De Afrikaanse lach

De weg is rood en groen zijn de velden. Daarachter hangt een wit doek waarop het Mulanjemassief is uitgegumd. Het kakofonische vogelconcert van de zonsopgang is alweer uitgedoofd en de vochtige grond dempt onze voetstappen. Het is nagenoeg stil, alleen klinkt in de verte de roep van een kind, dat na een paar tellen door een blaffende hond beantwoord wordt.

De mist waarin Mount Mulanje zich hult, lost in korte tijd op, het is tijd voor de reus om op te staan. Mulanje is er zo een die elke dag wel groter lijkt, machtiger en wijzer. De watervallen vormen witte plooien op zijn zwarte huid. In stilte waakt hij over het felgroen van de pas geknipte theestruiken.

De rode klei is vochtig, maar deze grond heeft de bijzondere eigenschap niet aan je schoenen te plakken en nooit glibberig te worden. We kiezen voor de route langs het beekje, voorbij de bocht steken we over een gammele brugje van aan elkaar gebonden balken het stroompje over. Halverwege het maisveld, waarvan de planten al tot kniehoogte reiken, draaien we naar rechts. Het pad verandert in een dubbel spoor met aan weerszijden her en der bakstenen huisjes, de muren aangesmeerd met klei. De daken zijn van aluminium golfplaten. Een enkeling zit voor een hut die uit bamboe en riet is opgetrokken. Twee mannen onderbreken hun bao, een spel van kralen in kuiltjes in een houten bord, om ons te groeten. Veelkleurige chitenga’s en kleurloze shirts hangen in windstilte aan een lijn tussen twee bomen.

Azungu, azungu! Gillend voegen de kinderen zich bij ons. Er wordt gelachen omdat er altijd gelachen wordt, de Afrikaanse lach is het wisselgeld in sociale transacties. Pas als er niet gelachen wordt, moet je op je hoede zijn, dan proberen ze je een loer te draaien. De lach is hier niet alleen gangbaarder, maar wordt ook zwaarder aangezet. In Europa is de lach min of meer taboe, we proberen hem zoveel mogelijk te onderdrukken, maar de Afrikaanse lach is voluit en resoneert in het hele lichaam en in de wereld om ons heen.

Volgens Lévi-Strauss verplaatsen we ons door te reizen niet alleen in de ruimte, maar ook in de sociale hiërarchie. Thuis zouden we doorsnee hardlopers zijn, de mensen zouden niet op- of omkijken als we met zijn viertjes langs kwamen draven. Maar hier, in Malawi, zijn we bijzonder, beroemd in anonimiteit. Van die malle benen die ver uit een kort hardloopbroekje steken, een lichte huid die bij teveel zon rood kleurt en een paar dagen later afbladdert. We zien er niet alleen anders uit, we zijn ook anders. We zijn vreemdelingen, vertegenwoordigers van uitheems volk dat in extreme welvaart leeft. Hoe dan ook zijn we de moeite van het bestuderen waard.

Een hele tijd voelde ik me ongemakkelijk bij de overmatige aandacht in de dorpen, maar inmiddels heb ik de schroom van me afgegooid. De aandacht is immers wederzijds en respectvol, de groet is welgemeend en de mensen die Engels spreken maken graag een praatje. Kinderen kun je hun impulsiviteit niet kwalijk nemen. Bovendien valt er in de dorpen zoveel te zien en te beleven, dat het zonde zou zijn ze te mijden.

Als we er weer vandoor gaan, hollen de kinderen nog kilometers mee. We lopen over een door palmbomen geflankeerde weg die naar de theeplantage voert, we draven over de rode paden door de groene velden en om de vijf minuten is er een tussensprint. Hun lachende benen zijn onvermoeibaar, misschien is het de kleur van de kleigrond die ze energie geeft, het rood dat aan tartan atletiekbanen doet denken, het rood ook van zuurstofrijk bloed. Mulanje wordt door de lopers niet voor niets home of the champions genoemd, het is het Iten van Malawi. Mijn vriend en twaalfvoudig kampioen Francis komt hier vandaan, en tal van andere Malawische loopkampioenen. De kinderen hollen voor ons uit, ze leiden ons naar een bron van drinkbaar water. Onderweg wijzen ze naar het mais en roepen chimanga, dan njinga voor fiets en madzi voor water. We repeteren de woorden tot onze uitspraak ze tevreden stelt.

