Anders

Ik heb ze vandaag geteld, niet de bosanemonen aan de bosrand maar hun witte bloemblaadjes die bloemdekbladeren of tepalen heten (ze hebben geen afzonderlijke dek- en kroonbladeren). Bijna altijd zijn het er zes, maar ik kwam ook heel wat bloemen met zeven tepalen tegen, en een enkele keer zelfs een met vijf bloemblaadjes of acht ervan. Op basis van mijn hier aan onze bosrand uitgevoerde onderzoekje kunnen we zeggen dat zes tepalen voor bosanemonen de norm is. De zevenbladige bloemen vormen een minderheid en zij met een ander getal zijn vreemd. Zouden de bosanemonen er een democratie op nahouden, dan zouden de zesbladigen het voor het zeggen hebben en zouden de vreemde bloemen weinig hebben in te brengen. Als je daarentegen uitgaat van het kapitalistische principe dat overvloed altijd beter is, dan zou je juist kunnen stellen dat de achtbladige bloem de kampioen is, en de zevenbladige bloem tot de elite behoort. De (in mijn ogen) mooiste bosanemoon die ik er aantrof had echter niet meer dan vijf tepalen, die zich wel in zo’n fijne perfectie rond de groene kern en de krans van geel gehelmde meeldraden hadden geschaard, dat je vanuit esthetisch oogpunt de vijfbladige bosanemoon zou kunnen uitroepen tot de verhevenste van haar soort. En is de bloem geen esthetisch wezen, vormt schoonheid niet haar bestaansrecht?

Waarschijnlijk haal je je schouders op voor dit soort onzin, net zoals de mieren doen die de zaadjes van de bloem verspreiden. De bloemen die anders zijn, horen er evengoed bij. Ook in de mensenwereld hebben we te maken met anderen, minderheden, rijk- en minder bedeelden, maar wat doen die verschillen er uiteindelijk toe?


Dit stuk maakt deel uit van het essay Het is lente in je vadertaal

De ochtend is van optimisten

Er is een verschil tussen de ochtend en de avond, dat kan je niet ontgaan, ook hier in het bos. Je merkt het aan alles, al staat de zon op dezelfde hoogte. De lichtval is anders, en dat zit ‘m vooral in de vierde of vijfde dimensie: het licht valt de dag binnen, en daarvoor zou het niet uitmaken als de zon voor de verandering eens in het westen opkwam in plaats van het oosten. Het licht valt de dag binnen en de wereld ontwaakt. Je hoort andere vogels dan in de avond, en al heb je geen benul van welke vogels het zijn, in je hoofd heb je die geluiden aan de ochtend gekoppeld. Maar stel nu dat de ochtend- en avondvogels eens zouden wisselen, dan nog zou je, misschien na een korte weifeling, de ochtend herkennen aan zijn geluid want net als het licht dat doet, breken de vogelgeluiden de dag binnen. Ze brengen vlekjes en streepjes aan op het lege nalatenschap van de nacht. De vroege ochtend zit hem in zoveel aspecten, dat je de vinger er niet op kunt leggen, je hebt er een hele hand voor nodig en wel een grote, een hand die de zon en de aarde kan afschermen en die iedereen de adem ontneemt. De ochtend is van optimisten. In de ochtend schiet de zon, tussen de zachtjes bewegende takken van de pijnboom door, als een kraal langs een draad die een spin in de struiken heeft gehangen. Het groen is feller, het wit witter en mocht je ooit heel verdrietig zijn, dan fleurt de ochtend je op, op een andere manier dan dat de avond je troost. Vandaag staat er haast geen wind, en dat versterkt het effect van de ochtend, omdat hij dan op zijn gemak bezit kan nemen van de wereld om ons heen in plaats van dat de deur door de wind wordt opengerukt en de ochtend, voor je er erg in hebt, al door een open raam vertrokken is. De bomen staan nagenoeg stil, de spar strekt zich uit, met de duimen omhoog en je weet dat alles wat groen is, tegen het eind van de dag een tikkeltje groter zal zijn, groter en voller. De knoppen in de rododendron zullen hun kiertjes net iets meer openen, er ontluikt een zachte, haast roze tint van het violetpalet. De roos die in de winter op haar doornen na kaal is geworden, ook die heeft langs haar stengel knoppen die alleen van dichtbij te ontdekken zijn, en dat alles zal een beetje groeien, het nieuwe blad zal zich ontplooien, de stengels zuigen vocht uit de grond om het aan te bieden aan de zon. De watermoleculen plukken koolstofdioxidemoleculen uit de lucht en in een proces dat we fotosynthese noemen ontstaan energie voor de plant en zuurstof om ons adem te verschaffen. Het zit allemaal zo ingenieus in elkaar, raadselachtig en vanzelfsprekend tegelijk, dat de mensen die zich er zich het meest over verwonderen zich wetenschappers noemen, in de wetenschap dat het wonder nooit helemaal zal worden opgelost. Maar ho, je wordt wakker uit je ochtenddutje en je roept me, en dat is misschien maar het beste ook want dan kunnen we ons aan een nieuw wonder wagen.


