About Thijs Feuth

Dutch medical doctor (respiratory medicine, tropical medicine), living in Finland. Writer of fiction and non-fiction. Books: Zwarte ogen (2015), Achter de rug van God (2017). New novel 'Kafka is dood' will be published in 2020. Marathon PB 2:23. PhD.

Een land van meningen

‘But in all great compounds there must be people of all minds – some good, some bad, some fearless and some cowardly; those who bring in wealth and those who scatter it, those who give good advice and those who only speak the words of palm-wine. That is why we say that whatever tune you play in the compound of a great man there is always  someone to dance to it.’

Chinua Achebe, Arrow of God

In Arrow of God breekt de grote Afrikaanse schrijver Chinua Achebe een lans voor verscheidenheid. Mensen verschillen, meningen verschillen. Je zou kunnen zeggen dat het juist onze verscheidenheid is die ons mensen onderling bindt, een verscheidenheid aan meningen, een diversiteit aan karakters. Zonder die verschillen zouden we identiteitsloos zijn.  

Die verscheidenheid hebben we nodig, in de roman van Achebe om bij ieder deuntje een danser te hebben, en in de werkelijkheid om elkaar te toetsen. Respect voor de ander is een grondbeginsel van de democratie. Iedereen verdient het gehoord worden, luisteren is onze plicht. De Keniaanse Nobelprijswinnares Wangari Maathai vergelijkt de democratie met de drie poten van de traditionele Afrikaanse kruk. De eerste poot staat voor de democratische ruimte, het handhaven van de mensenrechten, de tweede poot staat voor duurzaam en verantwoordelijk beheer van natuurlijke bronnen en de derde poot voor vreedzaamheid, waar respect onderdeel van uitmaakt.

Ik werk momenteel in Malawi, een land dat ondanks de armoede en corruptie, ondanks dagelijks overbodige sterfgevallen in het ziekenhuis, vreedzaam is. Het is bevreemdend om berichten uit mijn vaderland te lezen, uit Nederland, dat ondanks de extreme welvaart wel in burgeroorlog lijkt, met troepen columnisten en opiniemakers tot hun knieën vastgezogen in een moeras van nijd.

Waren populisme en haatcampagnes tot voor kort hoofdzakelijk een rechtse aangelegenheid, inmiddels doet links onbeschroomd mee. Een lasterlijk artikel in de Volkskrant, van Hassan Bahara en Karolien Knols, waarin enkele rechtsgeoriënteerde opiniemaaksters zoals Eva Vlaardingerbroek met de grond worden gelijkgemaakt op basis van het feit dat het jonge vrouwen zijn, schoot vanochtend bij mij in het verkeerde keelgat. Erger nog waren de reacties erop. Volkskrantjournalist Margriet Oostveen heeft het op Twitter over ‘dienstmaagden van radicaal rechts’ en Roos Schippers, zelfbenoemd feminist, heeft het over ‘huppelkut Vlaar’. Nou is Vlaardingerbroek niet per se iemand die ik hoog heb zitten, maar dat doet er niet toe. Alle mensen verdienen respect.

Het is hoog tijd om onszelf een halt toe te roepen. Samenleven is ruimte geven aan de ander, aan mensen met een andere afkomst, maar ook aan mensen met een andere kijk op het leven en op de maatschappij. Discussies en kritiek zijn waardevol, maar we moeten ons realiseren hoe belangrijk fatsoensnormen zijn. Juist als het om je tegenstanders gaat. Val elkaar op inhoud aan, niet op wie we zijn. Laat mensen in hun waarde, vooral als je het niet met ze eens bent. Because in all great compounds there must be people of all minds, so that  whatever tune you play, there is always  someone to dance to it.

She has to get better

She’s been here for some time. Hilda is twenty-five years old and she was admitted to the hospital with a strange neurological disorder. She had a fever, was confused, and couldn’t move properly. It turned out to be caused by a fungal brain infection, Cryptococcus neoformans, a complication of HIV. She is also infected with tuberculosis, and that’s why she’s in my tuberculosis department.

