De miskenden

Het voordeel van een hoer boven een echtgenote is dat ze je van tevoren haar prijs vertelt, grapt de ver-Ierste Vlaming voor wie ik eerder al gewaarschuwd was. In zijn lach gaapt een slecht gebit. Ik ben met hem aan de praat geraakt doordat ik een boek van Sartre las, zijn favoriete filosoof. Niemand leest Sartre hier, zegt hij. Niet in Ierland.

De man in zwart, die bij het raam zit, lacht niet mee. Dat is uit beroepsdeformatie, legt hij uit. Hij is priester. Gepensioneerd, weliswaar, want het was een frustrerend vak geweest. Vandaag de dag willen zielen gewoon niet meer gered worden. Toen ik op een avond uit frustratie met mijn hoofd tegen de muur bonkte, wist ik dat ik ermee moest stoppen. Ze zoeken het zelf maar uit.

Helemaal in de hoek van de pub zit Brian, ook al een miskende man. Brian, met zijn versleten pak, was per ongeluk miljonair geworden toen hij zijn huis in Dublin had verkocht. Zo kon hij zich op zijn passie storten, de wiskunde. In een paar jaar tijd zag hij zijn artikelen over het concept Spacetime Fundamentals gepubliceerd in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften, hoewel hij amateur was. Hij had een curve bedacht, hij was met een formule op de proppen gekomen die de relativiteitstheorie bevestigde. Hij had een eenvoudige oplossing gevonden op een ingewikkeld probleem dat de wiskunde al sinds de jaren vijftig had beziggehouden. Ondanks de publicaties wordt hij door de academische elite doodgezwegen. Ze willen het gewoon niet zien, zegt hij. Een stuk dat hij had aangeboden aan een groep in Utrecht die zich met hetzelfde probleem bezighield, werd afgewezen met valse argumenten.

Opnieuw heeft hij een belangrijk stuk geschreven, maar hij weet niet goed wat hij ermee moet. Het is heel belangrijk werk, zegt hij, en reuze interessant. Het probleem is dat veel wiskundigen inhoudelijk zwak zijn. Ze kunnen niet goed omgaan met abstracte concepten, ze schieten theoretisch tekort. Eigenlijk moet dit stuk wel naar Utrecht, maar ik durf niet goed. Toen mijn vorige stuk werd afgewezen, was ik heel boos. Als dat opnieuw gebeurt, weet ik niet of ik met de woede kan omgaan.

En jij? vraagt de priester. Jij schrijft toch boeken? Zijn er dan nog mensen die lezen? Je zou er plaatjes in moeten doen, foto’s enzo. Want mensen zijn dol op plaatjes. Dan kun je het verhaal in het onderschrift kwijt

De laatste man

De mens wordt voor een belangrijk deel gevormd door het landschap waarin hij leeft. Vanuit die overtuiging bedenk ik mijn romanpersonages, dus zou ik er eigenlijk niet van moeten opkijken dat ze ook werkelijk bestaan op de plek waar het verhaal zich afspeelt. Voor mijn volgende roman ben ik bij een getijdeneiland aan de Ierse kust. Mensen die ik spreek, komen met het verhaal van Pascal op de proppen, de laatste bewoner van het eiland. The last man standing is ruim een jaar geleden overleden, enkele maanden voor zijn geest zich duizenden kilometers verderop opdrong in mijn gedachten. Pascal woonde jaren min of meer een kluizenaarsbestaan in een caravan op het uiterste puntje van het eiland. Hij was op het eiland geboren en keerde er terug na een carrière als stuntman voor hollywoodfilms, die hij abrupt afbrak nadat zijn kameraad bij een stunt was omgekomen.