Onderdeel van het essay Het is lente in je vadertaal.

Over dromen

Af en toe werp je een blik op mij, maar het is duidelijk dat je je aan belangrijkere zaken wijdt, met je emmertje en je schepje in de zandbak. Ik grijp het moment aan om te schrijven. Meestal doe ik dat alleen in de korte uren die je slaapt, je dutjes overdag, buiten in de wandelwagen. Je bedje is er alleen voor de nachten. Vanochtend was je vroeg wakker geworden, je stond overeind, steunend aan de spijlen, maar na een korte knuffel liet je je weer toedekken. Je zocht naar de juiste houding, voelde aan het pluizige olifantje en murmelde wat. Ik legde een hand tegen je bovenlijf om mijn nabijheid tastbaar te maken en voelde hoe je adem tot rust kwam. Je armpjes kwamen tot stilstand en heel je lichaam verslapte toen je de deur van je dromenwereld achter je sloot.

We geloven niet in god maar wel in de wereld om ons heen, ook als het een droom is want waar zouden dromen anders toe dienen? Zelf herinner ik me zelden waarover ik heb gedroomd. Ik meen dat ik minder diep slaap dan je moeder die wel van alles beleeft en erover vertelt. Als een sprookjesfiguur me zou beloven dat ik één enkele wens mocht doen, dan zou ik wensen dat ik meer zou dromen, al is dat een heel egoïstische wens en zit er bovendien altijd wel een addertje onder het gras bij zulke wensvervullingen. Wie weet zou ik dan in het vervolg geplaagd worden door terugkerende nachtmerries, de kwaadaardigste soort dromen, of zou ik in een droom belanden waaruit geen uitweg is.

Er gaat een zekere magie uit van dromen, en van geloven ook. Toen ik klein was, kwam Pinkeltje op onze verjaardagen vroeg in de ochtend slingers ophangen. Dat deed hij met zijn vliegtuigje, net zoals te lezen was in een van de gele Pinkeltje-boeken. Tot mijn broer vijf werd of zes, en naar de kleuterschool zou gaan. Er hing een briefje op de balk met het bericht dat het Pinkeltje erg speet, maar dat hij het zo druk had gekregen dat hij alleen voor de kleinste kinderen slingers kon ophangen en dat wij al behoorlijk groot waren geworden. Het was de euthanasie van de mythe om voor altijd een mythe te kunnen blijven, want als wij met schoolvriendjes over Pinkeltje zouden gaan praten, zou de mythe op een nare wijze doodbloeden, en mythes verdienen beter dan dat.

Omdat er geen god is die zich om ons bekommert, noemen wij ons atheïsten. In die term zit geen verwijt, het is geen motie tot afkeuring van hemelbewoners, goden en heiligen zijn voor ons simpelweg overbodig geworden. De ‘a’ waarmee het woord begint, stamt nog uit de tijd dat het een daad van verzet was om niet in god te geloven, waarmee een eeuwenoud dogma werd verworpen.

Dat wij, je vader en moeder, niet over een god beschikken, sluit niet uit dat jij er een zult vinden, als is het meestal zo dat je goden er met de paplepel bij in krijgt gegoten. Wij denken dat je zonder god vrijer bent, maar dat je ook meer verantwoordelijkheid draagt omdat er niemand van buiten is die het lot een zekere wending kan geven. Er is uiteindelijk ook niemand anders dan jijzelf aan wie je verantwoording af moet leggen. We hebben dus geen god voor je, maar wel knuffels: konijnen, een krokodil, een rendier en het olifantje, en die verzaken nooit.


