About Thijs Feuth

Dutch medical doctor (respiratory medicine, tropical medicine), living in Finland. Writer of fiction and non-fiction. Books: Zwarte ogen (2015), Achter de rug van God (2017). New novel 'Kafka is dood' will be published in 2020. Marathon PB 2:23. PhD.

Over welvaart en onbehagen

Meer dan de helft van de Nederlanders heeft overgewicht, we leiden een zittend leven en spannen ons nauwelijks in, we hoeven immers geen moeite te doen om eten te bemachtigen en we hoeven ook niet ieder moment klaarstaan om bij bedreiging op de vlucht te slaan.

‘Het leven is te goed voor ons,’ zei ik laatst tegen een patiënt die kennelijk het idee had dat hij zich moest verontschuldigen voor zijn overgewicht. Overgewicht is geen ziekte, maar een symptoom. Het echte probleem is dat we te wel varen, dat onze maatschappij onze behoeften is voorbijgestreefd. De mens was in den beginne een jager, dat wil zeggen dat hij grote maaltijden in een keer verorberde om dan een hongerperiode door te komen. Maar die hongerperiode die kennen we niet meer. Dat overgewicht zo’n enorm probleem is geworden, bewijst dat we niet gebouwd zijn op de welvaartsmaatschappij waarin we leven.

Objectief gezien hebben we het allemaal prima voor elkaar, we leven lang en gezond, maar we zijn er niet gelukkiger op geworden. We ruziën over politiek, we staan op de tribunes te schreeuwen naar een scheidsrechter omdat hij op zijn fluitje blaast of dat juist nalaat, we verwensen elkaar op twitter en trekken alles wat we horen in twijfel. Hoe meer de discussies verharden, hoe minder ik geloof dat de kampen werkelijk van elkaar verschillen. Er is vooral veel boosheid, de onwil de vrede te bewaren is wat de mensen bindt en wat ze verdeelt. Als je over het verschijnsel onenigheid nadenkt, zonder je er inhoudelijk mee te bemoeien, is de enige mogelijke conclusie dat het ons juist te doen is om de stampei. Als we een rimpelloos wateroppervlak zien, zoeken we een steentje om de sereniteit te verstoren.

Ook die neiging hebben we meegekregen van onze verre voorouders. Als jagers hebben we dat scheutje adrenaline nodig, we zijn verslaafd aan de jacht, en omdat we ons eten voorgeschoteld krijgen, is de jacht een metafoor geworden. We ontwikkelen extremistische ideeën om de spanning te creëren die de jacht ooit deed, we doen dingen om te choqueren, we hebben de sensatie van gevaar en overwinning nodig om het welvaartsleven aan te kunnen. Door hem te bezitten hebben we de graal ontheiligd, en zo zetten we onze rooftocht door.

Grazers zijn redelijke dieren, ze zijn gebaat bij een gematigd klimaat, ze verkiezen een landschap dat groen genoeg is om hun honger te stillen en genoeg beschutting biedt tegen predatoren. Van spanning moet de grazer niets hebben. Maar de mens is anders, als zijn honger gestild is, wordt hij al snel onrustig. De mens is een jager, zijn handelen wordt ingegeven door driften die hij zelf niet begrijpt. Hoe kan iemand die alles heeft vervallen tot alcoholisme? Hoe kunnen mensen zich tégen Europa keren, tegen de democratie, hoewel het tegen hun belangen ingaat? Hoe kan een zo welvarende samenleving zoveel onbehagen opwekken? Is het werkelijk zo dat we ongelukkig worden als het geluk compleet is?

Moederpijn

’Ik kan heel zakelijk zijn,’ zegt ze met strenge blik.

Inderdaad, ze heeft geen traan gelaten. Als ik haar vraag of ik haar dochter moet bellen om die in te lichten over het gesprek dat we hebben gevoerd, reageert ze in eerste instantie afhoudend. ‘Ze heeft volgende week vakantie, misschien is het beter om ermee te wachten.’

