er een hele hand voor nodig en wel een grote, een hand die de zon en de aarde kan afschermen en die iedereen de adem ontneemt. De ochtend is van optimisten. In de ochtend schiet de zon, tussen de zachtjes bewegende takken van de pijnboom door, als een kraal langs een draad die een spin in de struiken heeft gehangen. Het groen is feller, het wit witter en mocht je ooit heel verdrietig zijn, dan fleurt de ochtend je op, op een andere manier dan dat de avond je troost. Vandaag staat er haast geen wind, en dat versterkt het effect van de ochtend, omdat hij dan op zijn gemak bezit kan nemen van de wereld om ons heen in plaats van dat de deur door de wind wordt opengerukt en de ochtend, voor je er erg in hebt, al door een open raam vertrokken is. De bomen staan nagenoeg stil, de spar strekt zich uit, met de duimen omhoog en je weet dat alles wat groen is, tegen het eind van de dag een tikkeltje groter zal zijn, groter en voller. De knoppen in de rododendron zullen hun kiertjes net iets meer openen, er ontluikt een zachte, haast roze tint van het violetpalet. De roos die in de winter op haar doornen na kaal is geworden, ook die heeft langs haar stengel knoppen die alleen van dichtbij te ontdekken zijn, en dat alles zal een beetje groeien, het nieuwe blad zal zich ontplooien, de stengels zuigen vocht uit de grond om het aan te bieden aan de zon. De watermoleculen plukken koolstofdioxidemoleculen uit de lucht en in een proces dat we fotosynthese noemen ontstaan energie voor de plant en zuurstof om ons adem te verschaffen. Het zit allemaal zo ingenieus in elkaar, raadselachtig en vanzelfsprekend tegelijk, dat de mensen die zich er zich het meest over verwonderen zich wetenschappers noemen, in de wetenschap dat het wonder nooit helemaal zal worden opgelost. Maar ho, je wordt wakker uit je ochtenddutje en je roept me, en dat is misschien maar het beste ook want dan kunnen we ons aan een nieuw wonder wagen.


Onderdeel van het essay Het is lente in je vadertaal.

Over dromen

Af en toe werp je een blik op mij, maar het is duidelijk dat je je aan belangrijkere zaken wijdt, met je emmertje en je schepje in de zandbak. Ik grijp het moment aan om te schrijven. Meestal doe ik dat alleen in de korte uren die je slaapt, je dutjes overdag, buiten in de wandelwagen. Je bedje is er alleen voor de nachten. Vanochtend was je vroeg wakker geworden, je stond overeind, steunend aan de spijlen, maar na een korte knuffel liet je je weer toedekken. Je zocht naar de juiste houding, voelde aan het pluizige olifantje en murmelde wat. Ik legde een hand tegen je bovenlijf om mijn nabijheid tastbaar te maken en voelde hoe je adem tot rust kwam. Je armpjes kwamen tot stilstand en heel je lichaam verslapte toen je de deur van je dromenwereld achter je sloot.

We geloven niet in god maar wel in de wereld om ons heen, ook als het een droom is want waar zouden dromen anders toe dienen? Zelf herinner ik me zelden waarover ik heb gedroomd. Ik meen dat ik minder diep slaap dan je moeder die wel van alles beleeft en erover vertelt. Als een sprookjesfiguur me zou beloven dat ik één enkele wens mocht doen, dan zou ik wensen dat ik meer zou dromen, al is dat een heel egoïstische wens en zit er bovendien altijd wel een addertje onder het gras bij zulke wensvervullingen. Wie weet zou ik dan in het vervolg geplaagd worden door terugkerende nachtmerries, de kwaadaardigste soort dromen, of zou ik in een droom belanden waaruit geen uitweg is.

Er gaat een zekere magie uit van dromen, en van geloven ook. Toen ik klein was, kwam Pinkeltje op onze verjaardagen vroeg in de ochtend slingers ophangen. Dat deed hij met zijn vliegtuigje, net zoals te lezen was in een van de gele Pinkeltje-boeken. Tot mijn broer vijf werd of zes, en naar de kleuterschool zou gaan. Er hing een briefje op de balk met het bericht dat het Pinkeltje erg speet, maar dat hij het zo druk had gekregen dat hij alleen voor de kleinste kinderen slingers kon ophangen en dat wij al behoorlijk groot waren geworden. Het was de euthanasie van de mythe om voor altijd een mythe te kunnen blijven, want als wij met schoolvriendjes over Pinkeltje zouden gaan praten, zou de mythe op een nare wijze doodbloeden, en mythes verdienen beter dan dat.