The fever has now gone, she can move her arms again, but Hilda doesn’t yet have strength in her legs. Only in her toes, yes, she can move them a little when trying hard. I am cautiously positive, the power in her limbs may return little by little – Pang’ono pang’ono – if she practices a lot. But probably she will always remain weak, her hearing may never fully improve, and her sight may remain limited.

Hilda’s husband has left her and her mother died years ago. It’s her aunt who takes care of her while Hilda is in the hospital, because patients depend on their loved ones for nursing – nurses are only involved in strictly medical care. And as long as Hilda isn’t able to take care of her two children at home, her grandmother, the great grandmother of her children, does.

Hilda’s aunt’s support is unconditional, and when I mention that, her aunt bursts into tears. ‘The rest of the family just have to help themselves for a while,’ she says. ‘Hilda has always been there for everyone. She was my support and refuge when my sister – her mother – died, and she always managed to find some money when we were in need. Hilda has to get better, that’s all that matters now.’

‘Tuberculosis is a disease of the poor,’ I explain to the students a little later. ‘Of course you and I can also get infected, but it’s against the odds. You will see that most people here were struggling to survive even before getting ill. The disease often has a catastrophic impact, not only on the patient himself, but also on his or her family.’ I warn my students that we may relate differently to the poorest people, our empathy might be at stake, simply because we cannot imagine their misfortune ever to happen to us. We sometimes unconsciously divide people into ‘them’ and ‘us’, and we should beware of doing so. It’s important to realize that we all feel the same pain and sadness, even though some of us are dressed in dirty duds.’

After interviewing four patients, we discuss what they told us. The students are upset. Themselves being from the city, the students now get to know a completely different side of their country, during the few weeks in the district hospital of Mangochi. In the Malawi countryside, people are fishermen or farmers, they depend on the bits that mother Nature provides them with. ‘We’ve learned about tuberculosis from books,’ says Hilary. ‘That was about the bacillus, about a weakened immune system and about a chronic cough. But this… Now I understand that it is much bigger. The impact of the disease, and how much the people around them suffer too.’

I nod. The stories that we heard today were all shocking. Omar, for example, was a breadwinner. His wife takes care of him during the stay in the hospital. The six children, between five and sixteen, are at home. With no one to take care of them. ‘At least, we believe that they’re at home,’ adds Omar’s wife. Now that the rainy season starts, the eldest will hopefully be planting maize, without knowing if his parents will return, and when. On the bed opposite of Omar is Rachid, a young men who’s married to two women. He would have to support two families, but presently he cannot even stand up because of the Kaposi sarcoma in his groins. And I was able to fill several buckets with the orange fluid that had accumulated around his lungs.

‘Such conversations with patients are essential,’ I tell the students. ‘Not only do we, doctors, learn how we can better align healthcare with patient needs, but we also learn a lot about ourselves and the world.’

I watch the students as they leave the building. Many tuberculosis patients will not make it, I ponder. They tend to seek care too late, only when they are standing with one foot in their grave, simply because they can’t afford to be sick. They die not because there are no effective medicines, but because prosperity is unfairly distributed. I don’t know how effective it is what I do out here. I do sometimes have my doubts about it. But if the medicines don’t work, when another patient succumbs to a high fever, I am still there to register it, to testify of an injustice for which the world is apparently not too small.

Voetbal is geld

Het veld is meer zand dan gras en boven de menigte danst een stuk blauw plastic op de wind. Na tweeëntachtig minuten eindigt de wedstrijd bij één-één stand in een vechtpartij. De gele shirts belagen de scheidsrechter, en volgens de regels van de bond gaan zij dan ook als verliezers te boek. Suwendy, trainer van de rode broeken, pakt de bal en maakt zijn punt: ‘Basta! Als er gevochten wordt, kappen we er gewoon mee. Het is trouwens míjn bal.’

Voetbal is oorlog, maar voetbal is ook feest. Bij een doelpunt bestormen ze het veld, de kinderen voorop, dan de mannen en de vrouwen. Er wordt gezongen en er wordt gedanst. Maar als het spel weer wordt hervat, moet iedereen buiten de imaginaire lijnen van het veld staan. Wie dat niet doet, loopt het risico van een klap met de stok. Telkens als de lijnbewaker eraan komt rennen, deint het publiek achteruit. Qua entertainment zou een wedstrijd als deze een kaskraker zijn.