Een lange wandeling brengt mij bij zijn caravan. Een van de ramen is opengebroken, en er ligt een vergane roeiboot voor het hek. De caravan kijkt uit over een baai waar de oceaan in trage golven zijn ouderdom uittelt. Konijnen schieten over het veld en verdwijnen in een ondergronds netwerk van gangen. Hoe vaak heeft Pascal hier gestaan, op deze rots, roepend naar zijn hond die de branding te lijf gaat? Hoe vaak heeft hij de huilende wind vervloekt, en hoe vaak heeft hij de wereld zien inkrimpen en uitdijen in de zeemist?

Ik haast me terug naar de zandplaat tussen eiland en vasteland. In de nabijgelegen pub hoor ik de mensen uit over mijn held, en ik maak er kennis met iemand die zich voorstelt als de koning van Claddaghduff, maar die verder geen kapsones heeft. Als ik genoeg weet, wandel mij roman uit, terug naar het dorp waar ik verblijf en onderweg regen ik nat en waai ik droog. Alles verloopt dus volgens plan, thuisgekomen in Cleggan vind ik bij de open haard mijn andere romanpersonage. Alles heeft zo moeten zijn, zoals dat in boeken en in het leven gaat.

De kunst van het leven

Niet iedereen verstond de kunst van het leven. Sommigen gingen de oceaan op terwijl je wist dat er storm op komst was. Je moest beseffen dat er grotere krachten in het spel waren. Als je twee koeien had, moest je ze om de beurt laten kalven. Je moest hard werken en als je een dochter had, was het zaak om haar weerbaar te maken tegen de liefde. Wat had je aan een lieve man die geen fatsoenlijk huis bezat?

Net als overal in Europa veranderde het leven op het Ierse platteland en aan de kust op drastische wijze. Tot een paar decennia geleden had iedereen hier een paar stuk vee en een bootje om te vissen. De regering kwam met een plan om de moordzucht van de oceaan te bedwingen. Ieder vissersbootje moest over apparatuur gaan beschikken om in geval van nood zo snel mogelijk hulp te krijgen. Dat was echter een kostbaar plan, je moest heel wat vis vangen om de boel te bekostigen. De vistechnieken werden geoptimaliseerd, de waarde van vis daalde en er kwamen regels om de visvangst te reguleren. Tegenwoordig moeten vissers een deel van hun vangst weer overboord gooien, vertelt Peadar, een zachtaardige man met een baard zo wit als de schuimkoppen van de oceaan. Veiligheid is een goede zaak, zegt hij, maar het heeft ons teveel gekost. De regulatie is niet te overleven.

Kleine kinderen gaan in het dorp naar school, maar als ze groter worden, moeten ze naar het stadje even verderop. Een paar jaar later gaan ze voor college en universiteit helemaal naar Galway . Daarna vertrekken ze naar Dublin, of verder nog, naar Canada of Australië.

Sommige mensen komen terug, zoals Tina, die achter de bar staat. En er zijn ook mensen als Valery, de blonde, wat versleten vrouw die aan het tafeltje naast de open haard het ene naar het andere glas achterover slaat en mij ervan probeerde te overtuigen dat liefde een leugen is. Haar man deed in vastgoed, en zo is ze vanuit Dublin onbedoeld in deze streek beland. Ze hield van luxe, als ze een mooie jas zag kocht ze er altijd gelijk twee van, en toen ze dertig jaar geleden zwanger werd, was het van een tweeling. Die vent daarboven heeft het beste met me voor, zegt ze. Haar man is enkele jaren geleden overleden. En dat is maar goed ook, want het was een eikel. Ik heb hem vergiftigd, zegt Valery. Dat ging heel gemakkelijk, gewoon wat pilletjes in zijn drankje. Tina, die af en toe haar ogen laat rollen als Valery aan het woord is, lacht hard. Andy, de stille man aan de bar, kijkt mijn kant op en knipoogt.

Michael neem een laatste teug van zijn pint Guinness en vertrekt om zijn bejaarde moeder toe te stoppen. Ook de vrachtwagenchauffeur houdt het ook voor gezien. Valery roddelt nog wat over de mensen hier in de buurt, en die ik de komende dagen zal ontmoeten. Maar mondje dicht, zegt ze, je hebt het allemaal niet van mij.

