About Thijs Feuth

Dutch pulmonologist in Finland. Writer of fiction and non-fiction. Books: Zwarte ogen (2015), Achter de rug van God (2017) and 'Kafka is dood' (2020). Marathon PB 2:23. PhD, DTMH.

De ingebeelde ik

Ergens op de rand van de wereld die begrensd wordt door de mist boven de sneeuw trippelt een vos door het veld. Zonder op of om te kijken steekt hij de weg over en verdwijnt in het bosrandje dat even verderop oplost in het witte niets. De wereld van de vos ligt altijd voor hem, een vleugje levend dit of dat, iets wat hem hongerig maakt en hem in beweging brengt. Anders dan de mens heeft de vos totaal geen interesse in zichzelf of in dat wat achter hem ligt.

Voor Elias, zo’n anderhalf jaar oud, lag de wereld ook altijd buiten hemzelf. Lachen deed hij omdat de wereld lachte en als hij huilde, deed hij dat niet omdat hij ergens over inzat, maar omdat hij iets verlangde dat hij op geen andere manier kon bemachtigen. In de spiegel zag hij een kind dat hetzelfde deed als hij, een boezemvriend, maar hoe dat spiegelbeeld zich gedroeg was even bevreemdend als dat het begrijpelijk was. Maar nu heeft hij zichzelf ontdekt, glunderde Eeva vanochtend. Om het te demonstreren had ze het fotoboek uit de kast gepakt. Zijn gebrabbel was als altijd: mamma, pappa, pappa, mamma. Toen hij zichzelf op een foto ontdekte, deed hij echter iets wat hij nog nooit eerder had gedaan: hij prikte de wijsvinger op zijn borst.

Buiten, hardlopend door het witte landschap, voel ik me gemakkelijker thuis dan in de binnenwereld van de mens. Zodra ik de rivier ben overgestoken en het pad zich wegdraait van de medemens is het alsof de kunstmatig opgeworpen dijken breken en het water van de gedachtestroom eindelijk vrij zijn weg kan vinden. Ik denk weleens dat die vrijheid van het buitenzijn het schrijven van fictie ten goede komt, maar inmiddels weet ik wel beter. Dat waarvan ik dacht dat het fictie was, is realiteit, en andersom. Als er iets fictief is, dan is dat het narratief van de beschaving. We geloven in een wereld van beton en roestvrij staal, een wereld die gedragen wordt door robuuste fundamenten. We geloven in natuurwetten en in getallen, we geloven in de moraal, in een geschiedenis die vastligt en een toekomst die open is. We geloven in een wereld die we zelf hebben ingericht. We geloven in onszelf, en onze kleine Elias heeft die wereld zojuist betreden.

Als ik hardloop, als ik met de buitenwereld alleen ben en de kou voel, dieren zie die met alles bezig zijn behalve zichzelf, begrijp ik dat alleen die wereld tastbaar is. Als de vos geen prooi vindt, verzwakt hij en gaat hij dood. Als het dier geen vrouwtje vindt om mee te paren, sterft de soort uit. En hoewel die dieren veel meer dan wij bezig zijn te overleven, beseffen ze niet wie of wat ze zijn. De vos bestaat niet eens voor zichzelf. En verdorie, met een schok besef ik dat hij daar gelijk in heeft. Ineens krijg ik een verschrikkelijke haast naar huis, alsof ik Elias nog kan waarschuwen.

Het is te laat. Voortaan is het voor hem ondenkbaar dat hij niet bestaat. Hij is ongeneeslijk ziek, de vinger op de borst is een onmiskenbaar symptoom. Hij kan niet meer anders dan geloven in dat gevaarlijke drogbeeld van de ik. De vos heeft gelijk: alleen de ander bestaat. De ik is een verleidelijk verzinsel want als ik voor jou besta en jij voor mij, dan moet ik ook voor mezelf bestaan. Het lijkt een eenvoudige optelsom die ons eigen bestaan onweerlegbaar vaststelt, maar in feite is het dialectiek die ons op een dwaalspoor zet. Ons zelfbewustzijn is ons zelfbedrog. In werkelijkheid bestaan we alleen voor de vos die ons ruikt en voor de minnaar en zijn of haar gestreelde zinnen.