De globalisering is in economische zin altijd eenrichtingsverkeer geweest, van de palmolie- en rubberhandel honderd jaar geleden tot de mineralen voor onze mobieltjes van vandaag. Europa wordt steeds rijker en Afrika blijft arm. Maar op een ding is Afrika zuinig, en dat is de moed waarmee de mensen de hardheid van het leven pareren. Het is de paradox van de welvaart dat mensen zich meer zorgen maken als er minder zorgen zijn.

Chateaubriand schreef eens dat iedereen een wereld met zich mee draagt, een wereld die bestaat uit alles wat hij heeft gezien en liefgehad, een wereld waarin hij telkens terugkeert, ook wanneer hij in die andere wereld, die we de werkelijkheid noemen, op reis is, zich op nieuwe plaatsen begeeft en nieuwe mensen ontmoet. Als ik door de theevelden van Mulanje loop, ren ik door de Kennemerduinen, want daar is de hardloper in mij ooit ontkiemd. De kinderen, sommige van hen op blote voeten, zijn de atleten voor wie ik me probeer groot te houden, Gert, Erwan, Sullivan en Casper, lopers voor wie ik de laatste energie uit mijn lichaamscellen pers, en dan doorloop op lucht.

De zon klimt sneller dan wij draven, het zweet verdampt en laat een zoute smaak na. Het tragische van lopen is dat er altijd een moment van stilstand komt. De dag roept, het leven dat er schijnbaar toe doet. De loper doet concessies maar blijft hongerig naar het moment dat hij weer in beweging mag komen. Zo ook de jongens, die nog niet tot stilstand zijn gekomen of ons vragen wanneer er weer een hardlooprondje volgt. Zoals op de meeste vragen ligt het antwoord besloten in de dag van morgen, als het kakofonische vogelconcert een nieuwe zonsopgang inluidt.

Finland is geen hemel op aarde

Het nieuwsbericht dat de Finse regering naar een 24-uurse werkweek streeft is onwaar. Het verscheen afgelopen weekend in de Engelse media en is in een mum van tijd wereldwijd overgenomen. De Finse krant Helsingin Sanomat was er echter snel bij om dit te corrigeren: de kersverse premier Sanna Marin heeft in augustus, dus maanden voor aan haar premierschap, eens geopperd dat een 4-daagse werkweek óf een 6-uurse werkdag wellicht een goed idee was. Dit wordt vooralsnog echter niet als een haalbaar plan gezien en is ook niet het voornemen van de regering.

Veel van wat je over Finland in de internationale media verschijnt, moet met een korreltje zou genomen worden. Zelfs met interpretatie van statistieken ben ik voorzichtig, o.a. omdat ik beroepsmatig in aanraking kom met vervalsing van getallen. Zo is het in Finland over het algemeen niet geaccepteerd om als arts een infectieziekte als doodsoorzaak op te geven. Als iemand aan een longontsteking overlijdt, moet de arts altijd zoeken naar een onderliggende ziekte, ook al is het vaak onzeker dat die heeft bijgedragen aan de dood. Finse artsen die van deze regel niet weten, leren dat gauw genoeg, want de ingevulde formulieren komen terug met verzoek het aan te passen. Toen ik daar eens tegen protesteerde, werd me toegesnauwd dat in Finland mensen niet aan infectieziekten overlijden. ‘Finland is geen ontwikkelingsland.’

Finland is volgens het World Happiness Report het gelukkigste land ter wereld. Ook dat betwijfel ik. Mensen hebben het er over het algemeen niet slecht, maar gelukkiger dan elders komen ze op mij niet over. Net als de andere Noord-Europese landen, die ook allemaal opvallend hoog scoren op de Happiness ranking, staat Finland in de wereldtop als het gaat om consumptie van antidepressiva. En het is niet zo dat antidepressiva mensen gelukkig maken. Nee, dat Finland hoog scoort op het World Happiness Report kan niet anders zijn dan een statistisch artefact.