The stars we see

The plane trees on both sides of the street bow towards each other high above me, as if to shelter us beneath. They are still green, although October is coming to its end. A bit further, a whitebeam’s autumn leaves flame in the morning sun. A beggar sits on a blanket underneath a streetlight, her face is expressionless as the face of a Romanian woman can be. I don’t carry cash with me and I mumble good morning, but the words are lost in the drum rolls of an awakening city. She sits there day in day out, from early morning to evening, when I leave for home.

What enables us to look the other way, I wonder during a lecture on malaria. Four hundred and fifty thousand deaths a year, mainly children, and completely unnecessarily. The disease is preventable and very well treatable. Four hundred and fifty thousand, that’s more than a thousand children every day.

How did we learn to look the other way, I wonder again in the evening, when I listen to Verónica’s voice by a campfire. Her words are like shards, sharpened by her Mexican accent. While the flames are licking the branches, she talks about a man somewhere in Africa who didn’t let his sons go when the army came to recruit them. He was shot dead in front of his boys, and they were taken away. Murdering and robbing became the only way for them to survive. At the age of eighteen one of them was able to leave the army due to a gunshot wound. Supported by a charity he was able to go to school and years later he graduated as a medical doctor. Presently he works with Médicins sans Frontières, as a colleague of Verónica’s.

She speaks of a mission in South Sudan, where she’d seen more misery and injustice than she could believe. While she talks, her fingers touch my arm, as if seeking comfort. She’s not the same person she used to be. According to her friends, her views on the world and her place in it have changed radically. After the mission in South Sudan, she felt depressed for several months. And still she cannot freely enjoy life; it upsets her to see people dump bread into the bin, the careless life in London is unreal to her. Verónica may be traumatised, but she’s also determined to continue her work.

What remains of our humanity after we’ve seen children die of hunger or malaria, problems that should have been solved by now? Is it less painful for an African mother than it is for a European mother? Is their problem also ours?

It gets cold. The branches in the fire have turned to little glowing bricks, the flames have faded. Is it justified to look the other way, I wonder, is it justified to pretend that misery doesn’t exist? How can I walk by a homeless woman in the street? It’s so tempting to believe in progression that stands alone, to think that we have no influence on misery and injustice, and that it will all just simply sort itself out. How else can we spend a few pounds in the pub, aware that a child’s life somewhere in Africa may cost the same. But when you’re out there, there’s no way to deny it.

For most of the people the black reality doesn’t even exist, I tell Verónica. People look away, or they think that it happens in a different world, a parallel universe. Only a small minority feels connected to it, still fewer are willing to give up something in order to reduce the misery of others. How can we ever make a difference?

Look, says Verónica, and she points up into the October night, what is it you see?

I follow her finger and there is nothing but darkness.

But then I become aware of a star, glittering somewhere to the north. And there’s another one!

Almost all of it is dark matter, she whispers. All the stars together don’t even make up a single percent of it. But still… the stars are all we see.

De sterren die we zien

(dit artikel verscheen op opiniewebsite Joop)

De platanen aan weerszijden van de straat buigen hoog boven me naar elkaar toe, als om de mensen bescherming te bieden. Hoewel oktober op zijn eind loopt, zijn de gigantische bomen nog steeds grotendeels groen. Een meelbes even verderop vlamt op in de ochtendzon. Aan de voet van een Londense lantaarnpaal zit een vrouw op een kleedje, haar gezicht is zo uitdrukkingsloos als het gezicht van een Roemeense maar kan zijn. Ik heb geen geld op zak en mompel een groet die verloren gaat in het stadsgeluid. Dag in dag uit zit ze daar, van ’s ochtends vroeg tot ik me in de avond naar huis begeef. Nog nooit heb ik haar geld gegeven.