Dit stuk maakt deel van het essay Het is lente in je vadertaal, over een vaderschapsverlof dat de hele lente duurt.

Vergeetsel

Er is een nieuw laagje vergeetsel gevallen, vanochtend, toen buiten nog een streepjescode was. Ik trok de luxaflex omhoog en jij werd stil. Haar eerste rijzen deze lente deed de zon in het verborgene, zoals jouw droom school ergens tussen jou en het dekbed dat ik omsloeg om je te halen naar de herinnering van morgen. Ook het vergeetsel vangt ons gaan, naar de brievenbus en terug, jouw kleine hand geklemd om twee van mijn vingers, maar dat spoor zal spoedig verdwijnen, want tegen alle schijn breekt echt de lente aan.

Jij droeg het koordje en ik de krant, en jij at terwijl ik las. Wij gaan nu nog hand in hand, maar ooit zullen onze wegen scheiden. Als er iets is wat ons bindt, ons allen, dan is het de wil om te kennen en de angst om te vergeten, om te worden vergeten, maar om te leren kennen, moet er altijd iets vergeten worden. Het is dus beter te kennen zonder iets net zoals het beter is te geloven zonder G., en daarom geloof ik alleen in engelen, in engelen zoals jij, want als jij er niet zou zijn, als er niemand was om te vergeten, waarom zou er dan vergeetsel zijn?

Vreemdeling

Onder mijn voeten knispert het. Als een nawee van de winter, vroeg in maart, is er vanochtend een dun laagje sneeuw gevallen. De winter was aan zijn aftocht bezig, de velden waren grotendeels bloot komen liggen maar hier, in het bos, schuilend voor zon en wind, hield de winter zich nog op. Zeker op de paden, waar de sneeuw onder druk van voeten en poten tot ijs is samengeperst. Met de lonkende lente had deze takatalvi voor mij niet gehoeven, maar toch weet de sneeuw me weer te betoveren, weer ben ik dat kind,  verrukt van de plotse gedaantewisseling van de buitenwereld.

Ook voor Elias was sneeuw het eerste wonder waar hij getuige van was. De volgende keer dat de winter intreedt, zal de herinnering aan nu gesmolten zijn, maar vanaf dat moment zal de sneeuw zich voorgoed in zijn geheugen nestelen. In de sneeuw, die de wereld binnenstebuiten keert, ontdekken we onszelf. Als Elias op zijn negenendertigste de sneeuw onder zijn voeten voelt knisperen, zal hij de kou en de extatische winterpret van zijn kinderjaren opnieuw beleven. Want dat is wat de winter met ons doet, hij wekt de herinnering aan de verwondering die met het opgroeien in slaap is gesust.

Met acht maanden oud is Elias een vreemdeling in de wereld. Hij spreekt de taal niet, heeft de regels en gewoonten niet onder de knie en is afhankelijk. Liefde is voor hem van levensbelang, in elk geval tot hij zich op de hoogte stelt van de rechten van het kind. Dan zal hij beseffen dat er, voorbij de liefde, sprake is van een sociaal contract. Tot die tijd zal hij zich oefenen in liefde om wederliefde te oogsten, terwijl hij met nieuwsgierigheid, het tweede ijzer in het vuur, een relatie opbouwt met de wereld om hem heen.

In mijn eerste jaren in Finland beleefde ik een tweede kindertijd. Ik was onbeholpen in een wereld vol raadsels die geschreven waren in mysterieuze, staccato-achtige woorden. Als vreemdeling moest ik me continu bewijzen, of het nu ging om het openen van een bankrekening, het aangaan van doorlopende contracten of puur om mijn taalbegrip. Inderdaad, alsof ik een kind was, maar met de kanttekening dat de maatschappij me enigszins wantrouwend gadesloeg.