Wie in zichzelf gelooft, gelooft in een wereld die anders is dan de wereld van de ander omdat onze belevingswerelden nooit volledig identiek kunnen zijn. Onze zogenaamd realistische wereld, de maatschappij met zijn mores en sores, is dus een verzinsel. We geloven in het narratief van de beschaving omdat het ons geborgenheid verleent. Alleen als we op onszelf worden teruggeworpen, in een mistige, sneeuwwitte buitenwereld, of als we ons geconfronteerd zien met pijn, ziekte of kou, vangen we een glimp op van de werkelijkheid waarin alleen de ander bestaat en wij zelf hoogstens betekenis hebben in de beleving van de ander.

Uitgelekte persconferentie van Rutte, 2029

Een jaar geleden, wat zeg ik, een maand geleden, dachten we dat het niet meer nodig zou zijn om opnieuw een persconferentie te houden. Helaas heeft de opkomst van een nieuwe virusvariant roet in het eten gegooid.

Het is inmiddels tien jaar geleden dat we met onze naasten een zorgeloze kerst hebben gevierd. In 2025 was het dichtbij toen we dachten dat we, naast het halfjaarlijkse vaccinatieprogramma, met het uitroeien van huisdieren de mogelijkheid van nieuwe varianten tot het minimum hadden beperkt. Op het laatste moment bleek toen echter dat ouderen met verzwakte afweer een kweekvijver vormden voor de omega-twee-kapda variant, die als het ware niet alleen de oude maar toch al zeer hardnekkige omega-twee-variant in een nieuw jasje was, maar ook het geluid van een brulaap nabootste, waardoor het immuunsysteem in de lach schoot in plaats van zich weerbaar op te stellen.

De lockdown van 2026-2027, waarbij voor het eerst grootschalige euthanasie werd toegepast, op iedereen van voor 1967, bleek al in oktober dat jaar onvoldoende succes te sorteren en zelfs de gentherapie waarmee de ACE-receptor, zeg maar het kattenluikje waar het virus tot dan toe gebruik van maakte, met een lichaamsvreemd slot werd toegerust, was maar voor enkele weken succesvol.

De nieuwe variant waarmee we ons nu geconfronteerd zien, de kapda-upsilon-tau-variant, heeft de aangename eigenschap slechts een verwaarloosbaar aandeel van de bevolking te infecteren, namelijk kinderen tot een leeftijd van een jaar of twaalf. De sterfte is wel veel hoger, om en nabij de honderd procent, maar is vlot en pijnloos en de variant laat de gezonde beroepsgaande en gepensioneerde mensen gelukkig ongemoeid. De timing is echter wel erg ongelukkig, want met kerst is het niet te doen om de kinderlijkjes systematisch te koelen tot er ruimte is in de overbezette crematieovens.

Om onze smaak bij het kerstmaal, dat we dus in kleine kring moeten vieren, niet te verpesten is het noodzakelijk om het openbare leven te beperken van acht tot tien uur in de ochtend. Ik hoor u zuchten, maar u zult begrijpen dat we met de rug tegen de muur staan. Het bedrijfsleven kan wederom een eenmalige schadeloosstelling tegemoet zien die het klantvertrouwen moet herstellen. En zo gaan we, ondanks de bittere pil die we met zijn allen te slikken hebben, vol vertrouwen het nieuwe jaar in.

Een harde realiteit en een zachte G

Vanuit geneeskundig opzicht mogen we niet ontevreden zijn. Hij is een week beademd en werd gisteren gewekt uit zijn kunstmatige slaap maar heeft nu al bijna geen extra zuurstof meer nodig. Hij kan nog niet staan, maar de kracht in zijn armen en benen zal gauw verbeteren, daar twijfel ik niet over. Het is echter duidelijk dat hij nog lang niet toe is aan mijn voorzichtig optimisme. In het bed ligt een man die nog aan het verwerken is wat hem is overkomen. De tattoo in zijn nek, zijn kale hoofd en wat stevig figuur ten spijt, want hij ziet eruit als iemand die niet gauw klein te krijgen is.

‘Het is me wat,’ zeg ik.  

‘Ja, het is me zeker wat. Het is een harde ziekte.’ Die woorden breken het verzet tegen de tranen.

