About Thijs Feuth

Dutch medical doctor (respiratory medicine, tropical medicine), living in Finland. Writer of fiction and non-fiction. Books: Zwarte ogen (2015), Achter de rug van God (2017). Presently working on: Kafka is dood (2020). Marathon PB 2:23. PhD.

Sustainable happiness

I direct my penlight at Catherine’s eyes. There isn’t any reaction detectable in the black pinheads. I open the upper button on her shirt carefully and lay my stethoscope on her shining skin. The soft murmur of her breath reminds me of the sea touching the shore, but it repeats itself faster, much faster, and has a higher pitch. The muscle reflexes are absent in her arms and legs. Underneath her left breast, in which mammary glands are developing, there’s her heart pounding more than a hundred times a minute.

A co-worker applies gel to the skin of her lower abdomen and finds out that the heart of the little one is happily beating. There are no foetal abnormalities on the ultrasound, the findings are consistent with an uncomplicated pregnancy of around twenty-two weeks.

An uncomplicated pregnancy, except for the facts that Catherine has high fever and that she’s unconscious. She’s in coma and we don’t know why. We have no further diagnostic investigations to offer in our hospital, and referral to the university hospital has been refused. This woman of merely twenty years old will die soon, and her unborn child too. All hopes are faded, no one believes in a happy ending.

This is the story of a woman with HIV and epilepsy, who was found laying unconsciously out in the field. But more specifically, this is the story of a woman in Malawi, one of the poorest countries in the world. ‘Diagnostic interventions’ is an euphemism for a few standard laboratory tests, including one for malaria, and the ultrasound that was already mentioned. No scan of the brain, not even a chest X-ray nor a blood culture.

Many things have changed since I visited Malawi for the first time ten years ago, back then as a medical student. The number of people dying from malaria has dramatically declined, the country seems to gain control over the HIV-epidemic and also child mortality has declined. But there are still many people for whom nothing has changed, people who don’t have money to get to the hospital (where care is free of charge) or whose disease remains unclear or doesn’t respond to treatment. Far too many people die needlessly.

At night I see a pattern of green and red twisting lines and I hear voices. Faithless whispers on my right side that he can’t get no sleep, and to my left there’s a woman crying for help. Is this a dream, or are these hallucinations caused by the malaria prophylaxis? The pictures and voices fade like a candle in the wind that smashes heavy rains to the aluminium sheets on the roof. I feel empty. I am the middle of the night, a damp night caught in a mosquito net.

What is my role here, in this particular hospital, in this country? Do I do the right thing? Is the work I do effective and sustainable? And do I bear responsibility for the poverty that I see everywhere around me? Any westerner coming to Africa will encounter those questions. If not asking them yourself, others will pose them to you. But are these more important than the question whether you are happy?

I pull the sheets away from my body and stare at the point where the net is connected to the roof, centrally above the bed. This is my polar star on the southern hemisphere. Suddenly I realise that the self-critical questions arise from the perception that we belong to the country where we are born. Being home means that you don’t need to justify your presence. But does that also apply to me? Anywhere in the world it’s easier for me to feel at home than in the country where I was born.

Of course it won’t do any harm to ask yourself whether you do the right thing. But if I may speak for myself: I cannot be sustainably happy without taking other people’s wellbeing into consideration. Taking care of each other is an essential part of taking care of yourself. I stare to the zenith of my mosquito net and at the same time I wander in my mind through the village, where life flourishes in all it’s sounds and colours, and then I wander through the western streets on Twitter, where despite of their wealth, people always find a reason to complain. Maybe an early death is still preferable to having never really lived, I think, and with that guilty thought I fall asleep.

Duurzaam geluk

Met een lampje schijn ik in Catherine’s ogen. De zwarte speldenknopjes vertonen geen enkele reactie. Voorzichtig maak ik de bovenste knoop van haar shirt los en leg ik mijn stethoscoop op haar glanzende huid. Ik luister naar het vertrouwde geruis door de luchtwegen, dat me doet denken aan de branding van de zee, maar sneller is, veel sneller, en hoger van toon. De spierreflexen in haar armen en benen zijn afwezig. Onder haar linkerborst, waarin melkklieren in ontwikkeling zijn, roffelt haar hart met meer dan honderd slagen per minuut.