Hoe lukt het ons om weg te kijken van leed, vraag ik me af wanneer op de cursus tropengeneeskunde een epidemioloog over malaria vertelt. Vierhonderdvijftigduizend mensen per jaar, vooral kinderen, die compleet onnodig overlijden. De ziekte is immers te voorkomen en prima te behandelen. Vierhonderdvijftigduizend, reken ik uit, dat zijn er meer dan duizend per dag.

Hoe lukt het ons om weg te kijken van leed, denk ik opnieuw als ik in de avond aan een kampvuur naar Veronica luister. Door het Mexicaanse accent klinken haar woorden scherp als granaatscherven. Terwijl de vlammen aan de takken likken, vertelt ze over een man ergens in West-Afrika die zijn twee zoons niet wilde laten gaan toen het leger kwam om ze te rekruteren. De vader werd voor het oog van zijn zoons doodgeschoten, de jongens werden meegenomen. Moorden en roven werd voor hen de enige manier om te overleven. Een van de zoons werd op zijn achttiende gered door een kogel in zijn zij: op last van een dokter mocht hij als geïnvalideerde het leger verlaten. Gesteund door een vrijwilligersorganisatie kon hij naar school. Later zou hij zelfs als arts afstuderen. Nu werkt hij bij Artsen zonder Grenzen, als collega van Veronica.

Ze vertelt over haar missie in Zuid-Soedan, waar ze met eigen ogen meer leed en onrecht heeft gezien dan ze ooit voor mogelijk had gehouden. Terwijl ze praat, raken haar vingers af en toe mijn arm aan, alsof ze houvast zoekt. Ze is niet meer de persoon die ze eerder was. Haar vrienden vinden dat ze radicaal is geworden in hoe ze over de wereld denkt. Na haar missie in Zuid-Soedan is ze maandenlang depressief geweest. Nog steeds kan ze niet genieten, ze wordt boos als iemand een stuk brood weggooit, het onbezorgde leven in Londen is onwerkelijk. Veronica is getraumatiseerd, maar ook is ze vastbesloten om terug te gaan.

Hoe hou je jezelf als mens staande als je kinderen ziet doodgaan door honger of door malaria, problemen die er eigenlijk niet meer zouden mogen zijn? Is het voor een moeder in Afrika minder verdrietig om haar kind te verliezen dan voor een moeder in Nederland? En is hun probleem ook ons probleem?

Het is koud geworden. De takken in het vuur zijn veranderd in gloeiende blokjes, de vlammen doven uit. Is het gerechtvaardigd om weg te kijken van leed, vraag ik me af, om te doen alsof het niet bestaat? Hoe kan ik voorbijlopen aan een bedelaar in de straat? Het is zo verleidelijk om te geloven in vooruitgang, om te denken dat we op leed en onrecht geen invloed hebben en dat het zich allemaal vanzelf wel oplost. Alleen zo kunnen we voor een paar euro een biertje drinken, wetend dat een kinderleven ergens in Afrika hetzelfde kost. Maar als je er middenin zit, kun je het leed niet meer ontkennen.

‘Voor de meeste mensen bestaat die donkere werkelijkheid niet,’ zeg ik tegen Veronica. ‘Mensen kijken weg, of ze denken dat het een andere wereld is, een parallel universum ofzo. Een kleine minderheid voelt zich betrokken, nog minder mensen zijn bereid zelf wat in te leveren om het leed van anderen te verlichten. Hoe kan er dan ooit iets wezenlijks veranderen?’

‘Kijk,’ zegt Veronica, en ze wijst de oktobernacht in, ‘wat zie je daar?’

Ik volg haar vinger en tel de sterren.

‘Het is bijna allemaal dark matter, daarbuiten,’ fluistert ze, ‘de sterren maken samen nog geen procent van alle massa uit. Toch zijn het juist de sterren die we zien.’