Maar dan kijkt ze me vragend aan.

‘Wil je dit helemaal alleen dragen, deze week?’ vraag ik. ‘En kun je dat?’

Er vallen veel stiltes, maar geen gaten. Het zijn doorwaadbare plekken in de stroom van ons gesprek. Zo nu en dan wendt ze haar blik af, ze verbijt de pijn van het slechte nieuws, en een paar tellen later kijkt ze me weer aan. Er lijkt een verwijt in haar blik te schuilen, en dan weer zelfverwijt. Het moet de wanhoop zijn, wie kun je de schuld geven van random leed? Ze haalt een paar keer diep adem, alsof het slechte nieuws daarmee zal verdampen. Haar huid is dof en hangt losjes over haar botten. Ik denk aan wat er door haar heen moet gaan: het ziekbed van haar man, die nog niet zo lang geleden aan kanker is overleden.

‘Ik wil geen pijn lijden,’ zegt ze. En weer dwalen haar ogen af, twee jaar terug in de tijd. Hij had kanker in zijn lever en in zijn botten. Het viel haar zwaar om voor hem te zorgen. Misschien is dat wel haar grootste angst, om hem te zijn. Een hem zonder haar.

‘Bel haar toch maar… En weet je, ik heb nóg een dochter… die is een tijd uit beeld geweest na de dood van mijn man. Maar nu… we hebben wel weer wat contact.’

Ineens is ze geen patiënte met uitgezaaide kanker meer, maar een moeder, een vrouw verscheurd door verdriet om haar kinderen, gekweld door de angst geen goede moeder te zijn geweest en nooit meer de kans te krijgen het tegendeel te bewijzen. Welk aandeel hebben we in het verdriet van een verstoorde onderlinge verstandhouding? Hoe kunnen we toch in de val trappen, hoe kunnen we de genegenheid voor onze naasten zo misverstaan? En hoe kunnen we vergeten wie ons met haar lichaam heeft gevoed?

Mijn kamer is geen werkplek meer, maar een gedeelde ruimte. Ik denk aan mijn broers, zussen, mijn vader en moeder. De Melkweg is geen platte schijf, las ik laatst, maar ik heb geen idee waarom me dat nu te binnen schiet. We zijn nietig in dat grootse geheel, misschien daarom. De wereld, met al zijn beslommeringen: een minuscuul klompje aarde tussen al die donkere materie. Maar de relatie tussen moeder en kind is universeel, groter dan de zwaartekracht die de planeten in hun banen houdt, dan al die sterren in hun weidse verband. De pijn van het baren is voor een moeder nog maar een voorproefje van het leed dat haar te wachten staat.

Ze reikt naar mijn arm. Even is daar de aanraking van een willekeurige moeder en een zoon niet die de hare is. Hoe korter de aanraking, en hoe zachter, des te groter haar effect.

‘Ik hield eigenlijk hier wel rekening mee,’ mompelt ze, ‘ergens wist ik het wel.’

Ik knik. De afgelopen tijd heeft ze nauwelijks kunnen eten. Maar voor al haar gezondheidsklachten had ze een alternatieve verklaring bedacht. Toch wist ze het wel, diep van binnen.

Even later rijd ik haar in de rolstoel terug naar haar kamer. Haar bed kijkt uit over een dak waar bouwvakkers druk bezig zijn hun spullen in bij elkaar te rapen voor het weekend, een toevallige metafoor voor de tijdelijkheid van het leven. Ze neemt plaats op haar bed en ik haak het zakje met vocht uit de longholte aan de bedrand. Iedere handeling, al lijkt die nog zo onbeduidend, staat bol van betekenis.

Misschien ligt de taak van de mensheid en haar wetenschap daarin dat ze de betekenis van de dingen doorziet, de natuurwetten ontrafelt en de dagelijkse dingen beschouwt in een groter geheel want dat wat voor lief genomen wordt, zal altijd betekenisloos blijven.