Nu is Finland een prima land om in te wonen. Er is meer ruimte, de lucht is er schoner en vergeleken met Nederland hebben mensen er doorgaans een betere balans tussen werk en privé. En natuurlijk heb je in het noorden van het land het noorderlicht. Maar de economie draait er niet zo lekker als in Nederland, de gezondheidszorg is minder en mensen zijn bij lange na niet zulke sociale dieren als Nederlanders en Finnen hebben geen gevoel voor humor.

Als je de Nederlandse mediaberichten over Finland leest, zou je kunnen denken dat het er hemel op aarde is. Na zeven jaar Finland weet ik dat dat voor slechts vijftig procent het geval is. Voor de overige zestig procent (want ja: in Finland geldt het fifty-sixty van Matti Nykänen, de Finse equivalent van Johan Cruijff), is Finland een hel.  

Alles uit de kast

Martta, een vrouw van tegen de negentig die al een maand in het ziekenhuis ligt, is de eerste patiënte die ik zie na terugkomst uit Afrika. Vanwege een ernstige ontstekingsreactie in haar longen, die door een infectie is uitgelokt, ligt ze aan de beademing. Martta is buiten bewustzijn als ik haar zie. Ondanks de kunstmatige beademing hoopt het koolzuurgas zich op in haar bloed, het is duidelijk dat ze snel zal overlijden.

‘Een longfoto,’ mompelt mijn collega.

Een longfoto gaat haar niet redden, denk ik bij mezelf, maar ik hou mijn mond. Terug uit Afrika is het even wennen aan de medische realiteit van het Westen.

Omdat er op de foto wat vrije lucht in de longholte te zien is, wordt er een drain geplaatst, een buisje om de lucht uit de longholte weg te zuigen. Dat beetje lucht betekent namelijk dat beademen niet zonder risico is. Maar dat buisje gaat haar natuurlijk niet redden, denk ik bij mezelf, net zo min als de longfoto. Ons medisch perfectionisme gaat over de puntjes op de ‘i’, en we weten ons daarom geen raad als de ‘I’ een hoofdletter is. We behandelen Martta niet, maar de bevinding op de longfoto. We doen wat de protocollen voorschrijven, zodat we tegen onszelf kunnen zeggen dat we alles uit de kast hebben getrokken.

De volgende dag doe ik mijn mond pas open. Ik bespreek met Martta’s dochter dat het tijd is om de handdoek in de ring te gooien. Als we het beademingsmasker af doen, zal het hooguit een kwestie van minuten zijn, zeg ik. Het is goed zo, vindt de familie. Ze hadden een paar dagen geleden al afscheid genomen. Ze willen er niet bij zijn als Martta haar laatste adem uitblaast, en dus pakken ze haar eigendommen alvast in.

‘Fijn dat alles uit de kast is getrokken,’ zegt de schoonzoon, met tranen in zijn ogen.

Alleen met de verpleegkundige blijf ik bij Martta achter. Ik haal het beademingsmasker van haar gezicht af, de verpleegkundige strijkt ondertussen over Martta’s arm en spreekt zachtjes lieve woorden uit. Martta haalt nog een paar keer adem en zakt dan weg.

Ik heb niet het gevoel dat we alles uit de kast hebben gehaald. Integendeel, ik vind dat we ernstig tekort zijn geschoten. Ik had mijn mond open moeten doen, we hadden Martta eerder moeten laten gaan. Zelden zadelt het overlijden van een patiënt me met zo’n leeg en mistroostig gevoel op. Komt het door de technische wijze waarop Martta tot op het laatste moment behandeld werd, of door de afwezigheid van haar naasten op het moment dat ze haar laatste adem uitblies? Het is niet aan mij om te oordelen, en dat doe ik ook niet. Sommige mensen kunnen de confrontatie met de dood simpelweg niet aan, en daar kunnen ze allerlei redenen voor hebben. Wie weet hebben ze wel een traumatische ervaring gehad bij het overlijden van hun vader. Onze emoties gaan vaker over wat we eerder hebben meegemaakt, dan over het moment waarin we leven.