‘Twintigduizend kwacha,’ roept Victoria verontwaardigd uit als ze hoort wat de inzet van de wedstrijd is. Twintigduizend kwacha is zo’n vijfentwintig euro. Deel dat maar eens door elf plus drie wisselspelers. ‘Het is een schande dat er voor zo weinig geld wordt gespeeld,’ zegt ze. ‘Tweehonderdduizend zou redelijk zijn. Maar ja, er is honger. De winkelier op de hoek die het prijzengeld heeft uitgeloofd, moet ook de eindjes aan elkaar knopen. En ja, alle beetjes helpen, voor de mensen. Dus voetballen ze nu voor twintigduizend.’

We zitten bij een collega in de tuin, aan de oever van het meer, in een koepel van kunstmatig licht. Annet bakt de pizza’s. Tegenover mij zit Victoria, een grote vrouw die klein begonnen is. Met behulp van een microkrediet startte ze als onderneemster en inmiddels is ze ook parlementslid. ‘Maar de gewone mensen begrijpen niet wat mijn rol is,’ zegt ze. ‘Ze vragen me geld omdat ze denken dat ik er ben om hen op die manier te ondersteunen.’

Wat haar rol dan wel is? ‘De belangrijkste taak van de overheid is het bestrijden van de honger,’ zegt Victoria. ‘De cycloon Idai heeft er behoorlijk in gehakt, eerder dit jaar.’ Dat is tekenend, denk ik bij mezelf. Een welvarend land houdt zich met de problemen van vandaag bezig, of zelfs met die van morgen. Een arm land kan alleen maar zorg dragen voor de problemen van gisteren. Zaken worden pas noodzaken wanneer het te laat is.

Victoria legt me uit hoe de prijs voor rijst en mais in elkaar steekt, gesubsidieerd door de internationale noodhulp, en we praten over wat voetbal voor de mensen kan betekenen. Om het voetbalveld moet een muur worden gebouwd, want daarmee creëer je inkomsten. Ik spreek mijn twijfels uit, het dorpsteam is tenslotte geen Manchester United. Geef je het team een muur, dan neem je een deel van het publiek zijn voetbal af. ‘Sport hoort van alle mensen te zijn,’ zeg ik. Maar ik heb het mis, want voetbal is geld.

Hilda moet beter worden

Ze ligt er al een hele tijd. Hilda is vijfentwintig en is opgenomen met een vreemd neurologisch ziektebeeld. Ze had koorts, was verward en kon zich niet goed bewegen. Het bleek om een schimmelinfectie van de hersenen te gaan, Cryptococcus neoformans, en dat was weer het gevolg van HIV-infectie. Bovendien is ze ook nog eens met tuberculose besmet, en dat is de reden dat ze op mijn tuberculose-afdeling ligt.

De koorts is over, ze kan haar armen weer bewegen, maar in haar benen heeft Hilda die kracht nog niet. Alleen in haar tenen dan, met uiterste inspanning kan ze die bewegen. Ik ben voorzichtig positief: als ze veel oefent, dan komt de kracht misschien beetje bij beetje terug. Pang’ono pang’ono. Maar het is goed mogelijk dat ze altijd zwak zal blijven, dat ze hardhorend zal blijven, en dat ze nooit meer scherp zal zien.

Hilda’s man is er met een ander vandoor gegaan en haar moeder is al jaren geleden overleden. Het is haar tante die voor haar zorgt zolang Hilda in het ziekenhuis ligt, want voor verzorging zijn patiënten op hun naasten aangewezen – verpleegkundigen houden zich alleen bezig met strikt medische zaken. Zolang Hilda niet thuis voor haar twee kinderen kan zorgen, doet haar oma dat, de overgrootmoeder van haar kinderen.

De steun van Hilda’s tante is onvoorwaardelijk, en als ik dat uitspreek, barst die tante in tranen uit. ‘De rest van de familie moet zich maar even zien te redden,’ zegt ze. ‘Hilda heeft altijd voor iedereen klaar gestaan.  Ze was mijn steun en toeverlaat toen mijn zus – haar moeder – stierf, en ze wist altijd wel geld bij elkaar te sprokkelen als er problemen waren. Hilda moet beter worden, dat is nu het enige wat telt.’