Een collega smeert gel op de onderbuik en stelt vast dat het hartje van de kleine vrolijk klopt. Op de echo zijn er geen foetale afwijkingen te zien, de bevindingen zouden passen bij een ongecompliceerde zwangerschap van zo’n tweeëntwintig weken.

Een ongecompliceerde zwangerschap, behalve dan dat Catherine hoge koorts heeft en in coma ligt. In diepe coma, en we weten niet waarom. In ons ziekenhuis zijn de mogelijkheden tot aanvullend onderzoek uitgeput en verwijzing wordt door het universitair ziekenhuis herhaaldelijk afgewezen. Deze vrouw, van amper vijfentwintig jaar oud, gaat sterven, en haar kindje ook. Er is niemand meer die nog gelooft in een goede afloop.

Dit is het verhaal van een vrouw met HIV en epilepsie, die buiten bewustzijn was aangetroffen in het veld. Maar vooral is dit het verhaal van een vrouw ergens in Malawi, een van de armste landen van de wereld. ‘Aanvullend onderzoek’ is in dit geval een eufemisme voor een malariatest, een paar standaard laboratoriumtesten en de genoemde echoscan. Geen scan van het brein, niet eens een longfoto of een bloedkweek.

Er zijn veel dingen ten goede veranderd sinds ik tien jaar geleden als coassistent voor het eerst in Malawi was. De sterfte aan malaria is zo’n beetje gehalveerd, de HIV-epidemie lijkt onder controle te komen en ook de kindersterfte is flink afgenomen. Toch zijn er nog altijd veel mensen die buiten de boot vallen, die geen geld hebben om naar het ziekenhuis te komen (waar de zorg overigens gratis is) of bij wie de ziekte in het ongewis blijft of niet op behandeling reageert. Nog steeds gaan er veel te veel mensen onnodig dood.

In de nacht zie ik een patroon van groene en rode kronkelende lijnen en bewegende stippen en hoor ik stemmen. Rechts van me fluistert Faithless dat hij geen slaap kan krijgen, links schreeuwt een zwangere vrouw om hulp. Is dit een droom, of ben ik aan het hallucineren van de malariaprofylaxe? Dan doven de beelden en stemmen uit als een kaars in de wind die regen tegen de ramen en op de aluminium dakplaten slaat. Ik voel me leeg, ik ben het midden van de nacht, een klamme nacht die gevangen is in een muskietennet.

Wat is mijn rol, in het ziekenhuis, in dit land? Doe ik wel het goede? Is het werk dat ik verricht wel effectief en duurzaam? En ben ik niet een beetje schuldig aan de armoede om me heen? Wie als westerling in Afrika aan de slag gaat, krijgt hoe dan ook met zulke vragen te maken. Ben je het zelf niet die je die vragen stelt, dan vallen anderen je er wel mee lastig. Maar zijn die vragen eigenlijk relevanter dan de vraag of je gelukkig bent?

Ik sla het laken van me af en staar naar het punt waarmee het net aan het plafond is bevestigd, midden boven het bed. Dat is mijn poolster op het zuidelijk halfrond. Plotseling realiseer ik me dat mijn zelfkritische vragen worden ingegeven door het idee dat je thuishoort in het land waar je geboren bent. Thuis zijn betekent geen rekenschap af te hoeven leggen over je aanwezigheid. Maar geldt dat ook voor mij? Ik voel me overal ter wereld gemakkelijker thuis dan in mijn vaderland.