Hoewel ik inmiddels al jaren in Finland woon, volledig geïntegreerd ben en vloeiend ben in mijn taal, is dat wantrouwen er nog altijd een beetje. Kort geleden was ik eerste auteur van een wetenschappelijk artikel met enige nieuwswaarde. Zonder uitzondering namen de journalisten contact op met de tweede auteur omdat ik, met mijn buitenlandse naam, vast geen Fins zou spreken. De tweede auteur verwees ze toch door naar mij en ik werd met verontschuldigingen om de oren geslagen.

Met de jaren ben ik me steeds meer bewust geworden van mijn Nederlandse trekjes en met mijn eerdere stille gêne daarover heb ik afgerekend. Ik ben niet meer geneigd tot Fin te assimileren. Laat mij hier maar lekker een Nederlander zijn. Alleen al vanwege mijn naam zal ik altijd een vreemdeling blijven, en Elias misschien ook wel een beetje, al is het maar in de beleving van de ander.

Dat klinkt misschien ernstig, maar is het niet. Want door een vreemdeling te zijn wekken we verwondering. Wij zijn de winter, we zijn de knisperende sneeuw.

Stille revolutie

Met Elias op de slee achter me aan loop ik door het dal. Gisteravond viel er regen en vandaag zakt de witte grond, die eerder zo solide leek, onder mijn voeten weg. Het vroege voorjaar is een stille revolutie. Onder de broze sneeuw wordt de bodem vochtig, er vormen zich stroompjes die de sneeuwlaag van binnenuit aanvreten terwijl er op het oog nog weinig aan de hand is. In de bosrand hangen de naaldentakjes van de sparren naar beneden. Ze geven uitdrukking aan de weemoed waar dit moment van vervuld is. Hoewel de lente eraan zit te komen, is deze fase van het jaar eerder een inslapen dan een ontwaken. Voor de wedergeboorte van de lente moet de winter eerst de aftocht blazen. Met de sneeuw verdwijnt ook het licht.

Ergens halverwege het pad naar de boerderijen op de heuvel verandert het wit van de sneeuw in het wit van de nevel die de sterfpijn van de winter verdooft. Rechts van me zijn twee met bomen begroeide bulten in het landschap ondanks de mist goed waar te nemen, maar het is of de kleuren eruit zijn gezogen, uit de stammen en uit de naaldentakken die ’s winters toch al zo donker zijn. Tussen de bomen is met een wit houten kruis de locatie van een prehistorische kerk gemarkeerd waarvan de resten zijn blootgelegd. Op dagen als deze is het onderscheid met het verre verleden betekenisloos. De man die ons pad kruist, zonder op te kijken, zou best in een ander tijdperk kunnen leven. De geschiedenis fluistert in onze oren.

Elias is diep in gedachten. Als ik naar hem omkijk, lijkt hij het niet op te merken. Pas als ik zijn aandacht trek begint hij te lachen. De druktemaker die hij binnen vier muren is, verandert in de buitenlucht in een filosoof van amper acht maanden oud. Ik geloof dat de mens een buitendier is, en dat de personen die we binnenshuis zijn eigenlijk fictieve karakters zijn die een eigen leven zijn gaan leven. Hoe meer je binnen zit, hoe meer je gaat geloven in dat bestaan, maar werkelijk bestaan doe je binnen niet.

Toch keren we terug naar huis. Elias glijdt en ik loop langs de rivier, waar zich op het ijs een zilveren plas heeft gevormd, we steken de velden over en keren via de heuvel en het bos terug naar huis. Ik hoor gekwetter van vogels maar zie ze niet. Misschien heeft de lente haar strategie aangepast en heeft ze toch al een vroege voorbode vooruitgestuurd nog voor de winter is geweken.

Ontmaskering

Het is zes december, Onafhankelijkheidsdag, maar we hebben de televisie niet eens aangezet. In twintig-twintig is alles anders, ook Linnan Juhlat, de kasteelfeesten die ik altijd gekscherend Handshaking Party noem. Handshaking is dit jaar uit den boze. In februari begon het met aangescherpte regels met betrekking tot handhygiëne, minstens twintig seconden wassen, daarna kwam er het elleboogje en vervolgens raakten we elkaar helemaal niet meer aan. In Turku werd je sowieso al nooit geacht mensen te groeten die je niet persoonlijk kende, zelfs een vriendelijke hoofdknik kon als emotionele aanranding worden opgevat, dus eigenlijk veranderde er met corona hier niet zoveel.