‘Tuberculose is een armoedeziekte,’ leg ik de studenten even later uit. ‘Natuurlijk kunnen jij en ik ook geïnfecteerd raken, maar voor ons is die kans veel kleiner. Je zult zien dat de meeste mensen hier ook al zonder de ziekte moeite hadden te overleven, en dat de ziekte vaak een catastrofale impact heeft, niet alleen op de patiënt zelf, maar ook op zijn of haar familie.’ Ik waarschuw ervoor dat we ons het lot van arme mensen soms minder aan trekken, omdat we ons niet kunnen voorstellen dat hun ongeluk ook ons zou kunnen overkomen. ‘Onbewust delen we mensen soms in in ‘zij’ en ‘wij’, en daar moet je voor waken. Het is van belang om je te realiseren dat we allemaal dezelfde pijn voelen, hetzelfde verdriet, ook al gaan sommigen van ons slechts in vodden gekleed.’

As we vier patiënten uitgebreid geïnterviewd hebben, bespreken we na. De studenten zijn ervan ondersteboven. Zelf uit de grote stad, maken de studenten tijdens de paar weken in het districtsziekenhuis van Mangochi kennis met een totaal andere kant van hun land. Hier op het platteland van Malawi zijn de mensen vissers of boeren, aangewezen op de beetjes die moeder natuur ze toestopt. ‘We leerden over tuberculose uit boeken,’ zegt Hilary. ‘Dat ging over de bacil, over een verzwakt immuunsysteem en over een chronische hoest. Maar dit… Nu begrijp ik dat het veel groter is. De impact van de ziekte, hoe heel de omgeving eronder lijdt.’

Ik knik. De verhalen die we vandaag hoorden zijn stuk voor stuk schokkend. Omar, bijvoorbeeld, was kostwinner. Zijn vrouw verzorgt hem tijdens het verblijf in het ziekenhuis. De zes kinderen, tussen de vijf en de zestien, zijn thuis. ‘Als het goed is,’ voegt Omars vrouw eraan toe. Nu het regenseizoen begint, vangt de oudste hopelijk aan met het planten van de mais, zonder te weten of zijn ouders terugkeren, en wanneer. Tegenover hem op de zaal ligt Rachid, die met twee vrouwen getrouwd is. Hij zou twee families moeten onderhouden maar door zijn Kaposisarcoom kan hij niet eens meer overeind komen. Ik vulde emmers met het oranje vocht dat tussen zijn longvliezen was opgehoopt.

‘Zulke gesprekken met patiënten zijn van essentieel belang,’ geef ik de studenten mee. ‘Niet alleen leren wij, dokters, hoe we de zorg beter kunnen laten aansluiten op de behoeften van de patiënt, maar we leren ook veel over onszelf en over de wereld.’Als de studenten naar buiten gaan, kijk ik ze na. Veel tuberculosepatiënten zullen het niet redden. Ze zoeken te laat hulp, pas als ze met een been in het graf staan, simpelweg omdat ze zich het ziek zijn niet kunnen veroorloven. Ze gaan niet dood omdat er geen werkzame medicijnen zijn, maar omdat de welvaart oneerlijk verdeeld is. Hoe effectief het is wat ik doe, weet ik niet. Ik heb daar wel eens mijn twijfels over. Maar als de medicijnen niet aanslaan, als weer een patiënt onder hoge koorts bezwijkt, ben ik er nog om dat te registreren, om te getuigen van een onrecht waar de wereld kennelijk niet te klein voor is.

Aan de loper in u,

Het stond deze week in de krant. Een uurtje per week zou al genoeg zijn. Het deed er niet toe hoe veel je hardliep, áls je maar hardliep. Dat hadden ze uit een nieuw artikel van de British Medical Journal. Een uurtje, laat me niet lachen. Volstrekte onzin natuurlijk. Hetzelfde tijdschrift publiceerde in augustus nog een Noorse studie die het tegendeel bewees. Meer fysieke activiteit ging toen nog gepaard met een betere levensverwachting. En, belangrijker nog: hoe meer tijd je sedentair doorbracht, hoe eerder je doodging. God was toen nog een hardloper, en luie mensen gingen naar de hel. En God was streng: hoe luier je was, des te sneller moest je inpakken. Het was een van de weinige rechtvaardigheden waar je de wereld op kon betrappen. Waarom zou daar nu ineens verandering in zijn gekomen?