‘Maar ook een harde man,’ breng ik ertegenin. Kova, het Finse woord voor hard, leent zich prima voor deze voorstelling van zaken.

‘Dit is een ziekte die ik niemand toewens. Nooit. Zelfs je ergste vijand wens je dit niet toe.’ Hij vertelt over de beangstigende tijd van toenemende kortademigheid, de dreiging van de dood en de rare dingen die hij heeft gezien. Hallucinaties. Ook zijn vrouw is ziek geworden. Net als hij had zij zich niet laten vaccineren, maar gelukkig kon zij thuis uitzieken, zonder medicatie of beademing.

En dan de hamvraag, van mijn kant. ‘Mag ik je vragen…?’ Natuurlijk mag ik dat, want de kaarten liggen open op tafel. Voor mij bestaan er geen taboes, tenminste niet als ik met mijn patiënten spreek. Er is ook geen oordeel, niet eens een echte mening. Als daar twijfel over bestaat, druk ik mijn patiënten op het hart dat ik als arts de zaken puur van de medische kant bekijk. Ik heb geen oordeel over risicogedrag, of dat nu roken of het niet-vaccineren is, maar ben wel heel benieuwd naar de drijfveren.

Als je mensen in categorieën mag verdelen, is hij er een van de kat uit de boom. In zijn omgeving en via de sociale media bereikten hem berichten over ernstige bijwerkingen en grote onzekerheden van de vaccins. En niemand in zijn omgeving was nog ernstig ziek geworden van het virus zelf. Zo besloot hij om af te wachten, en zijn partner ook. Een heel begrijpelijke afweging dus eigenlijk, maar de realiteit haalde hem in.

‘Nu hoef ik niet meer overtuigd te worden,’ zegt hij met de tranen in zijn ogen. ‘Het is een harde ziekte, een verdomd harde ziekte.’

Gedane zaken nemen geen keer, maar voor ongedane zaken geldt dat soms ook. Nu het virus zich razendsnel verspreidt, hetgeen even wordt of werd getolereerd omdat veruit het grootste deel van de kwetsbare bevolking is gevaccineerd, zullen de meeste mensen zelf met het virus worden geconfronteerd. Voor een groot deel van de niet-gevaccineerde groep mensen is het risico op ernstige ziekte gelukkig betrekkelijk klein, want jonge, gezonde mensen werden tot nu toe zelden ernstig ziek. Maar als je dat betrekkelijk kleine individuele risico vermenigvuldigt met het duizelingwekkend aantal besmettingen, is het niet vreemd dat ook in Finland de afdelingen en intensive care-afdelingen overbezet raken. Een Russische roulette waarbij de meeste revolvers ongeladen zijn, maar wel een Russische roulette op bevolkingsniveau.

Als je de cijfers heel rationeel en droog bekijkt, valt niet te ontkennen dat vaccins vele malen veiliger zijn dan het doormaken van een infectie. En dat geldt voor vrijwel iedere volwassene. Maar het is een hardnekkig misverstand dat mensen rationele wezens zijn. Iedereen heeft zijn eigen individuele gezondheidskwesties en een eigen perceptie over risico’s die overigens heel lastig te bevatten zijn. Onlangs schreef ik een veelgelezen stukje waarin ik opriep tot wederzijds respect en dialoog met de misschien wat provocerende kop dat ik aan de kant van de ongevaccineerden sta. Even lag ik onder vuur bij zowel diehard vaccinanten als antivaxxers juist omdat ik de zaken beschouwde zonder morele stellingname. Met de voor sommigen wat prikkelende kop wilde ik uitdrukken dat ik altijd aan de kant van mijn patiënten sta, los van de keuzes die ze maken of die ze nog even uitstellen. Ik wilde er ook mee aangeven dat de onderverdeling van de mensheid in twee soorten, gevaccineerd en ongevaccineerd, een kunstmatige is. In plaats van onze mening te verkondigen moeten we in de eerste plaats leren luisteren, en indien gewenst moeten wij (ik spreek namens de experts) eerlijk en afgewogen de informatie overbrengen die voorhanden is en ons niet laten verleiden tot het voorspiegelen van zekerheden die (nog) niet bestaan. We moeten de horrorverhalen die rondgaan niet zomaar afdoen als onzin, maar plaatsen in het juiste perspectief. We zijn geen rationele wezens, maar dat wil niet zeggen dat we de ratio buitenspel moeten laten staan. Uiteindelijk kiest niemand ervoor om ernstig ziek te worden. We streven allemaal hetzelfde na.