***

Thijs Feuth is arts en schrijver en hij woont in Fins Lapland. Bij De Arbeiderspers verschenen van hem ‘Zwarte Ogen’ en ‘Achter de rug van God. Een vreemdeling in Lapland’. Momenteel bereidt hij zich in Londen voor op een periode in Malawi.

Yksi Lappi (text in Finnish)

Metsät ovat vihreämpiä kuin odotin, vihreämpiä ja täydellisempiä. Miten tällainen maa, joka on lumen peittämä puolet vuodesta, pystyy imemään itsensä muutamassa kuukaudessa niin täyteen kosteutta, elämää? Elämää, joka usein näyttää olevan haavoittuva, altis houkutuksille, herkkä sairauksille. Elämää, jota uhkaa kuolema.

Näin ihmettelin kirjassani Achter de rug van God (Jumalan selän takana), kun saavuin vuonna 2013 Posiolle, jossa tarkoitukseni oli työskennellä yhdeksän kuukautta terveyskeskuslääkärinä. Kohtuullisen lyhyt, eksoottinen kokemus antoi kuitenkin niin paljon, että sen jälkeen päädyin jatkamaan töitä Lapissa ja tähän asti olen työskentelyt Lapin Keskussairaalan keuhko-osastolla.

Lapissa on enemmän löydettävää kuin etsittävää, kirjoitin kirjassani. Maisemista, vuodenajan vaihteluista, ja Lapin ihmisistä löysin inspiraation kahteen kirjaani, romaaniin Zwarte ogen (Mustat silmät) ja ei-fiktiiviseen romaaniin Achter de rug van God.

Lääkäri-kirjailija-kombinaatio on toiminut minulla hyvin. Työkavereiden lisäksi on koko ajan tekemisissä kaikenlaisten ihmisten kanssa. Rakastan ihmisiä, ja rakastan erityisesti potilaitani. Hyvän lääketieteellisen hoidon lisäksi on tärkeää antaa rakkautta ja ymmärrystä eteenpäin. Kun potilas sairastaa syöpää, joutuu miettimään myös kuolemaa. Kuolemanpelko on luonnollista. Kun kuolema lähestyy, pitää yrittää löytää rauhaa ajatuksesta, että kaikki on hyvin. Potilaan kuolema voi olla vaikea myös lääkärille, koska hoidon keskeisin tavoite on yleensä potilaan hengissä pitäminen.

Keuhkosairaudet ovat muutakin kuin pelkkää syöpää. Astma, infektiot, uniapnea. Elintavat ovat nykypäivänä ratkaisevia terveyden kannalta, myös keuhkosairauksissa. Ylipaino, tupakointi, ja vähäinen liikunta.

Eräs siivoja tuli vastaanotolleni terveyskeskuslääkärin lähetteellä, jossa luki ‘potilas tupakoi, eikä pysty lopettamaan.’ Kävi kuitenkin ilmi, että hän oli jättänyt tupakan pois kuukausi ennen poliklinikalle tuloa.

‘Ei edes ollut vaikeaa,’ hän totesi. ‘Ysköksessä oli kerran verta, ja mietin, että tulevaisuudessa saatan joutua aloittamaan happihoidon. Joutuisin raahaamaan happipulloa rollaattorin kanssa. Silloin lopetin, ja kollega lopetti pian sen jälkeen, ja kolmaskin suunnittelee tupakoinnin lopettamista.’