Voor hen ging het leven gewoon door

‘Dat geeft niet,’ zegt Heli, als ik haar waarschuw dat het even zoeken kan zijn. Ze heeft een zachte stem waar, als je goed luistert, een boventoon van hulpeloosheid in doorklinkt. En dat verbaast me niets. In mijn hoofd som ik de keten van feiten op die haar hier brachten. Het begon een paar jaar geleden met leukemie. Vervolgens gingen de getransplanteerde stamcellen die haar leven moesten redden zich in het voor hun vreemde lichaam opstandig gedragen. Dat vandalisme noemen we graft versus host disease. Haar longen kregen het zwaar te verduren, en ze kreeg venijnige chronische ziekteverwekkers op de koop toe. Nu is Heli vijfentwintig jaar oud en loopt ze rond met zuurstofflessen, áls je het al lopen mag noemen, dat slakkengangetje waarmee ze zich voortbeweegt.

Ik wrijf het gaasje met ontsmettingsmiddel over de binnenkant van haar pols. Een paar tellen glanst haar witte huid. De aders vormen een dicht netwerk, en daaronder loopt de polsslagader die ik moet hebben. De pulserende boodschap die het hart door het lichaam zendt, is duidelijk voelbaar. Het prikken van een arterieel bloedgas, waarvoor je in de slagader moet wezen, is altijd een intiem moment. Omdat ze dieper liggen dan de gewone aders, zijn de slagaders wat lastiger te prikken. Het kan wat pijn doen, zeker als iemand prikt die er weinig gevoel voor heeft. Er zijn mensen die er ooit een traumatische ervaring aan hebben overgehouden. Misschien dat de handeling daarom in ons ziekenhuis is voorbehouden aan artsen.

Als ik weet waar ik moet prikken, wrijf ik nog een keer het natte gaasje over haar pols.

‘Hoe gaat het met je?’ De vraag die me vanochtend bezighield op een moment dat ik die niet kon stellen, lijkt nu uit het niets te vallen.

‘Hoe bedoel je?’

‘Nou, hoe je dit allemaal trekt. Wat kun je doen, en wat niet? Heb je voldoende steun van vrienden?’

Dan schieten haar ogen vol. Nee, die steun heeft ze niet. Vanaf het moment dat ze de diagnose leukemie kreeg, alweer een paar jaar geleden, lieten bepaalde vriendinnen niets meer van zich horen. ‘Alsof ze bang waren voor de ziekte,’ zegt ze. Maar ook toen het acute levensgevaar geweken was, kwamen ze niet meer terug. Misschien schamen ze zich omdat ze hebben laten afweten. Mettertijd verloren enkele andere vriendinnen hun interesse. ‘Door mijn waardeloze longen kan ik heel veel dingen niet meer doen, maar voor hen ging het leven gewoon door.’ Ze zijn met heel andere dingen bezig, druk met werk of met het stichten van een gezinnetje. Heli heeft zelf geen partner. Ze woont nu bij haar opa, want die heeft de hele dag tijd om haar te helpen als het nodig is. Ze heeft een klein netwerk overgehouden, en ze is bang om te veel beroep te doen op die paar overgebleven vrienden. ‘Wie weet wordt het dan ook hun te veel.’

Heli koestert geen wrok jegens de vrienden van ooit, ze kan het ergens wel begrijpen. Ze voelt zich alleen heel eenzaam. We praten over de betekenis van ziekte en we praten over de toekomst. Wat er in het verschiet ligt, is niet donker of licht, maar een soort schemergebied. Het hangt allemaal van haar longfunctie af. Ze weet niet wat ze mag verwachten, maar ze droomt ervan om ooit weer een gewoon leventje te leiden. Daarom volgt ze online cursussen. Wie weet kan ze er ooit weer bij horen.

Ik luister en vul haar gedachten zo nu en dan aan, en ergens in het gesprek heb ik kennelijk kans gezien om dat bloedgasje te prikken, want ik zit met een gevuld buisje in mijn hand. Ik verontschuldig me en sluip de gang op, op zoek naar een verpleegkundige die weet waar ze het buisje met bloed kan afleveren.