Ik begrijp dat allemaal best, maar ik ben ook een mens, en ik draag ook wat met me mee. Een week geleden zat ik nog op een plek waar sommige essentiële medicijnen niet voorradig waren. Jonge mensen gingen onnodig dood, onder hen kinderen en twintigers. Een jonge vrouw bloedde dood door een miskraam. Het gehuil van familie drong door merg en been. Terug in Europa zie ik hoe het geld over de balk gesmeten wordt, terwijl we alsmaar klagen over tekorten in de zorg.

Het is niet de eerste keer dat ik terugkom uit Afrika, maar ik heb er deze keer meer moeite mee dan voorheen. Het lijkt me dat de helft van de zorg die we hier leveren onnodig is. Welvaart is voor veel mensen een ziekte geworden, en artsen kunnen het denken in medische systemen niet meer uitzetten. Overlijden aan de ouderdom is er niet bij, simpelweg omdat ouderdom geen ziekte is. Op de formulieren kunnen we ‘ouderdom’ niet opgeven als doodsoorzaak, en die bureaucratische tekortkoming heeft verstrekkende gevolgen. We steken drains door borstwanden omdat we ons geen raad weten met de dood. Rousseau had natuurlijk gelijk dat de wetenschap uiteindelijk de moraal ondermijnt.

Ik hou mijn mond omdat ik weet dat ik geen recht van spreken heb. ‘Je wilt geen zeurpiet zijn,’ schrijft Annet, mijn collega in Mangochi. ‘Terugkomen in Europa is lastig omdat er geen voelbaar (over-)leven is. We zijn vergeten wat de essentie is, juist omdat de essentie er zo vanzelfsprekend is.’

Ik geloof dat ze daar gelijk in heeft. In het ziekenhuis van Mangochi worden de meeste bedden bezet door mensen onder de dertig, terwijl in het Westen de afdelingen vooral door ouderen worden bevolkt. Als een jonge patiënt in levensgevaar verkeert, is de noodzaak van medisch ingrijpen evident, maar in het Westen zijn we, heel plastisch uitgedrukt, meer bezig met oprekken dan met genezen. Tegelijkertijd laat de technocratische geneeskunde steeds minder ruimte aan de invulling van waarden die de betekenis van een paar procent op de overlevingscurve overstijgen. Omdat we manoeuvreren in de periferie van de betekenis, worden we ons bewust van het paradoxale karakter van ons handelen. Want we zetten in op het leven, maar proberen tegelijkertijd in lijden en sterven betekenis te vinden.

Ik wil niet zeuren, maar ik ben ook een mens. Geef me een paar dagen om mijn moreel kompas weer op het juiste veld af te stellen, een paar dagen en ik draai weer vrolijk mee in de periferie van de betekenis. Misschien is het juist wel goed om als arts jezelf af en toe geconfronteerd te zien met de essentiële voorwaarden van het bestaan, zodat we ook in de periferie niet vergeten waar het eigenlijk om gaat.

Een land van meningen

‘But in all great compounds there must be people of all minds – some good, some bad, some fearless and some cowardly; those who bring in wealth and those who scatter it, those who give good advice and those who only speak the words of palm-wine. That is why we say that whatever tune you play in the compound of a great man there is always  someone to dance to it.’

Chinua Achebe, Arrow of God

In Arrow of God breekt de grote Afrikaanse schrijver Chinua Achebe een lans voor verscheidenheid. Mensen verschillen, meningen verschillen. Je zou kunnen zeggen dat het juist onze verscheidenheid is die ons mensen onderling bindt, een verscheidenheid aan meningen, een diversiteit aan karakters. Zonder die verschillen zouden we identiteitsloos zijn.  