Ook in de spreekkamer laat ik de handdruk tegenwoordig achterwege en zijn zowel patiënt als ik gemaskerd. Wel luister ik gewoon nog met mijn stethoscoop naar de longen en gaat het maskertje af als ik een kijkje moet nemen in keel of neus. Dat ontmaskeren is trouwens vaak reuze interessant, want na een gesprek van pak ‘m beet vijftien minuten, zie je eindelijke pas echt wat voor iemand je voor je hebt als het maskertje wordt afgenomen. Dan pas realiseer je je hoeveel we met een maskertje eigenlijk voor elkaar verbergen.

Over ontmaskeren gesproken, Demasquée van Akseli Gallen-Kallela is een van mij favoriete schilderijen. Een absoluut meesterwerk van de Finse schilder die vooral bekend is vanwege zijn scènes uit de Kalevala. Met Demasquée wijkt hij van dat thema af. We zien een jonge vrouw naakt onderuit zitten op een bank. In haar rechterhand houdt ze een zwart maskertje dat bijna wegvalt tegen de donkere achtergrond. Ondanks haar naaktheid is er weinig erotisch aan haar. Ik heb nog nooit een naakt gezien dat je het gevoel geeft dat je het zelf bent die naakt is, en dat zij het is die jou bekijkt in plaats van andersom. Ze bekijkt je met een blik die precies beantwoordt aan hoe je je op dat moment voelt. Voor dit schilderij ben ik verschillende keren naar Atheneum geweest, en telkens weer kijkt ze me anders aan.

Het is maar goed dat dit jaar op zijn einde loopt, want met al die maskertjes verbergen we te veel voor elkaar. Hoewel de boze droom die corona heet nog lang niet voorbij is, hoop ik dat we in de loop van het volgende jaar stukje bij beetje kunnen ontmaskeren, en dat ook de handdruk die nu als een zonde voelt, ooit weer in zijn volle glorie wordt hersteld.

(deze column verscheen in de december-editie van Noorderlicht)

Akseli Gallen-Kallela, Démasquée (1888)

Wedervraag

Als bladgoud siert het groot dooiermos de kale populieren, maar verder heeft de herfst de kleuren uit het landschap gezogen. Aan de oever van de rivier is al wat groen was in tinten troosteloos bruin veranderd, de resterende blaadjes van de wilg zijn bleek als was die het hele jaar buiten heeft gehangen. Toch kijkt Elias in de drager zijn ogen uit. Vanuit de bosjes klinkt het gekwetter van putters. We beklimmen de rotsen en wandelen door het bos. De beschutting van de naaldbomen geeft me een huiselijk gevoel. De open plekken in het bos fascineren me het meest. Het zijn net huiskamers, met stenen banken die bekleed zijn met mos. De omgeving waarin wij wonen heeft een rijke geschiedenis. Op verschillende plekken zijn overblijfsels uit de ijzertijd te vinden, rotsen waar putjes in zijn gehakt, en er zijn de resten van een kerk uit de 12e eeuw, de oudste van Finland. Een eekhoorn beweegt zich brutaal dwars door onze bos-huiskamer heen en laat zijn sporen na in de natte grond. Ik moet denken aan mijn vorige boek, Achter de rug van God, en de vraag die Väinämöinen me stelt: ‘hoe te leven?’. Als Posio, het dorpje in Lapland, me die antwoorden al verschafte, dan hadden ze een tijdelijk karakter. Uiteindelijk bleef de vraag overeind en nu, een paar jaar later alweer, zijn ze nog altijd niet definitief beantwoord. Misschien is de vraag ‘hoe?’ wel een synoniem voor het leven. Ik vermoedde ergens dat het vaderschap me zou helpen, maar Elias heeft meer iets weg van een wedervraag. Ik druk een kus op zijn wang en pak zijn handjes vast om ze te warmen. Hij dommelt in.

Stilte

De dag begint met een zangzwanenlied en met een hemel die in oranje tinten langzaam oplicht boven het meer. Een dun laagje ijs op de plassen verraadt nachtvorst en ja, het is ook echt een stuk kouder dan de afgelopen week. Ik loop de heuvels op en af en luister naar de stilte.