Toch schieten beide studies flink tekort. Wat de onderzoekers ‘goed’ noemen, of ‘gezond’, is niets meer of minder dan het uitstellen van de dood. Logisch, denk je in eerste instantie, want wie wil er nu dood? Hoe langer we leven, des te groter de kans dat we eruit halen wat erin zit. Levensduur is bovendien het hardste ijkpunt in medische en gezondheidswetenschappelijke studies.

Maar we moeten ons niet blind staren op die levensverwachting. We realiseren ons te weinig dat levensduur slechts de X-as van het leven is. En op de Y-as staat de beleving. Hoe meer we beleven, hoe groter de area under the curve. En het is die vlakte, die je zou kunnen arceren, die er werkelijk toe doet: het gebied onder de curve van de beleving, uitgezet over de tijd.

Beleving is niet te objectiveren, en mede daardoor hebben onderzoekers geen idee van wat ‘goed’ voor ons is. Ze staren zich blind op de X-as, en het lijkt er wel eens op dat we bereid zijn behoorlijk in te boeten op de Y-schaal, die van de beleving, om de X-as ook maar een millimeter te rekken.

Nou wil ik niet beweren dat ik een formule heb gevonden waarmee we de score op de Y-as betrouwbaar kunnen vastleggen, maar ik denk wel dat er wat vuistregels zijn om de score op de Y-as te maximaliseren. Leven met lef, bijvoorbeeld, niet voor genoegzame opties kiezen, maar voor keuzes gaan die ons in spanning laten. Word verliefd, gooi je leven overhoop, elke dag opnieuw. Hoe minder zeker je bent van de dag van morgen, hoe meer die belevingscurve in beweging gaat.

Voor hardlopers is er daarnaast een bruikbare surrogaatwaarde die aangeeft hoe we op de Y-as staan. Hoe meer je loopt, en hoe harder, des te beter je scoort. De hardloper weet dat een niet gelopen kilometer betekent dat je een kilometer niet hebt geleefd. Een keer per week een uurtje joggen, wat volgens het nieuwe onderzoek efficiënt zouden zijn, is niet meer dan een waakvlam: genoeg om de illusie te houden dat je het lichaam nieuw leven kunt inblazen, maar te weinig om van een volwaardig leven te spreken.

Niet-lopers kunnen zich hier misschien moeilijk een voorstelling bij maken. Ze leven in de waan dat het bestaan zonder loopkundige verheffing de moeite waard kan zijn. Hier zit hem de crux: als het op het leven aankomt, luisteren we te vaak naar mensen die geen idee hebben wat lopen is, laat staan wat het leven is. Dat zijn de X-fanaten, de mensen die een zuinig leven bepleiten in de hoop dat de X-as hen gunstig gezind is, en vergeten te nemen wat dat leven hen aan mogelijkheden biedt. Ze zuchten en steunen als de lift het niet doet en ze raken in paniek als ze eens zijn aangewezen op de benenwagen.

Ze kennen het genot niet van melkzuur in de kuiten, van de koude wind die zich tegen je keert en de heuvel die telkens maar hoger blijkt, de weg langer. Je zou ze met pensioen willen sturen, die mensen, liefst al voordat ze klaar zijn met school. Je zou ze iedere dag een vezelrijke maaltijd willen toestoppen, zoals het hoort, en zodat de machinerie van hun lichaamscellen zo lang mogelijk ongestoord door kan gaan, zonder onnodige belasting, ook al heeft hun hart nooit werkelijk geklopt, als we hun laster maar niet aan hoeven te horen.