Die verscheidenheid hebben we nodig, in de roman van Achebe om bij ieder deuntje een danser te hebben, en in de werkelijkheid om elkaar te toetsen. Respect voor de ander is een grondbeginsel van de democratie. Iedereen verdient het gehoord worden, luisteren is onze plicht. De Keniaanse Nobelprijswinnares Wangari Maathai vergelijkt de democratie met de drie poten van de traditionele Afrikaanse kruk. De eerste poot staat voor de democratische ruimte, het handhaven van de mensenrechten, de tweede poot staat voor duurzaam en verantwoordelijk beheer van natuurlijke bronnen en de derde poot voor vreedzaamheid, waar respect onderdeel van uitmaakt.

Ik werk momenteel in Malawi, een land dat ondanks de armoede en corruptie, ondanks dagelijks overbodige sterfgevallen in het ziekenhuis, vreedzaam is. Het is bevreemdend om berichten uit mijn vaderland te lezen, uit Nederland, dat ondanks de extreme welvaart wel in burgeroorlog lijkt, met troepen columnisten en opiniemakers tot hun knieën vastgezogen in een moeras van nijd.

Waren populisme en haatcampagnes tot voor kort hoofdzakelijk een rechtse aangelegenheid, inmiddels doet links onbeschroomd mee. Een lasterlijk artikel in de Volkskrant, van Hassan Bahara en Karolien Knols, waarin enkele rechtsgeoriënteerde opiniemaaksters zoals Eva Vlaardingerbroek met de grond worden gelijkgemaakt op basis van het feit dat het jonge vrouwen zijn, schoot vanochtend bij mij in het verkeerde keelgat. Erger nog waren de reacties erop. Volkskrantjournalist Margriet Oostveen heeft het op Twitter over ‘dienstmaagden van radicaal rechts’ en Roos Schippers, zelfbenoemd feminist, heeft het over ‘huppelkut Vlaar’. Nou is Vlaardingerbroek niet per se iemand die ik hoog heb zitten, maar dat doet er niet toe. Alle mensen verdienen respect.

Het is hoog tijd om onszelf een halt toe te roepen. Samenleven is ruimte geven aan de ander, aan mensen met een andere afkomst, maar ook aan mensen met een andere kijk op het leven en op de maatschappij. Discussies en kritiek zijn waardevol, maar we moeten ons realiseren hoe belangrijk fatsoensnormen zijn. Juist als het om je tegenstanders gaat. Val elkaar op inhoud aan, niet op wie we zijn. Laat mensen in hun waarde, vooral als je het niet met ze eens bent. Because in all great compounds there must be people of all minds, so that  whatever tune you play, there is always  someone to dance to it.

She has to get better

She’s been here for some time. Hilda is twenty-five years old and she was admitted to the hospital with a strange neurological disorder. She had a fever, was confused, and couldn’t move properly. It turned out to be caused by a fungal brain infection, Cryptococcus neoformans, a complication of HIV. She is also infected with tuberculosis, and that’s why she’s in my tuberculosis department.

The fever has now gone, she can move her arms again, but Hilda doesn’t yet have strength in her legs. Only in her toes, yes, she can move them a little when trying hard. I am cautiously positive, the power in her limbs may return little by little – Pang’ono pang’ono – if she practices a lot. But probably she will always remain weak, her hearing may never fully improve, and her sight may remain limited.

Hilda’s husband has left her and her mother died years ago. It’s her aunt who takes care of her while Hilda is in the hospital, because patients depend on their loved ones for nursing – nurses are only involved in strictly medical care. And as long as Hilda isn’t able to take care of her two children at home, her grandmother, the great grandmother of her children, does.

Hilda’s aunt’s support is unconditional, and when I mention that, her aunt bursts into tears. ‘The rest of the family just have to help themselves for a while,’ she says. ‘Hilda has always been there for everyone. She was my support and refuge when my sister – her mother – died, and she always managed to find some money when we were in need. Hilda has to get better, that’s all that matters now.’