We hebben het vaak over hoe de mens de wereld verstoort. We hebben het dan over klimaatverandering, uitstervende diersoorten, afval en lichtvervuiling, maar wat we doen met de stilte hebben we het eigenlijk nooit. Ik leerde pas wat stilte was toen ik op mijn achttiende in mijn eentje door de Dartmoors doolde. Later, in Ierland, leerde ik van de stilte te houden. In de jaren dat we in Lapland woonde, begon stilte daadwerkelijk deel uit te maken van mijn leven. Ik raakte er zelfs zo aan gewend, dat ik bij het afdalen naar het Zuiden telkens moeite had met het lawaai dat me van alle kanten bestookte.

In Turku is het een stuk stiller dan in Nederland, maar volledige stilte is er niet te vinden. Pas als we ons terugtrekken in de bossen van Midden-Finland, vinden we de ware stilte terug. Wat dat met je doet, is onbeschrijfelijk. Zo lang we aan het gezoem, geronk en geklaag van de mensenwereld worden blootgesteld, zijn onze hersenen hard bezig dat allemaal te onderdrukken zodat we ons niet echt bewust zijn van het geluid om ons heen. Maar het kost wel inspanning, en zo is het ongehoorde geluid een constante stressfactor die pas wordt uitgeschakeld als we enige tijd in echte stilte doorbrengen. Het is alsof een verborgen spiergroep ergens in je lichaam zich eindelijk ontspant. Ineens ga je dingen horen waar je je normaal gesproken niet bewust van bent, zoals je eigen voetstappen en je ademhaling. Je staat een moment stil en houdt je adem in. Je hoort een takje breken, je hoort een specht die anders onopgemerkt zou zijn gebleven.

De wereld waar de stilte heerst is een goede plek. De gedachte dat je ooit weer terug moet, naar de stad en zijn wegen, probeer je te verdringen. En ook dat maakt de stilte mogelijk, je wordt baas van je eigen gevoel, je kunt dingen vergeten waar je niet aan wilt denken, en dingen oproepen waar je naar verlangt. Misschien is de wereld van de stilte wel een van de werelden buiten de ons bekende dimensies. Misschien is stilte wel de wonderpil waar wetenschappers al decennia naar zoeken. Hoe dan ook is stilte spiritueel.

Manifest van de vrijbuiter

Het kostte het Duitse leger vijf dagen om Nederland op de knieën te dwingen en tachtig jaar later kostte het zes dagen om met man en macht Yves Rausch, alias De Rambo van het Zwarte Woud, te overmeesteren. Naar verluidt had Rausch tien maanden huurachterstand toen hij ervoor koos om de maatschappij te verruilen voor een hut in het bos. Hij kweekte er zijn eigen groenten en leefde verder van insecten en bronwater. Daarmee overtrad hij natuurlijk de regels, en de rest van het verhaal kent u.

In een café zou Rausch een manifest hebben achtergelaten dat in de Engelse media ‘The Call of the Wild’ wordt genoemd naar een roman van Jack London, de mooiste dierenroman ooit geschreven. De hond Buck, een kruising tussen een Schotse collie en een Sint-bernard, die als sleehond wordt ingezet, weet in dat boek te ontvluchten aan de mensenwereld waarin hij misbruikt en ernstig mishandeld werd, en geeft zo gehoor aan de roep van de wildernis. In werkelijkheid is het manifest van Rausch niet door hemzelf geschreven. Het zou om een Waldläufer-manifest gaan met tips om in de wildernis te overleven.

De maatschappij waar Rausch aan wilde ontsnappen is er een die zich het best laat karakteriseren door de garantie op een kunstgebit als je de tachtig nadert, omdat de enige tand die bestand is tegen de tand des tijds nu eenmaal een kunsttand is. Voor wie dat doel voor ogen heeft, is de maatschappij er in de loop der jaren steeds beter op geworden. Hoewel de coronacrisis enige roering aanbrengt, die hoogstens de ons resterende vrijheid wat verder aanvreet en de productie van kunstgebitten – wat, toegegeven, pas en maatwerk is in de mondholte die tevens in coronatermen het hol van de leeuw kan worden genoemd – voor enkele maanden deed stagneren, heeft de burger nog niet veel te klagen, want de veroudering van het gebit is een kwestie van vele jaren en daarbij vallen de coronamaanden in het niet.