Maar we zien ons wel geconfronteerd met een harde realiteit, zeker in het ziekenhuis. Een patiënte van tegen de tachtig herstelde zelf, maar verloor in de twee weken die zij in het ziekenhuis doorbracht wel haar man en een van haar zoons. Toch bleef ze onverbiddelijk in haar verzet tegen het vaccinatieprogramma. Het is niet alleen de harde realiteit van mijn patiënten die me zeer raakt, maar ook de waarneming dat het me de afgelopen weken een paar keer is overkomen (en eerder nooit) dat de niet-vaccinatievraag me door een patiënt werd kwalijk genomen. Misschien komt het door de toon van het debat, want ook die is kova, dat sommige mensen niet meer open staan voor het gesprek of niet meer vertrouwen op de neutrale houding van een arts. Daarom wil ik ervoor pleiten een G toe te voegen aan de coronapas: de zachte G van het open gesprek.

Waarom ik, longarts, aan de kant van de ongevaccineerden sta

Op de vraag waarom ze nog geen coronavaccinatie heeft gehad, barst ze in tranen uit. Met mijn ziekte… een vaccinatie? En al die bijwerkingen dan? Het zou waarschijnlijk gemakkelijk zijn het gesprek te vermijden en het alleen te hebben over de pufjes en pillen die ze in moet nemen als ze straks van de afdeling naar huis wordt ontslagen. Veel van mijn collega’s vermijden gesprekken over vaccinaties en leefgewoontes om conflicten te voorkomen of gewoon om wat eerder met de patiënt klaar te zijn. Er zijn ook collega’s die de hoop hebben opgegeven, jaren geleden al, en in een stil cynisme hun carrière vervolgen of in het beste geval in de hoop dat op den duur voor alle kwalen een tabletje wordt uitgevonden.

Sinds het voorjaar, toen de coronavaccinatie op gang kwam, vraag ik mijn patiënten naar hun vaccinatiestatus, net zoals ik ze altijd al vraag naar roken en alcoholgebruik en ik ernstig overgewicht nooit onbesproken laat. De angst voor een conflict is onterecht als je meer geïnteresseerd bent in het verhaal van de patiënt dan in je eigen wijsheid. Zo kwam ik erachter dat bijna elke roker op mijn poli er eigenlijk al lang geleden mee had willen stoppen. Met ernstig overgewicht ligt dat iets anders, waarschijnlijk omdat men het niet in de eerste instantie als een medisch probleem ziet, ook al is uit onderzoek gebleken dat overgewicht in sommige westerse landen inmiddels een grotere moordenaar is dan de sigaret. De meeste mensen willen wel wat gewicht kwijt en veel hebben daar zelfs een poging toe ondernomen, maar met name onder mannen leeft het idee dat er met wat extra kilootjes niets mis is.

Met betrekking tot vaccinatie sta ik vrijwel dagelijks versteld. Ten eerste zijn meer van mijn patiënten ongevaccineerd dan ik op basis van de statistieken had verwacht. Wat me verontrust, is dat juist veel mensen die vanwege onderliggende ziekten een sterk verhoogd risico hebben om met een corona-infectie in het ziekenhuis te belanden, zoals overgewicht, slaapapneu, diabetes of een chronische longziekte, zich nog niet hebben laten vaccineren. Veel van hen zijn bang voor bijwerkingen, juist vanwege hun onderliggende ziektes of omdat ze zelf negatieve ervaringen van vaccinaties hebben of erover hebben gehoord. Vanwege een eigen wetenschappelijke publicatie, waarin we als eersten slaapapneu beschreven als een risicofactor voor ernstige corona-infectie, krijg ik ook nog zo nu en dan mailtjes van mensen die zich zorgen maken. Ik kan je vertellen dat ik met mijn oren sta te klapperen van de verhalen die er rondgaan. Via via horen mensen over iemand die kort na de vaccinatie ernstige gezondheidsklachten kreeg of zelfs is overleden. Meestal gaat het niet om één verhaal, maar stapelen ze zich op. En dat de overheid niet altijd te vertrouwen is, is een gegeven. Geen wonder dat mensen doodsbang worden en dat ze anderen gaan waarschuwen. Heel wat mensen weten gewoon niet wat er waar is van die verhalen en gaan graag met een arts in gesprek die ze vertrouwen. Ze hebben zich voorlopig niet gevaccineerd en kijken de kat uit de boom.

