De no-nonsense running methode

Dat het lopen van korte tempo’s een essentieel onderdeel was voor de wedstrijdatleet leek voor mij altijd als een paal boven water te staan. Twee, drie keer per week rende ik op de baan of door de heuvels, de duurloopjes tussendoor waren deels bedoeld om van die tempotrainingen te herstellen. Alle trainers waren het er immers over eens, er was geen atleet die ervan afweek. Het was ook tof, natuurlijk, in een groepje over de baan snellen, een beetje bikkelen, daarna een kopje thee in de kantine en als je buiten het zicht van de trainer was zuipen in de kroeg.

Een probleem was dat het op de baantrainingen nooit te hard mocht. Je moest je altijd inhouden om jezelf niet over de kop te lopen. Maakte je er met je maatjes af en toe toch een wedstrijdje van, dan trapte de trainer je in je ballen.

De enige trainers die me echt af lieten zien waren Gerard van Lent en Johan Smet. In de trainingsschema’s van Gerard, die hij je in een excel-sheet toestuurde (altijd te laat, zodat het eens in de vier weken een verassing was wat je te wachten stond als je op de atletiekbaan verscheen) ging het om trainingsomvang (kilometers) en -intensiteit. Met een of andere formule leverde dat een score op die aangaf hoe lui je eigenlijk wel niet was. Met de warming-up liet hij je een uur lang uitsloven met sprintjes en sprongen over het grasveld van de atletiekbaan, zodat je al halfdood was als het loopprogramma begon. Vanwege zijn trainingsprogramma’s overwoog het bestuur van de atletiekvereniging om defibrillators te bestellen, iets wat door Gerard persoonlijk prompt werd afgewezen: als er iemand doodging tijdens de training, dan hoorde hij niet in de groep thuis. Hardlopen was een kwestie van op het randje balanceren.

Johan Smet had de eenvoudige taak er iedere maandagavond op toe te zien dat de atleten braaf het programma afwerkten terwijl Gerard oefende met zijn rockband. Maar Johan met het onverbiddelijke fluitje zou Johan Smet niet zijn als hij dat voorrecht niet benutte om zijn sadistische verlangens ruim baan te geven. De ‘pauzes’ tussen de tempo´s werden opgevuld met opdrukken en andere uitputtende krachtoefeningen. Als ik eindelijk in bed lag schrok ik tot twee uur ‘s nachts regelmatig wakker van krampende spierpijnen.

Dat waren werkelijk prachtige tijden, het hardlopen was geen hobby meer maar een continu afzien en ik zag eigenlijk maar een doel: overleven. Iedere week dat ik nog in leven was, ondanks de trainingen van Gerard en Johan, was een geschenk. Hoewel er momenten waren dat ik zelfs daarover twijfelde: was het niet beter om dood te zijn? Leven was lopen, en lopen was lijden.

Toen Gerard van Lent last kreeg van zijn geweten en besloot de levens van zijn atleten te sparen (hij nam afscheid, we moesten maar een andere trainer kiezen), kwam ik bij Bram Wassenaar, die er een heel andere filosofie op nahield. Hardlopen was voor de meeste wedstrijdatleten een hobby, het moest passen in het bestaan naast werk en gezin. Honderd kilometer per week was de max (bij Gerard kon je daar niet mee komen aanzetten), en het mocht nooit te hard. Het leverde vele persoonlijke records op, maar als ik voor mezelf spreek, moet ik bekennen dat ik nooit deed wat me werd opgedragen: ik liep doorgaans minstens anderhalf keer zo veel kilometers als op het schema stond, een tikkeltje harder dan was toegestaan.

Toen ik naar het Oosten verhuisde, besloot ik heft in eigen handen te nemen. Ik maakte mijn eigen schema’s, naar voorbeeld van Gerard en Bram, maar dan met nadruk op het aantal te lopen kilometers. Zo liep ik in een week eens 240 kilometer, en je raadt het al: het leverde me persoonlijke records op die me voorheen onwaarschijnlijk hadden geleken. Toch was ik een tikkeltje onzeker, en dus zocht ik weer een trainer op: Martin Breedijk. We gingen het doen op zijn Gerard van Lent’s, en we pakten het professioneel aan. Toen raakte ik geblesseerd, iets wat ik niet aan de trainingsschema’s wijt maar aan het totaalplaatje. Op mijn werkplek was ik niet echt gelukkig, mijn leventje niet in balans, ik leefde in continue stress en het feit dat ik een klein beetje een bekende hardloper was geworden en een gulle sponsor had, gaf me het gevoel dat ik voortdurend moest presteren.

De blessure duurde alles bij elkaar anderhalf jaar. Anderhalf jaar waarin ik geen vijfhonderd meter kon wandelen (wel tweehonderd kilometer aan een stuk fietsen!), ik was invalide. Toen ik een half jaar na de operatie eindelijk weer pijnvrij kon wandelen, begon ik ook weer te rennen, maar vanaf dat moment deed ik dat zonder schema’s.

Het hardlopen is nog nooit zo leuk geweest. Toen ik in Turku woonde, de hardloopstad van Finland, trainde ik op de atletiekbaan met maatjes die als gouden regel hadden dat het altijd harder moest. Je begon rustig en eindigde op je max. Tong op de grond. Maar in de tijden dat ik op plekken vertoef waar ik geen trainingsmaatjes heb, doe ik alles op mijn eigen manier. Wat inhoudt dat ik eigenlijk geen echte tempotrainingen meer doe.