Omdat er geen god is die zich om ons bekommert, noemen wij ons atheïsten. In die term zit geen verwijt, het is geen motie tot afkeuring van hemelbewoners, goden en heiligen zijn voor ons simpelweg overbodig geworden. De ‘a’ waarmee het woord begint, stamt nog uit de tijd dat het een daad van verzet was om niet in god te geloven, waarmee een eeuwenoud dogma werd verworpen.

Dat wij, je vader en moeder, niet over een god beschikken, sluit niet uit dat jij er een zult vinden, als is het meestal zo dat je goden er met de paplepel bij in krijgt gegoten. Wij denken dat je zonder god vrijer bent, maar dat je ook meer verantwoordelijkheid draagt omdat er niemand van buiten is die het lot een zekere wending kan geven. Er is uiteindelijk ook niemand anders dan jijzelf aan wie je verantwoording af moet leggen. We hebben dus geen god voor je, maar wel knuffels: konijnen, een krokodil, een rendier en het olifantje, en die verzaken nooit.


Dit stuk maakt deel van het essay Het is lente in je vadertaal, over een vaderschapsverlof dat de hele lente duurt.

Vergeetsel

Er is een nieuw laagje vergeetsel gevallen, vanochtend, toen buiten nog een streepjescode was. Ik trok de luxaflex omhoog en jij werd stil. Haar eerste rijzen deze lente deed de zon in het verborgene, zoals jouw droom school ergens tussen jou en het dekbed dat ik omsloeg om je te halen naar de herinnering van morgen. Ook het vergeetsel vangt ons gaan, naar de brievenbus en terug, jouw kleine hand geklemd om twee van mijn vingers, maar dat spoor zal spoedig verdwijnen, want tegen alle schijn breekt echt de lente aan.

Jij droeg het koordje en ik de krant, en jij at terwijl ik las. Wij gaan nu nog hand in hand, maar ooit zullen onze wegen scheiden. Als er iets is wat ons bindt, ons allen, dan is het de wil om te kennen en de angst om te vergeten, om te worden vergeten, maar om te leren kennen, moet er altijd iets vergeten worden. Het is dus beter te kennen zonder iets net zoals het beter is te geloven zonder G., en daarom geloof ik alleen in engelen, in engelen zoals jij, want als jij er niet zou zijn, als er niemand was om te vergeten, waarom zou er dan vergeetsel zijn?

Vreemdeling

Onder mijn voeten knispert het. Als een nawee van de winter, vroeg in maart, is er vanochtend een dun laagje sneeuw gevallen. De winter was aan zijn aftocht bezig, de velden waren grotendeels bloot komen liggen maar hier, in het bos, schuilend voor zon en wind, hield de winter zich nog op. Zeker op de paden, waar de sneeuw onder druk van voeten en poten tot ijs is samengeperst. Met de lonkende lente had deze takatalvi voor mij niet gehoeven, maar toch weet de sneeuw me weer te betoveren, weer ben ik dat kind,  verrukt van de plotse gedaantewisseling van de buitenwereld.

Ook voor Elias was sneeuw het eerste wonder waar hij getuige van was. De volgende keer dat de winter intreedt, zal de herinnering aan nu gesmolten zijn, maar vanaf dat moment zal de sneeuw zich voorgoed in zijn geheugen nestelen. In de sneeuw, die de wereld binnenstebuiten keert, ontdekken we onszelf. Als Elias op zijn negenendertigste de sneeuw onder zijn voeten voelt knisperen, zal hij de kou en de extatische winterpret van zijn kinderjaren opnieuw beleven. Want dat is wat de winter met ons doet, hij wekt de herinnering aan de verwondering die met het opgroeien in slaap is gesust.

Met acht maanden oud is Elias een vreemdeling in de wereld. Hij spreekt de taal niet, heeft de regels en gewoonten niet onder de knie en is afhankelijk. Liefde is voor hem van levensbelang, in elk geval tot hij zich op de hoogte stelt van de rechten van het kind. Dan zal hij beseffen dat er, voorbij de liefde, sprake is van een sociaal contract. Tot die tijd zal hij zich oefenen in liefde om wederliefde te oogsten, terwijl hij met nieuwsgierigheid, het tweede ijzer in het vuur, een relatie opbouwt met de wereld om hem heen.