Natuurlijk is mijn patiëntenpopulatie niet representatief voor de hele bevolking, maar ik denk wel dat veel mensen onterecht aannemen dat de mensen die nog niet gevaccineerd zijn er allemaal op uit zijn om de samenleving te saboteren. Het is belangrijk om elkaar en elkaars zorgen serieus te nemen. Ieder woord in de media waarmee de zogenaamde ongevaccineerden over een kam worden geschoren, belachelijk worden gemaakt of vervloekt, is niet alleen een aanslag op onze open samenleving, maar ook daad van polarisatie waarmee het alleen maar moeilijker wordt om de juiste en uitgebalanceerde informatie terecht te laten komen bij de mensen die die informatie het hardst nodig hebben. Het doel daarvan moet niet zijn om mensen aan de vaccinatie te krijgen, maar om ze tot een weloverwogen keuze te laten komen. Uiteindelijk wil bijna iedereen alleen maar het beste voor zichzelf en zijn of haar naasten.

Woorden

Liefde bestaat omdat we er een woord voor hebben en hetzelfde geldt voor God, in het leven geroepen door het woord dat de mens hem influisterde. Luidt de verborgen regel van Genesis niet: En de mens zei: Er zij God en er was God. En hij zag dat God goed was. En wat voor liefde en God geldt, geldt voor alles, maar dan ook echt alles behalve de tijd, omdat vroeger was en de toekomst wordt en het nu alleen maar een overgangsvorm is, een spiegel als het ware, en al zijn spiegels nog zo mooi ingelijst, je ziet nooit de spiegel zelf, we zien alleen de toekomst in het verleden.

Willekeur

Twee dagen geleden zwaaide je voor het eerst ten teken van groet en gisteren begon je te dansen. Je bent bijna altijd vrolijk, soms een beetje stout maar je hebt nog geen begrip van goed en kwaad. Het is waanzinnig verdrietig dat er kinderen zijn als jij die het slachtoffer worden van bommen en raketten die schijnbaar willekeurig uit de lucht komen vallen.


Uit: Het is lente in je vadertaal (werk in wording)

Anders

Ik heb ze vandaag geteld, niet de bosanemonen aan de bosrand maar hun witte bloemblaadjes die bloemdekbladeren of tepalen heten (ze hebben geen afzonderlijke dek- en kroonbladeren). Bijna altijd zijn het er zes, maar ik kwam ook heel wat bloemen met zeven tepalen tegen, en een enkele keer zelfs een met vijf bloemblaadjes of acht ervan. Op basis van mijn hier aan onze bosrand uitgevoerde onderzoekje kunnen we zeggen dat zes tepalen voor bosanemonen de norm is. De zevenbladige bloemen vormen een minderheid en zij met een ander getal zijn vreemd. Zouden de bosanemonen er een democratie op nahouden, dan zouden de zesbladigen het voor het zeggen hebben en zouden de vreemde bloemen weinig hebben in te brengen. Als je daarentegen uitgaat van het kapitalistische principe dat overvloed altijd beter is, dan zou je juist kunnen stellen dat de achtbladige bloem de kampioen is, en de zevenbladige bloem tot de elite behoort. De (in mijn ogen) mooiste bosanemoon die ik er aantrof had echter niet meer dan vijf tepalen, die zich wel in zo’n fijne perfectie rond de groene kern en de krans van geel gehelmde meeldraden hadden geschaard, dat je vanuit esthetisch oogpunt de vijfbladige bosanemoon zou kunnen uitroepen tot de verhevenste van haar soort. En is de bloem geen esthetisch wezen, vormt schoonheid niet haar bestaansrecht?