Het verhaal van Heli laat me vandaag niet meer los. Het is wreed, maar toch is de reactie van haar vriendinnen zo begrijpelijk, herkenbaar zelfs. We buigen als bloemen naar het zonlicht, en realiseren ons te weinig dat we ons in die beweging van het onheil afwenden. Ja, we zijn als bloemen, maar ook als een kudde op de vlucht. Wie niet kan meekomen, wordt aan zijn of haar lot overgelaten. Misschien schuilt onze wreedheid meer in wat we nalaten, dan in wat we doen.


Deze column verscheen op opiniewebsite Joop.nl

De ziekte van Turku

In maart 2011 wachtte ik in de kou op het busstation van Turku op Eeva, die ik enkele maanden eerder in Kenia had ontmoet. Ze had de klok uit het oog verloren en nam haar telefoon niet op. Desondanks liepen we even later samen door de glibberige straten van de stad. Her en der waren stukken afgezet vanwege het gevaar dat smeltende sneeuw van de daken kon vallen. Eerder die dag was ik over een bevroren zee gevlogen en had ik me verbaasd over het gemak waarmee auto’s en bussen over het ijs reden. Met de verbazing was het niet gauw gedaan. In de stad wisselden prachtige gebouwen en oerlelijke flats elkaar af. Turku had een beeldschoon gelaat dat door ernstige littekens was verminkt.

Wat ik toen nog niet wist, was dat de ziekte die de littekens veroorzaakte een naam had: de ziekte van Turku. In de tweede helft van de twintigste eeuw werden monumentale gebouwen vernietigd, hun plaats werd ingenomen door flats die het oog niet konden bekoren. Dat waren de symptomen van een ziekte die in 1981 op de voorpagina van Uusi Suomi werd ontmaskerd, een ziekte die veroorzaakt werd door intriges, pseudo-democratisch marktdenken, ruzies en achterbaks geroddel.

Gelukkig heeft Turku sindsdien haar trots hervonden. In het jaar dat ik in de kou op Eeva wachtte, was de stad culturele hoofdstad van Europa en ook daarna is er met gevoel voor esthetiek gebouwd. Ik ben van de stad en haar mensen gaan houden, hoewel men elders in het land geen hoge pet op heeft van de Turkulaiset, die bot heten te zijn. Maar wat buitenstaanders ontgaat, is dat achter de façade van botheid een vorm van zelfspot schuilt, en wat men voor ongemanierdheid houdt, een oprechte afwijzing is van de schone Scandinavische schijn. Turkulaiset kunnen wat onbeholpen zijn in de omgang, maar zijn hartelijk en loyaal als je ze beter kent.

De ziekte van Turku is niet meer, of althans niet meer in Turku. De ziekte heeft zich naar buiten verplaatst. Zo is het meer van Jyväskylä, dat enkele jaren geleden nog een klein paradijs was in het midden van het land, ten prooi gevallen aan de vastgoedmarkt. In Rovaniemi komt een spa-hotel op het punt waar twee rivieren samenvloeien. En in de rest van het land worden in hoog tempo bossen gekapt, zogenaamd voor schone energie, terwijl we inmiddels weten dat die vorm van energie helemaal niet zo schoon en duurzaam is als we ooit dachten.

De ziekte van Turku is dus niet specifiek voor Turku, en misschien zelfs niet eens voor Finland. Schoonheid is een kwestie van duurzaamheid, en legt het van nature af tegen krachten die door hebberigheid zijn ingegeven. Zo bezien, zou je de ziekte kunnen diagnosticeren bij al het duurzame goede dat door kortzichtige egoïsme wordt aangevreten. Ik geloof dat de westerse politiek aan de ziekte van Turku lijdt.

Kruispunt Aurakatu – Linnankatu, Turku

Deze column verscheen in Noorderlicht.