‘Tuberculosis is a disease of the poor,’ I explain to the students a little later. ‘Of course you and I can also get infected, but it’s against the odds. You will see that most people here were struggling to survive even before getting ill. The disease often has a catastrophic impact, not only on the patient himself, but also on his or her family.’ I warn my students that we may relate differently to the poorest people, our empathy might be at stake, simply because we cannot imagine their misfortune ever to happen to us. We sometimes unconsciously divide people into ‘them’ and ‘us’, and we should beware of doing so. It’s important to realize that we all feel the same pain and sadness, even though some of us are dressed in dirty duds.’

After interviewing four patients, we discuss what they told us. The students are upset. Themselves being from the city, the students now get to know a completely different side of their country, during the few weeks in the district hospital of Mangochi. In the Malawi countryside, people are fishermen or farmers, they depend on the bits that mother Nature provides them with. ‘We’ve learned about tuberculosis from books,’ says Hilary. ‘That was about the bacillus, about a weakened immune system and about a chronic cough. But this… Now I understand that it is much bigger. The impact of the disease, and how much the people around them suffer too.’

I nod. The stories that we heard today were all shocking. Omar, for example, was a breadwinner. His wife takes care of him during the stay in the hospital. The six children, between five and sixteen, are at home. With no one to take care of them. ‘At least, we believe that they’re at home,’ adds Omar’s wife. Now that the rainy season starts, the eldest will hopefully be planting maize, without knowing if his parents will return, and when. On the bed opposite of Omar is Rachid, a young men who’s married to two women. He would have to support two families, but presently he cannot even stand up because of the Kaposi sarcoma in his groins. And I was able to fill several buckets with the orange fluid that had accumulated around his lungs.

‘Such conversations with patients are essential,’ I tell the students. ‘Not only do we, doctors, learn how we can better align healthcare with patient needs, but we also learn a lot about ourselves and the world.’

I watch the students as they leave the building. Many tuberculosis patients will not make it, I ponder. They tend to seek care too late, only when they are standing with one foot in their grave, simply because they can’t afford to be sick. They die not because there are no effective medicines, but because prosperity is unfairly distributed. I don’t know how effective it is what I do out here. I do sometimes have my doubts about it. But if the medicines don’t work, when another patient succumbs to a high fever, I am still there to register it, to testify of an injustice for which the world is apparently not too small.

Hilda moet beter worden

Ze ligt er al een hele tijd. Hilda is vijfentwintig en is opgenomen met een vreemd neurologisch ziektebeeld. Ze had koorts, was verward en kon zich niet goed bewegen. Het bleek om een schimmelinfectie van de hersenen te gaan, Cryptococcus neoformans, en dat was weer het gevolg van HIV-infectie. Bovendien is ze ook nog eens met tuberculose besmet, en dat is de reden dat ze op mijn tuberculose-afdeling ligt.

De koorts is over, ze kan haar armen weer bewegen, maar in haar benen heeft Hilda die kracht nog niet. Alleen in haar tenen dan, met uiterste inspanning kan ze die bewegen. Ik ben voorzichtig positief: als ze veel oefent, dan komt de kracht misschien beetje bij beetje terug. Pang’ono pang’ono. Maar het is goed mogelijk dat ze altijd zwak zal blijven, dat ze hardhorend zal blijven, en dat ze nooit meer scherp zal zien.

Hilda’s man is er met een ander vandoor gegaan en haar moeder is al jaren geleden overleden. Het is haar tante die voor haar zorgt zolang Hilda in het ziekenhuis ligt, want voor verzorging zijn patiënten op hun naasten aangewezen – verpleegkundigen houden zich alleen bezig met strikt medische zaken. Zolang Hilda niet thuis voor haar twee kinderen kan zorgen, doet haar oma dat, de overgrootmoeder van haar kinderen.

De steun van Hilda’s tante is onvoorwaardelijk, en als ik dat uitspreek, barst die tante in tranen uit. ‘De rest van de familie moet zich maar even zien te redden,’ zegt ze. ‘Hilda heeft altijd voor iedereen klaar gestaan.  Ze was mijn steun en toeverlaat toen mijn zus – haar moeder – stierf, en ze wist altijd wel geld bij elkaar te sprokkelen als er problemen waren. Hilda moet beter worden, dat is nu het enige wat telt.’