Natuurlijk kan het geen kwaad om jezelf zo nu en dan de vraag te stellen of je het goede doet. Als ik voor mezelf spreek: ik kan niet duurzaam gelukkig zijn zonder het welzijn van de ander erin te betrekken. Zorg dragen voor de ander maakt onderdeel uit van zorg voor jezelf. Starend naar het zenit van mijn muskietennet dwaal ik in gedachten door de dorpsstraat, waar het leven zich in al zijn vitaliteit voltrekt, en dan door mijn Nederlandse dorpsstraat op Twitter, waar ondanks de weelde waarin ze leven mensen altijd weer een reden vinden om ontevreden te zijn. Misschien is een vroege dood wel minder erg dan nooit echt te leven, denk ik, en met die schuldige gedachte val ik in slaap.

(deze column is gepubliceerd op opiniewebsite Joop.nl)

De miskenden

Het voordeel van een hoer boven een echtgenote is dat ze je van tevoren haar prijs vertelt, grapt de ver-Ierste Vlaming voor wie ik eerder al gewaarschuwd was. In zijn lach gaapt een slecht gebit. Ik ben met hem aan de praat geraakt doordat ik een boek van Sartre las, zijn favoriete filosoof. Niemand leest Sartre hier, zegt hij. Niet in Ierland.

De man in zwart, die bij het raam zit, lacht niet mee. Dat is uit beroepsdeformatie, legt hij uit. Hij is priester. Gepensioneerd, weliswaar, want het was een frustrerend vak geweest. Vandaag de dag willen zielen gewoon niet meer gered worden. Toen ik op een avond uit frustratie met mijn hoofd tegen de muur bonkte, wist ik dat ik ermee moest stoppen. Ze zoeken het zelf maar uit.

Helemaal in de hoek van de pub zit Brian, ook al een miskende man. Brian, met zijn versleten pak, was per ongeluk miljonair geworden toen hij zijn huis in Dublin had verkocht. Zo kon hij zich op zijn passie storten, de wiskunde. In een paar jaar tijd zag hij zijn artikelen over het concept Spacetime Fundamentals gepubliceerd in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften, hoewel hij amateur was. Hij had een curve bedacht, hij was met een formule op de proppen gekomen die de relativiteitstheorie bevestigde. Hij had een eenvoudige oplossing gevonden op een ingewikkeld probleem dat de wiskunde al sinds de jaren vijftig had beziggehouden. Ondanks de publicaties wordt hij door de academische elite doodgezwegen. Ze willen het gewoon niet zien, zegt hij. Een stuk dat hij had aangeboden aan een groep in Utrecht die zich met hetzelfde probleem bezighield, werd afgewezen met valse argumenten.

Opnieuw heeft hij een belangrijk stuk geschreven, maar hij weet niet goed wat hij ermee moet. Het is heel belangrijk werk, zegt hij, en reuze interessant. Het probleem is dat veel wiskundigen inhoudelijk zwak zijn. Ze kunnen niet goed omgaan met abstracte concepten, ze schieten theoretisch tekort. Eigenlijk moet dit stuk wel naar Utrecht, maar ik durf niet goed. Toen mijn vorige stuk werd afgewezen, was ik heel boos. Als dat opnieuw gebeurt, weet ik niet of ik met de woede kan omgaan.

En jij? vraagt de priester. Jij schrijft toch boeken? Zijn er dan nog mensen die lezen? Je zou er plaatjes in moeten doen, foto’s enzo. Want mensen zijn dol op plaatjes. Dan kun je het verhaal in het onderschrift kwijt

De laatste man

De mens wordt voor een belangrijk deel gevormd door het landschap waarin hij leeft. Vanuit die overtuiging bedenk ik mijn romanpersonages, dus zou ik er eigenlijk niet van moeten opkijken dat ze ook werkelijk bestaan op de plek waar het verhaal zich afspeelt. Voor mijn volgende roman ben ik bij een getijdeneiland aan de Ierse kust. Mensen die ik spreek, komen met het verhaal van Pascal op de proppen, de laatste bewoner van het eiland. The last man standing is ruim een jaar geleden overleden, enkele maanden voor zijn geest zich duizenden kilometers verderop opdrong in mijn gedachten. Pascal woonde jaren min of meer een kluizenaarsbestaan in een caravan op het uiterste puntje van het eiland. Hij was op het eiland geboren en keerde er terug na een carrière als stuntman voor hollywoodfilms, die hij abrupt afbrak nadat zijn kameraad bij een stunt was omgekomen.