Laten we, omdat het ons een serieuze zaak is, de kosten van een kunstgebitgarantie op een rijtje zetten. Kinderen worden op jonge leeftijd gedeponeerd in tehuizen omdat ze op die leeftijd in het kader van kunstgebitten toch maar lastposten zijn. Zodra de melktanden worden gewisseld worden ze vijf dagen per week naar instituten gestuurd die bedoeld schijnen om de interesse in het leven in het algemeen en de behoefte daadwerkelijk iets te leren in het bijzonder zo vroeg en effectief mogelijk te smoren. Tegen hun achttiende zijn ze genoeg gebrainwashed om tot burger bekroond te worden (met mogelijkheid tot herexamen als dit nog niet het geval is) en om zogenaamde uit vrije wil het vreugdeloze slavenbestaan van anderen te kopiëren.

Rausch mag dan een Einzelgänger heten, enige in zijn soort is hij niet. In feite is hij bewust of onbewust een volgeling van Diogenes, de Griekse filosoof die volgens de overleveringen leefde in een regenton in de stad en volgens wie openbare masturbatie een daad van wijsheid was omdat die getuigde van onvervalste zelfbeschikking. De Finse dakloze Kati Sinenmaa bouwde met keien vanaf 1995 meer dan tien jaar aan een eigen kasteel in de openbare bossen van Helsinki. Omdat de autoriteiten zich er geen raad mee wisten, lieten ze haar jarenlang begaan, tot onlangs een ambtenaar in toenemende mate last kreeg van zijn constipatie en besloot na te gaan of het kasteel wel aan de veiligheidsnormen voldeed.

Toch zijn het niet alleen Einzelgängers die zich afkeren van de maatschappij der kunstgebitgaranties. Zo heb je in Kopenhagen de vrijstad Christiania, die zich in de jaren zeventig eenzijdig onafhankelijk verklaarde van Denemarken en die status tot voor kort de facto wist te handhaven. Alle individuen en groepen die als ongehoorzaam (zoals antivaxxers) of extremistisch (zoals Syriëgangers) worden beschouwd, vormen samen een grote groep afvalligen, en het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat er veel meer van zulke mensen zijn, die samen misschien wel een meerderheid zouden vormen, ware het niet dat ze minder geneigd zullen zijn te gaan stemmen, die de samenleving overdreven betuttelend vinden en liever wat meer persoonlijke vrijheid zien en daarvoor bereid zijn desnoods de kunstgebitgarantie op te offeren.

Desondanks krijgt de kunstgebitgarantiemaatschappij met de dag meer grip op ons. Over smaak valt steeds meer te twisten (waardoor ik mij genoodzaakt zie dit stuk met een smakeloze vergelijking aan te vangen) en satire is ongeoorloofd als die niet uitdrukkelijk als dusdanig wordt benoemd. De vrolijke misdaad, die uitgaat van hartstochten, wordt genadeloos bestraft en heeft zodoende plaatsgemaakt voor georganiseerde misdaad, waardoor het aantal passiemoorden tot een zorgwekkend minimum is gedaald en zogenaamde liquidaties in het moorddebat de boventoon voeren. Als een kwaadaardige belediging vereffend dient te worden met een flinke mep, is er altijd wel iemand om dat te filmen met zijn mobieltje zodat de rekening van het aan te meten kunstgebit bij de partij belandt die gezien de voorafgaande belediging nota bene in zijn recht stond.

Men zou het recht moeten hebben om zich af te keren, om buiten de conventies een bestaan op te bouwen en nee te zeggen tegen de kunstgebitgarantiemaatschappij. Het zijn niet de Einzelgängers die gevaarlijk zijn, maar juist de brave burgers die de ander dwingen te leven naar hun normen en waarden. Het Zwarte Woud is er niet alleen voor toeristen en andere wilde zwijnen, maar ook voor mensen die de voorkeur geven aan een vroege of tandeloze dood boven een dood zonder ooit waarlijk te hebben geleefd.