‘Tuberculose is een armoedeziekte,’ leg ik de studenten even later uit. ‘Natuurlijk kunnen jij en ik ook geïnfecteerd raken, maar voor ons is die kans veel kleiner. Je zult zien dat de meeste mensen hier ook al zonder de ziekte moeite hadden te overleven, en dat de ziekte vaak een catastrofale impact heeft, niet alleen op de patiënt zelf, maar ook op zijn of haar familie.’ Ik waarschuw ervoor dat we ons het lot van arme mensen soms minder aan trekken, omdat we ons niet kunnen voorstellen dat hun ongeluk ook ons zou kunnen overkomen. ‘Onbewust delen we mensen soms in in ‘zij’ en ‘wij’, en daar moet je voor waken. Het is van belang om je te realiseren dat we allemaal dezelfde pijn voelen, hetzelfde verdriet, ook al gaan sommigen van ons slechts in vodden gekleed.’

As we vier patiënten uitgebreid geïnterviewd hebben, bespreken we na. De studenten zijn ervan ondersteboven. Zelf uit de grote stad, maken de studenten tijdens de paar weken in het districtsziekenhuis van Mangochi kennis met een totaal andere kant van hun land. Hier op het platteland van Malawi zijn de mensen vissers of boeren, aangewezen op de beetjes die moeder natuur ze toestopt. ‘We leerden over tuberculose uit boeken,’ zegt Hilary. ‘Dat ging over de bacil, over een verzwakt immuunsysteem en over een chronische hoest. Maar dit… Nu begrijp ik dat het veel groter is. De impact van de ziekte, hoe heel de omgeving eronder lijdt.’

Ik knik. De verhalen die we vandaag hoorden zijn stuk voor stuk schokkend. Omar, bijvoorbeeld, was kostwinner. Zijn vrouw verzorgt hem tijdens het verblijf in het ziekenhuis. De zes kinderen, tussen de vijf en de zestien, zijn thuis. ‘Als het goed is,’ voegt Omars vrouw eraan toe. Nu het regenseizoen begint, vangt de oudste hopelijk aan met het planten van de mais, zonder te weten of zijn ouders terugkeren, en wanneer. Tegenover hem op de zaal ligt Rachid, die met twee vrouwen getrouwd is. Hij zou twee families moeten onderhouden maar door zijn Kaposisarcoom kan hij niet eens meer overeind komen. Ik vulde emmers met het oranje vocht dat tussen zijn longvliezen was opgehoopt.

‘Zulke gesprekken met patiënten zijn van essentieel belang,’ geef ik de studenten mee. ‘Niet alleen leren wij, dokters, hoe we de zorg beter kunnen laten aansluiten op de behoeften van de patiënt, maar we leren ook veel over onszelf en over de wereld.’Als de studenten naar buiten gaan, kijk ik ze na. Veel tuberculosepatiënten zullen het niet redden. Ze zoeken te laat hulp, pas als ze met een been in het graf staan, simpelweg omdat ze zich het ziek zijn niet kunnen veroorloven. Ze gaan niet dood omdat er geen werkzame medicijnen zijn, maar omdat de welvaart oneerlijk verdeeld is. Hoe effectief het is wat ik doe, weet ik niet. Ik heb daar wel eens mijn twijfels over. Maar als de medicijnen niet aanslaan, als weer een patiënt onder hoge koorts bezwijkt, ben ik er nog om dat te registreren, om te getuigen van een onrecht waar de wereld kennelijk niet te klein voor is.