In mijn eerste jaren in Finland beleefde ik een tweede kindertijd. Ik was onbeholpen in een wereld vol raadsels die geschreven waren in mysterieuze, staccato-achtige woorden. Als vreemdeling moest ik me continu bewijzen, of het nu ging om het openen van een bankrekening, het aangaan van doorlopende contracten of puur om mijn taalbegrip. Inderdaad, alsof ik een kind was, maar met de kanttekening dat de maatschappij me enigszins wantrouwend gadesloeg.

Hoewel ik inmiddels al jaren in Finland woon, volledig geïntegreerd ben en vloeiend ben in mijn taal, is dat wantrouwen er nog altijd een beetje. Kort geleden was ik eerste auteur van een wetenschappelijk artikel met enige nieuwswaarde. Zonder uitzondering namen de journalisten contact op met de tweede auteur omdat ik, met mijn buitenlandse naam, vast geen Fins zou spreken. De tweede auteur verwees ze toch door naar mij en ik werd met verontschuldigingen om de oren geslagen.

Met de jaren ben ik me steeds meer bewust geworden van mijn Nederlandse trekjes en met mijn eerdere stille gêne daarover heb ik afgerekend. Ik ben niet meer geneigd tot Fin te assimileren. Laat mij hier maar lekker een Nederlander zijn. Alleen al vanwege mijn naam zal ik altijd een vreemdeling blijven, en Elias misschien ook wel een beetje, al is het maar in de beleving van de ander.

Dat klinkt misschien ernstig, maar is het niet. Want door een vreemdeling te zijn wekken we verwondering. Wij zijn de winter, we zijn de knisperende sneeuw.

Stille revolutie

Met Elias op de slee achter me aan loop ik door het dal. Gisteravond viel er regen en vandaag zakt de witte grond, die eerder zo solide leek, onder mijn voeten weg. Het vroege voorjaar is een stille revolutie. Onder de broze sneeuw wordt de bodem vochtig, er vormen zich stroompjes die de sneeuwlaag van binnenuit aanvreten terwijl er op het oog nog weinig aan de hand is. In de bosrand hangen de naaldentakjes van de sparren naar beneden. Ze geven uitdrukking aan de weemoed waar dit moment van vervuld is. Hoewel de lente eraan zit te komen, is deze fase van het jaar eerder een inslapen dan een ontwaken. Voor de wedergeboorte van de lente moet de winter eerst de aftocht blazen. Met de sneeuw verdwijnt ook het licht.

Ergens halverwege het pad naar de boerderijen op de heuvel verandert het wit van de sneeuw in het wit van de nevel die de sterfpijn van de winter verdooft. Rechts van me zijn twee met bomen begroeide bulten in het landschap ondanks de mist goed waar te nemen, maar het is of de kleuren eruit zijn gezogen, uit de stammen en uit de naaldentakken die ’s winters toch al zo donker zijn. Tussen de bomen is met een wit houten kruis de locatie van een prehistorische kerk gemarkeerd waarvan de resten zijn blootgelegd. Op dagen als deze is het onderscheid met het verre verleden betekenisloos. De man die ons pad kruist, zonder op te kijken, zou best in een ander tijdperk kunnen leven. De geschiedenis fluistert in onze oren.

Elias is diep in gedachten. Als ik naar hem omkijk, lijkt hij het niet op te merken. Pas als ik zijn aandacht trek begint hij te lachen. De druktemaker die hij binnen vier muren is, verandert in de buitenlucht in een filosoof van amper acht maanden oud. Ik geloof dat de mens een buitendier is, en dat de personen die we binnenshuis zijn eigenlijk fictieve karakters zijn die een eigen leven zijn gaan leven. Hoe meer je binnen zit, hoe meer je gaat geloven in dat bestaan, maar werkelijk bestaan doe je binnen niet.

Toch keren we terug naar huis. Elias glijdt en ik loop langs de rivier, waar zich op het ijs een zilveren plas heeft gevormd, we steken de velden over en keren via de heuvel en het bos terug naar huis. Ik hoor gekwetter van vogels maar zie ze niet. Misschien heeft de lente haar strategie aangepast en heeft ze toch al een vroege voorbode vooruitgestuurd nog voor de winter is geweken.