Köyhyys on sairaus

On maanantaiaamu Mangochin aluesairaalassa, Malawissa. Ennen varsinaista lääkärinkiertoa, kävelen osastolla arvioimassa, onko joku vakavasti sairaana. Tuberkuloosiosaston toisen pään nurkassa on Amidu, 25-vuotias kahden tytön isä. Kaksi kuukautta sitten hänellä todettiin HIV. Tai oikeastaan hän sairastaa aidsia, HIV-infektion etenevää vaihetta, jossa immuunijärjestelmä on halvaantunut. HIV-lääkkeet aloitettiin välittömästi.

Lääkkeistä huolimatta hänen kuntonsa heikennee. Kun näen hänet, huomaan heti miten nälkiintynyt hän on. Hengitys on nopeaa ja syvää, hänellä on kuumetta ja kasvot ovat kalpeat. Kaulassa on suurentuneita imusolmukkeita, jotka saattavat viitata tuberkuloosiin. Erittäin alhainen punasolumäärä voi olla myös tuberkuloosin seurausta. HIV ei ainoastaan ​​altista tuberkuloosille, vaan HIV-hoidon ensimmäisinä kuukausina vahvistuva immuunijärjestelmä voi myös aiheuttaa vakavia ongelmia. Tuberkuloosi on kyennyt jylläämään kehossa pitkään kohtaamatta immuunisoluja, mutta kun immuunisolujen määrä lisääntyy HIV-hoidon myötä, syttyy yhtäkkiä sota. Sota on nimeltään elpyvän immuniteetin tulehdusoireyhtymä (IRIS).

Amidu raihnastuu selkeästi viikon aikana. Hänen munuaisensa ovat melkein loppuun palaneet ​​ja hänen saamansa verisolut tuhoutuvat hänen ruumiissaan. Perjantaina hän ei enää pysty nousemaan ylös sängystä, kun haluan kuunnella hänen keuhkojaan. Iltapäivän lopulla käyn vielä kerran katsomassa häntä. Otsa kiiltelee hiestä. Pelko näkyy syvällä hänen silmissään. Hän tasapainoilee reunalla. Lääkärinä tunnen voimattomuutta, kuin seisoisin armeijan edessä paljain nyrkein. Miten minun pitäisi vapauttaa Amidu? Lauantaiaamuna, kun makaan itse kuumeisena sängyssä, päivystävä lääkäri lähettää Whatsapp-viestin. Amidu on kuollut.

Monipäinen hirviö

HIV, aliravitsemus, tuberkuloosi, IRIS, munuaisten vajaatoiminta, anemia… Amidun kohtaloa voi kuvailla monin lääketieteellisin termein. Mutta en anna huijata itseäni. Amidu kuoli köyhyyteen. Jos hän olisi asunut jossain länsimaassa, sekä tuberkuloosin että HIV-tartunnan riski olisi ollut vähäinen. Ja vaikka hän sairastuisikin näihin sairauksiin, Amidu olisi todennäköisesti pelastunut, jos hänellä olisi ollut mahdollisuus hyvään terveydenhoitoon.

Amidu ei ole ainoa. Sairaalassamme ihmiset kuolevat päivittäin tarpeettomasti ja aivan liian nuorina köyhyyteen liittyviin sairauksiin. Mieti esimerkiksi malariaa, aliravitsemusta ja ongelmallisia ​​raskauksia. Kaikkien näiden sairauksien nimeäminen on harhaanjohtavaa, koska kaikkien näiden taustalla vaikuttaa vain yksi ongelma. Köyhyys on monipäinen hirviö.

Köyhyys tappaa myös länsimaissa. USA:ssa köyhimmät ihmiset kuolevat yli kymmenen vuotta aikaisemmin kuin rikkaimmat. THL:n mukaan Suomessakin rikkaiden ja köyhien väliset terveyserot ovat viimeisinä vuosina kasvaneet. Hyvätuloisen nuoren aikuisen miehen elinajanodote on yli kymmenen vuotta pienituloista korkeampi. Köyhyys on sairaus ja terveys on rikkaus.

Kaikesta puutetta

Sairaalassamme ei pystytä tekemään useita ​​olennaisia ​​laboratoriokokeita, ja tulokset vievät päiviä. Amidun keuhkokuva viivästyi sähkökatkoksen vuoksi. Jos hän olisi ollut Suomessa sairaalassa, viipalekuvaus olisi ollut aiheellinen. Ehkä olisimme löytäneet infektion aiheuttajan ja voineet hoitaa sitä suunnatusti. Hänen ennusteensa olisi ollut huomattavasti parempi intensiivihoidossa.