Aan de loper in u,

Het stond deze week in de krant. Een uurtje per week zou al genoeg zijn. Het deed er niet toe hoe veel je hardliep, áls je maar hardliep. Dat hadden ze uit een nieuw artikel van de British Medical Journal. Een uurtje, laat me niet lachen. Volstrekte onzin natuurlijk. Hetzelfde tijdschrift publiceerde in augustus nog een Noorse studie die het tegendeel bewees. Meer fysieke activiteit ging toen nog gepaard met een betere levensverwachting. En, belangrijker nog: hoe meer tijd je sedentair doorbracht, hoe eerder je doodging. God was toen nog een hardloper, en luie mensen gingen naar de hel. En God was streng: hoe luier je was, des te sneller moest je inpakken. Het was een van de weinige rechtvaardigheden waar je de wereld op kon betrappen. Waarom zou daar nu ineens verandering in zijn gekomen?

Toch schieten beide studies flink tekort. Wat de onderzoekers ‘goed’ noemen, of ‘gezond’, is niets meer of minder dan het uitstellen van de dood. Logisch, denk je in eerste instantie, want wie wil er nu dood? Hoe langer we leven, des te groter de kans dat we eruit halen wat erin zit. Levensduur is bovendien het hardste ijkpunt in medische en gezondheidswetenschappelijke studies.

Maar we moeten ons niet blind staren op die levensverwachting. We realiseren ons te weinig dat levensduur slechts de X-as van het leven is. En op de Y-as staat de beleving. Hoe meer we beleven, hoe groter de area under the curve. En het is die vlakte, die je zou kunnen arceren, die er werkelijk toe doet: het gebied onder de curve van de beleving, uitgezet over de tijd.

Beleving is niet te objectiveren, en mede daardoor hebben onderzoekers geen idee van wat ‘goed’ voor ons is. Ze staren zich blind op de X-as, en het lijkt er wel eens op dat we bereid zijn behoorlijk in te boeten op de Y-schaal, die van de beleving, om de X-as ook maar een millimeter te rekken.

Nou wil ik niet beweren dat ik een formule heb gevonden waarmee we de score op de Y-as betrouwbaar kunnen vastleggen, maar ik denk wel dat er wat vuistregels zijn om de score op de Y-as te maximaliseren. Leven met lef, bijvoorbeeld, niet voor genoegzame opties kiezen, maar voor keuzes gaan die ons in spanning laten. Word verliefd, gooi je leven overhoop, elke dag opnieuw. Hoe minder zeker je bent van de dag van morgen, hoe meer die belevingscurve in beweging gaat.

Voor hardlopers is er daarnaast een bruikbare surrogaatwaarde die aangeeft hoe we op de Y-as staan. Hoe meer je loopt, en hoe harder, des te beter je scoort. De hardloper weet dat een niet gelopen kilometer betekent dat je een kilometer niet hebt geleefd. Een keer per week een uurtje joggen, wat volgens het nieuwe onderzoek efficiënt zouden zijn, is niet meer dan een waakvlam: genoeg om de illusie te houden dat je het lichaam nieuw leven kunt inblazen, maar te weinig om van een volwaardig leven te spreken.

Niet-lopers kunnen zich hier misschien moeilijk een voorstelling bij maken. Ze leven in de waan dat het bestaan zonder loopkundige verheffing de moeite waard kan zijn. Hier zit hem de crux: als het op het leven aankomt, luisteren we te vaak naar mensen die geen idee hebben wat lopen is, laat staan wat het leven is. Dat zijn de X-fanaten, de mensen die een zuinig leven bepleiten in de hoop dat de X-as hen gunstig gezind is, en vergeten te nemen wat dat leven hen aan mogelijkheden biedt. Ze zuchten en steunen als de lift het niet doet en ze raken in paniek als ze eens zijn aangewezen op de benenwagen.

Ze kennen het genot niet van melkzuur in de kuiten, van de koude wind die zich tegen je keert en de heuvel die telkens maar hoger blijkt, de weg langer. Je zou ze met pensioen willen sturen, die mensen, liefst al voordat ze klaar zijn met school. Je zou ze iedere dag een vezelrijke maaltijd willen toestoppen, zoals het hoort, en zodat de machinerie van hun lichaamscellen zo lang mogelijk ongestoord door kan gaan, zonder onnodige belasting, ook al heeft hun hart nooit werkelijk geklopt, als we hun laster maar niet aan hoeven te horen.