Lijdt mijn vorm eronder? Dunkt me van niet. Ik loop ’s ochtends een stukje met mijn vriendin, 4:30 per kilometer, waarbij ik mag vermelden dat dit winterse tijden zijn, temperaturen variërend van +5 tot -35 Celsius, de wegen bedekt met een laag ijs en sneeuw, op schoenen met stalen puntjes in de zolen. In de middag en op vrije dagen loop ik in mijn eentje bijna altijd onder de vier minuten per kilometer. In de zomer gaan de kilometers op de weg zo’n tien seconden sneller, maar dan loop ik het gros van mijn trainingen op de flanken van de heuvel Ounasvaara, met zijn steile klimmen en dalen, de paden onverhard.

Er was een tijd dat ik me had aangesloten bij een groep die volgens de souplessemethode van Herman Verheul. Kerngedachte: de duurloop is slecht.

Onzin, weet ik nu: de duurloop is helemaal niet slecht. Wat slecht is, is dat veel mensen menen dat duurlopen langzaam moeten. Daar hebben ze allerlei theorieën voor, maar wat ik vroeger altijd al zo vreemd vond, toen ik nog braaf twee tot drie keer per week korte tempo´s trainde: dat een langzame duurloop beter is dan een harde duurloop, is volstrekt onlogisch. Het druist in tegen het gezonde verstand. Maar goed, iedereen deed het zo, er was eigenlijk geen discussie over, en dus deed ik het ook maar zo.

Vandaag liep ik bij een temperatuur van -10 een duurloop van 42,2 kilometer binnen de twee uur veertig op een route met zo’n driehonderd hoogtemeters. Aangezien ik gisteren al veertig kilometer had geskied (‘gelanglauft’), besloot ik het rustig aan te doen, waarbij ik een tempo van vier minuten per kilometer in mijn hoofd had, of iets in die buurt. Het draaide echter van het begin al lekker, het tempo zakte tot onder de 3:45 per kilometer en zelfs op de pittige heuvels van de oostkant van de Kemirivier boette ik niets aan tempo in. Na 21,1 kilometer klokte ik (bovenaan een pittige heuvel) 1 uur 19, dus was het doel duidelijk: ik zou er een 42,195 loopje van maken (leve de symboliek) en wilde uitkomen onder de twee uur veertig. En zo geschiedde.

Of dit wil zeggen dat ik in topvorm ben? Nee, maar het zegt me wel dat ik me geen zorgen hoef te maken. Hoewel ik al sinds eind oktober geen tempotrainingen heb gelopen, alleen duurlopen die af en toe ontsporen, doet mijn lichaam gewoon wat ik ervan verlang, al is het om de antiduurlopers de mond te snoeren.

Omdat alles een naam wil hebben, heb ik mijn loopfilosofie inmiddels al gedoopt. De no-nonsense methode. De no-nonsense methode is geen dogmatische leer en kent dan ook geen regels, alleen een paar uitgangspunten.

  • loop op je gevoel maar loop harder dan lekker is
  • loop meer dan je maatjes
  • raak niet geblesseerd

Dat is het looponderdeel. Qua loopscholing is er ook een uitgangspunt:

  • lopen leer je door te lopen (alle andere oefeningen zijn nonsens)

En omdat een moderne trainingsleer niet zonder adviezen met betrekking tot voeding en rust kan, kent de no-nonsense methode ook wat dat betreft enkele uitgangspunten:

  • eet naarmate je honger hebt (en niets is verboden en zeker niet als het vet is of suikers bevat)
  • drink naarmate je dorst hebt (niets is verboden op bietensap na)
  • een kater is geen excuus om een training uit te stellen of over te slaan
  • slaap een keer per etmaal, maar overdrijf niet

En qua doping:

  • doping is voor watjes
  • alle pogingen om de vorm te verbeteren op een andere manier dan door te bikkelen, is doping (dus ook bietensap, steunkousen, hoogtetenten)

Ten slotte voor het gewone leven:

  • lopen mag nooit een excuus zijn om de slapjanus uit te hangen thuis (op de afwas doen na) noch in de kroeg of elders

Dat was het wel zo’n beetje. De uitgangspunten van de no-nonsense methode zijn gratis en voor iedereen toegankelijk, ze zijn ook geheel vrijblijvend. Je zult zien dat het loopplezier alleen maar toeneemt naarmate de nonsens afneemt. Mensen die liever volgens hun oude en welbeproefde nonsensmethode blijven lopen, moeten het zelf maar weten.

No nonsense selfie

1 thought on “De no-nonsense running methode

  1. Er bestaat een kleinburgerlijke term voor datgene wat hier de no nonsense methode wordt genoemd: zelfkastijding.
    Steenkoude witte Finse omstandigheden zijn hiervan het gruwelijke decor.
    De ontwerper hiervan heeft wellicht teveel bietensap weggeslobberd tijdens zijn trainingsperiode onder Gerard van Lent. Ik suggereer een ander verbod: op alcoholgebruik en synthetische suikerconsumptie. aspect van deze eigen ervaringen spreekt mij enorm aan: hij wil niet dood !

    Like

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s