Lääkäreitä on vähän. Länsimaissa lääkäreille varattu työ toteutetaan Malawissa suurelta osin clinical officer:n toimesta. He ovat suorittaneet kolmivuotiset opinnot. He tekevät toimenpiteitä ja jopa leikkauksia ja hoitavat potilaita, jotka olisivat tarpeeksi monimutkaisia ​​aiheuttamaan länsimaiselle professorille päänsärkyä, ja he tekevät niin hyvin rajallisilla resursseilla. Oireet ja epäilyt ohjaavat hoitoa useammin kuin varmistetut diagnoosit.

Amidun jätti jälkeensä murtuneen perheen. Hänen vaimonsa joutuu palaamaan takaisin omien vanhempiensa elätettäväksi, ja lasten mahdollisuus jatkaa kouluaan on pieni. Tuberkuloosi on sairaus, joka vaikuttaa erityisesti köyhimpiin ihmisiin ja tekee heidän köyhyytensä entistä sietämättömämmäksi. Tyypillinen tuberkuloosipotilas on ollut sairaana kuukausia ennen sairaalaan tuloa. Se, joka laiminlyö peltonsa, menettää satonsa. Lääketieteen näkökulmasta ollaan liian myöhässä, kun potilas vihdoin saapuu sairaalaan.

Viime vuosina on alettu ymmärtää yhä enemmän taloudellisen vaurauden itsensä vahvistavaa mekanismia. Taloudellinen eriarvoisuus johtaa eriarvoisiin mahdollisuuksiin. Heillä, jotka ovat syntyneet köyhyyteen, on vähän mahdollisuuksia kasvaa sosioekonomisesti. Tämä ei koske ainoastaan ​​henkilöitä vaan myös maita. Useimmat Afrikan maat ovat tuskin päässeet eroon siirtomaahistoriastansa. Hajotettu mantere on saanut kuuman version kylmästä sodasta, ja sen jälkeen HIV-epidemia on vaikuttanut suhteettomasti. Ei ole ihme, että köyhyys pitää Afrikan edelleen otteessaan.

De stervende

Als ik op zijn kamer kom, bazelt hij maar wat voor zich uit. Ik kijk de verpleegkundige aan, kan zij er wat van maken? Nee, zegt de blik op haar gezicht, hij raaskalt, hij serveert ons een vreemde woordensoep. Ze loopt de kamer uit om koffie voor hem te halen, want dat had zijn zoon opgemerkt: zodra hij koffie proeft, klaart hij op.

Ondertussen leg ik hem opnieuw uit waar hij is, en waarom. Hij heeft kanker. Een kwaadaardig gezwel sluit de luchtweg af, zijn rechterlong doet niet meer mee. Hij grijpt zich vast aan de boei van mijn woorden. Door het koord voorzichtig naar binnen te halen, red ik hem uit de zee van onzin waarop hij ronddobbert.

Hij droogt zich af en komt naast me op het voordek staan. Slurpend aan zijn koffie wijst hij in de verte.

Ik knik. ‘Daar houdt de wereld op,’ antwoord ik op de vraag die hij niet stelt, ‘daar eindigt het bestaan.’

‘Ik weet het,’ zegt hij. ‘Ik voel het in mijn borst en buik. Mijn hele lichaam schreeuwt het uit. De zwaarte drukt op me, ik voel de beklemming, en adem luchtledigheid. Het komt dichterbij hè, met de dag, het uur… We varen er met een rotvaart op af.’

Hij kijkt me aan, haastig ademend. De rimpels liggen dieper in zijn gezicht dan gisteren en zijn ogen zijn kleiner geworden, als uitgebrande kooltjes. ‘Jij bent de kapitein, je kunt me niet laten gaan.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘het is jouw schip. Ik ben hoogstens een stuurman aan wal.’

‘Je hebt al veel schepen die kant opgestuurd.’