Waarschijnlijk haal je je schouders op voor dit soort onzin, net zoals de mieren doen die de zaadjes van de bloem verspreiden. De bloemen die anders zijn, horen er evengoed bij. Ook in de mensenwereld hebben we te maken met anderen, minderheden, rijk- en minder bedeelden, maar wat doen die verschillen er uiteindelijk toe?


Dit stuk maakt deel uit van het essay Het is lente in je vadertaal

De ochtend is van optimisten

Er is een verschil tussen de ochtend en de avond, dat kan je niet ontgaan, ook hier in het bos. Je merkt het aan alles, al staat de zon op dezelfde hoogte. De lichtval is anders, en dat zit ‘m vooral in de vierde of vijfde dimensie: het licht valt de dag binnen, en daarvoor zou het niet uitmaken als de zon voor de verandering eens in het westen opkwam in plaats van het oosten. Het licht valt de dag binnen en de wereld ontwaakt. Je hoort andere vogels dan in de avond, en al heb je geen benul van welke vogels het zijn, in je hoofd heb je die geluiden aan de ochtend gekoppeld. Maar stel nu dat de ochtend- en avondvogels eens zouden wisselen, dan nog zou je, misschien na een korte weifeling, de ochtend herkennen aan zijn geluid want net als het licht dat doet, breken de vogelgeluiden de dag binnen. Ze brengen vlekjes en streepjes aan op het lege nalatenschap van de nacht. De vroege ochtend zit hem in zoveel aspecten, dat je de vinger er niet op kunt leggen, je hebt er een hele hand voor nodig en wel een grote, een hand die de zon en de aarde kan afschermen en die iedereen de adem ontneemt. De ochtend is van optimisten. In de ochtend schiet de zon, tussen de zachtjes bewegende takken van de pijnboom door, als een kraal langs een draad die een spin in de struiken heeft gehangen. Het groen is feller, het wit witter en mocht je ooit heel verdrietig zijn, dan fleurt de ochtend je op, op een andere manier dan dat de avond je troost. Vandaag staat er haast geen wind, en dat versterkt het effect van de ochtend, omdat hij dan op zijn gemak bezit kan nemen van de wereld om ons heen in plaats van dat de deur door de wind wordt opengerukt en de ochtend, voor je er erg in hebt, al door een open raam vertrokken is. De bomen staan nagenoeg stil, de spar strekt zich uit, met de duimen omhoog en je weet dat alles wat groen is, tegen het eind van de dag een tikkeltje groter zal zijn, groter en voller. De knoppen in de rododendron zullen hun kiertjes net iets meer openen, er ontluikt een zachte, haast roze tint van het violetpalet. De roos die in de winter op haar doornen na kaal is geworden, ook die heeft langs haar stengel knoppen die alleen van dichtbij te ontdekken zijn, en dat alles zal een beetje groeien, het nieuwe blad zal zich ontplooien, de stengels zuigen vocht uit de grond om het aan te bieden aan de zon. De watermoleculen plukken koolstofdioxidemoleculen uit de lucht en in een proces dat we fotosynthese noemen ontstaan energie voor de plant en zuurstof om ons adem te verschaffen. Het zit allemaal zo ingenieus in elkaar, raadselachtig en vanzelfsprekend tegelijk, dat de mensen die zich er zich het meest over verwonderen zich wetenschappers noemen, in de wetenschap dat het wonder nooit helemaal zal worden opgelost. Maar ho, je wordt wakker uit je ochtenddutje en je roept me, en dat is misschien maar het beste ook want dan kunnen we ons aan een nieuw wonder wagen.


Onderdeel van het essay Het is lente in je vadertaal.

Over dromen

Af en toe werp je een blik op mij, maar het is duidelijk dat je je aan belangrijkere zaken wijdt, met je emmertje en je schepje in de zandbak. Ik grijp het moment aan om te schrijven. Meestal doe ik dat alleen in de korte uren die je slaapt, je dutjes overdag, buiten in de wandelwagen. Je bedje is er alleen voor de nachten. Vanochtend was je vroeg wakker geworden, je stond overeind, steunend aan de spijlen, maar na een korte knuffel liet je je weer toedekken. Je zocht naar de juiste houding, voelde aan het pluizige olifantje en murmelde wat. Ik legde een hand tegen je bovenlijf om mijn nabijheid tastbaar te maken en voelde hoe je adem tot rust kwam. Je armpjes kwamen tot stilstand en heel je lichaam verslapte toen je de deur van je dromenwereld achter je sloot.