De kleine wonderen van het vak

Meneer Riskilä komt van de intensive care, waar hij ruim een week heeft gebivakkeerd met een buisje in zijn keel. Mechanische ventilatie heet dat, intensivisten zijn nu eenmaal dol op technische terminologie. Mij doet die benaming denken aan een bovenraampje dat wordt opengezet, een raampje om de ziel wat lucht te geven terwijl hij slaapt.

Het gaat gelukkig stukken beter met hem, maar hij is nog steeds verward. Als ik meneer Riskilä vraag waar hij is, antwoordt hij dat hij zich in Stockholm bevindt, hij staat op het punt om met de boot te vertrekken. Dat is het cruiseschip naar Turku, de stad waar we volgens mijn gegevens in werkelijkheid zijn. Dat betekent dat hij in elk geval de goede kant op gaat, en ik maak daaruit op dat het ook met hem de goede kant op gaat, in wanen zit meer wijsheid dan we bevroeden.

Mijnheer Riskilä is wantrouwig jegens de verpleegkundige, al twee dagen weigert hij de pillen die ze hem aanbiedt. Gisteren sloeg hij zelfs van zich af toen ze hem met een vruchtensapje wilde vergiftigen. Hij mompelt dat hij de kapitein is, en dat hij zelf wel uitmaakt wat hij eet. Hij kijkt me aan alsof ik wel begrijp wat hij bedoelt.

‘Laat mij het maar eens proberen,’ fluister ik de verpleegkundige toe. ‘Mannen onder elkaar, dat gaat beter. Hij beweert toch dat hij kapitein is? Een echte vent slaat niet af wat een kameraad hem aanbiedt.’

En warempel, de pillen gaan erin alsof het borrelnootjes zijn. Er is niets zo bevredigend als het vertrouwen winnen van iemand die verward is, vaak lukt het ook mij niet ook al doe ik nog zo mijn best. Soms moet je voor de veiligheid van de patiënt middelen toepassen waar je als zorgverlener voor terugschrikt: een injectie die willoos maakt, of fysieke dwangmiddelen die met allerlei eufemismen worden aangeduid.

Ik ben meneer Riskilä dankbaar, want dit soort kleine wonderen maakt het artsenvak tot een van de mooiste die er bestaan. Voor even leef ik in zijn waanwereld, voor even zijn we twee kapiteins onder elkaar, de afdeling is mijn schip.

Lopen is ons dagelijks gebed

Zondagochtend om tien uur ontmoet ik volgens afspraak mijn loopmaatje Matti op de Aurabrug. Het is koud en het regent pijpenstelen. De stad is grijs, de rivier is zwart, en als deze dag een soundtrack had, zou het iets van Metallica zijn. Antimuziek. Met mijn ademhaling probeer ik mijn lichaam bij te benen. Ik ben weer een week in Finland, en het is mijn eerste echte hardloopweek sinds tijden. In Afrika stonden de werk- en daglichttijden het hardlopen slechts mondjesmaat toe, en bovendien was het bijna altijd te warm voor een goede training. Maar nu het lopen niet meer verhinderd wordt, loop ik weer, tegen de wind in, over de weg door het industrieterrein. Mistroostiger kan het niet. Toch stellen we ons niet de vraag waarom we dit doen, zo essentieel is het hardlopen. Ze zeggen wel eens dat hardlopen een verslaving is, maar dat is niet zo. Als er iemand verslaafd kon worden aan hardlopen, zou ik het zijn geweest. Al vijftien jaar strik ik de veters van mijn hardloopschoenen. Maar het is en blijft iets waar je je toe moet zetten, het lopen gaat tegen onze natuur in, want in de eerste plaats is de mens lui. Wij, hardlopers, keren ons tegen die menselijkheid. We geloven in iets goddelijks, het lopen is ons dagelijks gebed, soms is het zelfs een boetedoening. Het levert ons niets op, we lopen hard niet omdat we er rijker of gelukkiger van worden, maar omdat we toewijding verschuldigd zijn aan het lopen.