‘Het waren onbestuurbare schepen,’ werp ik tegen, ‘net als die van jou. Vaak zinken ze al voordat ze de afgrond bereiken. Want dat onderscheidt ons van de Goden, schreef een Duitse dichter: dat vele golven voor hen al vervloeiden, een eeuwige stroom: ons heft de golf op, de golf verslindt ons, en wij gaan onder.’

‘Ik niet,’ zegt hij met zijn laatste restje trots. ‘De zwaarte klotst tegen mijn lichaam, ik voel dat de zee mijn gedachten probeert mee te trekken de diepte in, maar ik geef me niet gewonnen. Ik wil niet zinken, ik wil de boel besturen, tot de laatste mijl.

‘Het kan de ziekte zijn,’ leg ik hem uit, ‘maar ook de medicatie. Ze brengen je in de war, maar dat maakt niet uit. Het belangrijkste is dat je vrouw en kinderen aan je zijde weet.’

Het is onvoorstelbaar dat hij tot voor kort nog kon doen alsof er niets aan de hand was. Een heel eind in de zeventig maar trotse eigenaar van een bedrijf in de scheepsbouw. Daar heeft zijn zoon me uitgebreid over verteld. Het laatste schip waar hij aan werkte, vaart binnenkort uit naar de Noordpool. Tussen neus en lippen kon ik hem achteraf vertellen over de trots van zijn kinderen, alsof hij daar zelf geen weet van had. Van het ene op het andere moment was hij ziek geworden. Twee weken geleden kreeg hij de diagnose te horen, en nu ligt hij al op sterven.

‘Ik heb een sterke wil. Een onhoudbare levensdrang. Maar natuurlijk, ik begrijp het best. De medicijnen slaan niet aan. Dat ligt niet aan de medicijnen natuurlijk, maar aan de ziekte, die ze niet voor niets kanker noemen.’ Hij sluit zijn ogen en vouwt zijn handen samen onder zijn achterhoofd. ‘Ik vind het moeilijk om het op te geven,’ zegt hij dan, ‘ik wil nog zo graag.’

Ik zeg niets. Hoe bereid je iemand voor op de dood? En moet je dat wel willen? Ik geloof niet dat er een handleiding voor is, en dat is maar goed ook. Iedereen heeft zijn eigen behoeften. De een verkiest de dood met open vizier, de ander overlijdt liever in zijn slaap.

Als een patiënt op sterven ligt, gaat het over de grote vragen. Ze houden me bezig, ik neem ze mee, de vragen die door de dood van God hun antwoorden verloren. Telkens loop ik vast in mijn gedachten, terwijl je aanvoelt dat het antwoord zo voor de hand moet liggen. Het is een strikvraag, besluit ik dan. De dood is een non-existentie, dus kun je er ook nooit iets zinnigs over zeggen. We moeten het dus niet over de dood hebben, maar over het leven. En misschien is het met het leven wel net zoals met de wereld: een horizon die zich steeds maar verplaatst, een ronding die onwaarneembaar is, maar er voor zorgt dat er nooit een eind aan komt.

Ik geloof niet dat de levensdrang van mijn stervende patiënt kwaad kan, denk ik als ik zijn kamer verlaat. Levensdrang is iets anders dan angst om te sterven. Gezien de snelheid waarmee de ziekte hem overvalt, is het bovendien ook niet verwonderlijk dat hij er nog niet klaar voor is. En wie zegt dát je ooit klaar moet zijn voor de dood? Berusting is toch iets heel anders? Misschien zijn we wel nooit klaar om te sterven, misschien is dat een zegen.

Het is niet zo dat we het leven alleen leiden. Steeds meer kom ik tot de overtuiging dat wat we het leven noemen, de geest, minder persoonsgebonden is dan we wel eens aannemen. Onze geest is onze verhouding met de anderen, familie en vrienden, mensen met wie je een band aangaat. Het leven hangt dus als het ware tussen ons in. We beleven elkaar. Want kun je wel van leven spreken als je niet samenleeft? Leven is het zien en het horen, leven is het gesprek en ons verhaal. En, zoals Laura Broekhuysen naar haar dochter fluistert: ‘een verhaal kan toch niet dood?’


Deze column verscheen op Joop.nl