Kun potilas onnistuu tekemään elintapamuutoksia, jättämään tupakoinnin, on vaikea olla rakastamatta häntä. Sama kun uniapneapotilas pystyy laihduttamaan. Toinen ihminen kasvaa horisontaalisesti helpommin kuin toinen, mutta lopuksi lihavuudessa on melkein aina energian saannin ja kulutuksen epäsuhta. Ylipaino on siis periaatteessa yksikertainen juttu, mutta käytännössä painonhallinta on usein todella vaikeaa. Jos potilaalla on terveydentilaan vaikuttavaa ylipainoa, ei voi lääkärinä vain sanoa ‘sinun pitäisi laihduttaa’. Sanoista ei usein ole mitään apua, henkilö vain loukkaantuu. Sen sijaan pitäisi motivoida ja antaa tukea. Tämä on helppo sanoa, mutta vaikea toteuttaa. Motivaatio on kuin kulta. Sitä voi etsiä ja kaivaa miten haluaa, mutta motivaatiota ei aina löydy. Sen lisäksi tarvitaan kärsivällisyyttä ja sisua.

Juuri sitä pidän Lapin (ja ehkä maailman) tämän hetken suurimpana ongelmana. Joskus tuntuu siltä, että ihmiset ovat käyneet epätoivoisiksi, koska etsimistä huolimatta kultaa ei ole löydetty. Nykypäivänä halutaan nopeasti tuloksia. Metsä myydään kiinalaisille, Rovaniemen keskusta rakennetaan täyteen kerrostaloja ja maisemallisesti kauneimmat paikat raivataan esimerkiksi kylpylähotellin tieltä, koska sillä tavoitellaan nopeasti paljon rahaa. Vasta jälkikäteen näemme, että hieno maisema on tuhoutunut.

On joskus hyvä muistaa, että maailmassa on vain yksi Lappi, josta on syytä olla ylpeä ja tyytyväinen, vaikka elämä ei muuten olisi aina helppoa. Kultaa etsiessä pitäisi kaivaa maltilla. Kultaa löytyy lopuksi, ja voi olla, että se oli juuri meidän edessämme loistamassa auringossa. Emme vain huomanneet, että kimallus oli kultaa.

Neljän vuoden jälkeen minun elämäni kulkee eteenpäin. Vaimoni Eevan kanssa käyn syksyllä Lontoossa trooppisten tautien kurssilla, ja sen jälkeen työskentelemme todennäköisesti jonkin aika lääkäreinä Malawissa Afrikassa ennen kuin erikoistumiskoulutuksemme viimeinen vaihe alkaa Turussa. Sen jälkeen toivomme kuitenkin palaavamme Lappiin.

(kirjoitus julkaistiin Lapin Kansa-lehdessä 7.9.2018)

Mijn bolwerk

Een vermolmde boomstam is zacht en warm, dat zit beter dan een rotsblok ook al is die met mossen bekleed. Je zou ze moeten zien, grijs en groen en zwart en bruin bevlekt, met zilver aangezet en bekleed met bronzen dennennaalden die altijd gepaard zijn, met een zwarte knot aaneen gebonden. Het geruis door de bomen zou je gemakkelijk voor een snelweg kunnen houden, als je uit Nederland kwam, waar geen plek buiten gehoorsafstand van het wegennet ligt. Er klinkt ook gekauw en gekraai en getjilp, maar wel met mate. Je vraagt je af waarom ze die geluiden maken, om de beurt, de een laat de ander zijn deuntje rustig uitzingen. Plegen ze overleg, zijn ze in een soort vogeldiscussie verwikkeld waar wij met ons verstand niet bij kunnen, of is het de afspraak om geen stilte te laten vallen, een verbond tegen de eenzaamheid van het bos? Maar nee, eenzaamheid kun je dit niet noemen, zelfs als je de vogels wegdenkt. Het heeft eigenlijk wel wat gezelligs, als een bruine kroeg, de zachte kleuren van de naderende herfst, het roodverkleurend blad van de bessen, het antieke tapijt van mossen en de zilveren franje van het rendiermos. De boomstronken en keien liggen her en der verspreid, uitnodigend als tafels en stoeltjes. Jugendstil, maar dan echt, levend en dood. Hier kan ik vrij denken en dichten, dit is mijn bolwerk. Alleen de kranten ontbreken, de kranten op de leestafel, en een kopje koffie met een speculaaskoekje.

Mijn bolwerk