We geloven niet in god maar wel in de wereld om ons heen, ook als het een droom is want waar zouden dromen anders toe dienen? Zelf herinner ik me zelden waarover ik heb gedroomd. Ik meen dat ik minder diep slaap dan je moeder die wel van alles beleeft en erover vertelt. Als een sprookjesfiguur me zou beloven dat ik één enkele wens mocht doen, dan zou ik wensen dat ik meer zou dromen, al is dat een heel egoïstische wens en zit er bovendien altijd wel een addertje onder het gras bij zulke wensvervullingen. Wie weet zou ik dan in het vervolg geplaagd worden door terugkerende nachtmerries, de kwaadaardigste soort dromen, of zou ik in een droom belanden waaruit geen uitweg is.

Er gaat een zekere magie uit van dromen, en van geloven ook. Toen ik klein was, kwam Pinkeltje op onze verjaardagen vroeg in de ochtend slingers ophangen. Dat deed hij met zijn vliegtuigje, net zoals te lezen was in een van de gele Pinkeltje-boeken. Tot mijn broer vijf werd of zes, en naar de kleuterschool zou gaan. Er hing een briefje op de balk met het bericht dat het Pinkeltje erg speet, maar dat hij het zo druk had gekregen dat hij alleen voor de kleinste kinderen slingers kon ophangen en dat wij al behoorlijk groot waren geworden. Het was de euthanasie van de mythe om voor altijd een mythe te kunnen blijven, want als wij met schoolvriendjes over Pinkeltje zouden gaan praten, zou de mythe op een nare wijze doodbloeden, en mythes verdienen beter dan dat.

Omdat er geen god is die zich om ons bekommert, noemen wij ons atheïsten. In die term zit geen verwijt, het is geen motie tot afkeuring van hemelbewoners, goden en heiligen zijn voor ons simpelweg overbodig geworden. De ‘a’ waarmee het woord begint, stamt nog uit de tijd dat het een daad van verzet was om niet in god te geloven, waarmee een eeuwenoud dogma werd verworpen.

Dat wij, je vader en moeder, niet over een god beschikken, sluit niet uit dat jij er een zult vinden, als is het meestal zo dat je goden er met de paplepel bij in krijgt gegoten. Wij denken dat je zonder god vrijer bent, maar dat je ook meer verantwoordelijkheid draagt omdat er niemand van buiten is die het lot een zekere wending kan geven. Er is uiteindelijk ook niemand anders dan jijzelf aan wie je verantwoording af moet leggen. We hebben dus geen god voor je, maar wel knuffels: konijnen, een krokodil, een rendier en het olifantje, en die verzaken nooit.


Dit stuk maakt deel van het essay Het is lente in je vadertaal, over een vaderschapsverlof dat de hele lente duurt.

Vergeetsel

Er is een nieuw laagje vergeetsel gevallen, vanochtend, toen buiten nog een streepjescode was. Ik trok de luxaflex omhoog en jij werd stil. Haar eerste rijzen deze lente deed de zon in het verborgene, zoals jouw droom school ergens tussen jou en het dekbed dat ik omsloeg om je te halen naar de herinnering van morgen. Ook het vergeetsel vangt ons gaan, naar de brievenbus en terug, jouw kleine hand geklemd om twee van mijn vingers, maar dat spoor zal spoedig verdwijnen, want tegen alle schijn breekt echt de lente aan.

Jij droeg het koordje en ik de krant, en jij at terwijl ik las. Wij gaan nu nog hand in hand, maar ooit zullen onze wegen scheiden. Als er iets is wat ons bindt, ons allen, dan is het de wil om te kennen en de angst om te vergeten, om te worden vergeten, maar om te leren kennen, moet er altijd iets vergeten worden. Het is dus beter te kennen zonder iets net zoals het beter is te geloven zonder G., en daarom geloof ik alleen in engelen, in engelen zoals jij, want als jij er niet zou zijn, als er niemand was om te vergeten, waarom zou er dan vergeetsel zijn?