Een lange wandeling brengt mij bij zijn caravan. Een van de ramen is opengebroken, en er ligt een vergane roeiboot voor het hek. De caravan kijkt uit over een baai waar de oceaan in trage golven zijn ouderdom uittelt. Konijnen schieten over het veld en verdwijnen in een ondergronds netwerk van gangen. Hoe vaak heeft Pascal hier gestaan, op deze rots, roepend naar zijn hond die de branding te lijf gaat? Hoe vaak heeft hij de huilende wind vervloekt, en hoe vaak heeft hij de wereld zien inkrimpen en uitdijen in de zeemist?

Ik haast me terug naar de zandplaat tussen eiland en vasteland. In de nabijgelegen pub hoor ik de mensen uit over mijn held, en ik maak er kennis met iemand die zich voorstelt als de koning van Claddaghduff, maar die verder geen kapsones heeft. Als ik genoeg weet, wandel mij roman uit, terug naar het dorp waar ik verblijf en onderweg regen ik nat en waai ik droog. Alles verloopt dus volgens plan, thuisgekomen in Cleggan vind ik bij de open haard mijn andere romanpersonage. Alles heeft zo moeten zijn, zoals dat in boeken en in het leven gaat.

Thuis maar anders

Na drie maanden Londen, vanwege een tropencursus, en met binnenkort vier maanden Malawi voor de boeg, ben ik even thuis in een oud vissersdorpje aan de oceaankust van Ierland. Net als Lapland is de Connemara een afgelegen streek, woest en verlaten, door de schrijver Tim Robinson getypeerd als the last pool of darkness.

Omdat ik geloof dat het karakter van de mens voor een groot deel bepaald wordt door de omgeving waarin hij leeft, ben ik in de streek waar mijn volgende roman zich afspeelt. Ik wil me in het karakter van mijn hoofdpersoon verdiepen door zijn landschap te verkennen. Ik spreek met zijn mensen, bewandel zijn paden en adem zijn lucht.

De Connemara wordt gedomineerd door de bergketen Na Beanna Beola, die volgens de mythologie is ontstaan toen een reus van de nabijgelegen Aran eilanden zijn slapende collegareus Beola probeerde te wekken door hem rotsblokken toe te werpen. Het woesteland met zijn moerassen, heuvels en meren heeft veel weg van Lapland. Het grote verschil zit hem in de nabijheid van de oceaan, die regen en wind brengt. Misschien is het wel de wind die de Ierse tongen zo los maakt. Ik was vergeten hoe het huilen van de wind klonk, en hoe je diep voorover boog om weerstand te bieden tegen de wind, want in Finland waait het eigenlijk nooit. Ik herinner me de opwinding over een naderende sneeuwstorm toen ik net in Finland woonde. De sneeuw kwam, maar wat ze een storm noemden, was hoogstens een briesje.

Net als in Finland, is de manier van leven in de laatste vijftig jaar hier drastisch veranderd. Had je in Rovaniemi de vlotterij, in Cleggan was het voornamelijk de visserij waar men van leefde. Maar niet iedereen verstond de kunst van het leven. Sommigen gingen de oceaan op terwijl er storm op komst was. De regering kwam met plannen om de moordzucht van de oceaan te bedwingen. Ieder bootje moest over apparatuur beschikken om in geval van nood zo snel mogelijk hulp te krijgen. Je moest heel wat vis vangen om dat te bekostigen. De vistechnieken werden geoptimaliseerd, de waarde van vis daalde en er kwamen regels om de visvangst aan banden te leggen. Tegenwoordig moeten de vissers een deel van de vangst overboord gooien.

Hoewel het leven ongetwijfeld beter is geworden, is er ook veel verloren gegaan. Geen landschap dient beter om daarover na te denken dan het woesteland, of dat nu Fins of Iers is.


Deze column verscheen in december 2018 in Noorderlicht, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging in Finland.