Angst

Misschien komt het door de wind die sneeuw brengt, misschien door de kou die in de botten is gekropen of het is de beklemmende duisternis die zijn wurggreep nu wel verzwakt maar zelf zijn we inmiddels ook futloos, moegestreden. Eind januari is de week van de angst. Je had het weerbericht van New York, je had de Groningse politie die een verwarde man onder schot nam en in Hilversum werd groot alarm geslagen toen een student met amper dons op zijn kin maar bewapend met een namaakgeweer met geluidsdemper het journaal probeerde te halen.

Op mijn poli had ik er ook een aantal, angstgevallen, beduidend meer dan anders. Er was angst voor kanker, angst voor de dood en angst voor de man die nog niets wist van de zwangerschap die door kunstmatige inseminatie was ontstaan en inmiddels al zo ver gevorderd was (en het hartje klopte, zo snel!).

Het lijkt of de hele wereld bang is en er is vast en zeker rede toe, maar een ding weet ik zeker: hier doe ik niet aan mee. Er mogen hele redacties overhoopgeschoten worden, er mogen vliegtuigen van de radar verdwijnen, er mogen verwoestende epidemieën uitbreken, ze mogen elkaar met raketten bestoken, de kelen doorsnijden of ze verkrachten de vrouw en laten het kind, dat alles moet toezien, het bloed van zijn vader drinken, maar de angst zal mij niet vatten.

Begrijp me niet verkeerd, ik ben namelijk geen held. Kort geleden nog stond ik met bevende knieën bovenaan de heuvel. De loipe strekte zich voor me uit, met een mooie, golvende lijn naar beneden en daar, in de verre diepte, draaide die naar links. Het is een lastige bocht waar je met een duizelingwekkende snelheid doorheen raast en je moet diep naar links hangen om je evenwicht te bewaren.

Daar stond ik. Het dal lag doodstil onder mij, als een linnen lijkwade zo wit. De schemering zweeg achter een grauw wolkendek en mensen waren er niet. Een raaf vloog traag door de lucht en verdween achter de witte kolommen van het besneeuwde naaldbos. Ik kwam uit de loipe en ging dwars op het pad staan. Met een voet deed ik een pas opzij, in de richting van het dal. Even later volgde de andere voet. Stap voor stap daalde ik zijwaarts van de helling. Ik begon vaart te maken met de passen, maar het mocht niet baten, bovenaan de heuvel verscheen Esa. Snel haalde ik mijn camera tevoorschijn om te doen alsof ik bezig was om foto’s te maken van de sneeuwhaas die over het pad was geschoten en ik zwaaide naar hem. Hij zwaaide terug.

Na de steilste fase van de helling liet ik me alsnog in de loipe glijden en een paar tellen later gleed ik soepel door de bocht. De angst had plaatsgemaakt voor schaamte. Al was ik de hele dag niet gevallen en had ik er een training van drie uur opzitten toen ik thuiskwam, voldoening gaf het niet. Ik was geestelijk afgemat. Ik kookte een eitje en probeerde me in een boek te verdiepen, maar niets kon die dag meer goedmaken.

De volgende dag deed ik het rondje over. Bovenaan de heuvel was van de angst van de dag tevoren niets overgebleven, slechts de schaamte restte. Ik deed of ik de helling niet zag en liet me door de knieën zakken. Met een zachte ‘g’ gleden de latten door de loipe. Ik vouwde mijn handen voor mijn borst en drukte de stokken langs mijn zij, zodat ze achter me in de lucht staken. Naarmate ik aan snelheid won deed de koude lucht meer pijn aan mijn wangen. De bocht kwam dichter en dichter op me af. Ik dacht aan de sneeuwscooters die ik eerder had gezien, precies in de bocht kruist hun route die van mij, wist ik. Van de loipe zou daar nog maar weinig zijn overgebleven, maar ik had geen tijd om daarbij stil te staan, de bocht naderde als een komeet. Geforceerd helde ik naar links, zo probeerde ik tegenwicht te bieden aan de snelheid en de bocht die me naar rechts trokken. Met mijn rechterbeen drukte ik hard naar buiten tegen de opstaande rand van de loipe en ik verschoof mijn zwaartepunt nog iets verder naar links.

Opeens maakte ik een driedubbele rol. De latten kwamen daarbij in onmogelijke knoop met mijn benen. Ik had een enorme klap gemaakt maar het deed geen zeer. Een man kwam net door de bocht omhoog, hij had me zien vallen. Ik klopte de sneeuw van me af en mompelde een groet. Een kleine honderd meter verderop hield ik even stil om op adem te komen. Ik keek om en zag hoe de man van daarnet halverwege de helling omkeerde en beheerst door de bocht draaide. Meewarig schudde ik het hoofd.

De pijn van de val kwam pas een dag later. Het was pijn van beurse spieren en het was de pijn van roekeloosheid. Gedurende twee dagen kon ik mijn arm nauwelijks heffen, maar het was een pijn die me tevreden stelde, want het is tien maal beter om keihard te vallen dan aan de angst toe te geven en sierlijk door de bocht te glijden.

Schemering op de Kirintövaara
Schemering op de Kirintövaara


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s