About Thijs Feuth

Dutch medical doctor (respiratory medicine, tropical medicine), living in Finland. Writer of fiction and non-fiction. Books: Zwarte ogen (2015), Achter de rug van God (2017). Presently working on: Kafka is dood (2020). Marathon PB 2:23. PhD.

De laatste man

De mens wordt voor een belangrijk deel gevormd door het landschap waarin hij leeft. Vanuit die overtuiging bedenk ik mijn romanpersonages, dus zou ik er eigenlijk niet van moeten opkijken dat ze ook werkelijk bestaan op de plek waar het verhaal zich afspeelt. Voor mijn volgende roman ben ik bij een getijdeneiland aan de Ierse kust. Mensen die ik spreek, komen met het verhaal van Pascal op de proppen, de laatste bewoner van het eiland. The last man standing is ruim een jaar geleden overleden, enkele maanden voor zijn geest zich duizenden kilometers verderop opdrong in mijn gedachten. Pascal woonde jaren min of meer een kluizenaarsbestaan in een caravan op het uiterste puntje van het eiland. Hij was op het eiland geboren en keerde er terug na een carrière als stuntman voor hollywoodfilms, die hij abrupt afbrak nadat zijn kameraad bij een stunt was omgekomen.

Een lange wandeling brengt mij bij zijn caravan. Een van de ramen is opengebroken, en er ligt een vergane roeiboot voor het hek. De caravan kijkt uit over een baai waar de oceaan in trage golven zijn ouderdom uittelt. Konijnen schieten over het veld en verdwijnen in een ondergronds netwerk van gangen. Hoe vaak heeft Pascal hier gestaan, op deze rots, roepend naar zijn hond die de branding te lijf gaat? Hoe vaak heeft hij de huilende wind vervloekt, en hoe vaak heeft hij de wereld zien inkrimpen en uitdijen in de zeemist?

Ik haast me terug naar de zandplaat tussen eiland en vasteland. In de nabijgelegen pub hoor ik de mensen uit over mijn held, en ik maak er kennis met iemand die zich voorstelt als de koning van Claddaghduff, maar die verder geen kapsones heeft. Als ik genoeg weet, wandel mij roman uit, terug naar het dorp waar ik verblijf en onderweg regen ik nat en waai ik droog. Alles verloopt dus volgens plan, thuisgekomen in Cleggan vind ik bij de open haard mijn andere romanpersonage. Alles heeft zo moeten zijn, zoals dat in boeken en in het leven gaat.

Thuis maar anders

Na drie maanden Londen, vanwege een tropencursus, en met binnenkort vier maanden Malawi voor de boeg, ben ik even thuis in een oud vissersdorpje aan de oceaankust van Ierland. Net als Lapland is de Connemara een afgelegen streek, woest en verlaten, door de schrijver Tim Robinson getypeerd als the last pool of darkness.

Omdat ik geloof dat het karakter van de mens voor een groot deel bepaald wordt door de omgeving waarin hij leeft, ben ik in de streek waar mijn volgende roman zich afspeelt. Ik wil me in het karakter van mijn hoofdpersoon verdiepen door zijn landschap te verkennen. Ik spreek met zijn mensen, bewandel zijn paden en adem zijn lucht.

De Connemara wordt gedomineerd door de bergketen Na Beanna Beola, die volgens de mythologie is ontstaan toen een reus van de nabijgelegen Aran eilanden zijn slapende collegareus Beola probeerde te wekken door hem rotsblokken toe te werpen. Het woesteland met zijn moerassen, heuvels en meren heeft veel weg van Lapland. Het grote verschil zit hem in de nabijheid van de oceaan, die regen en wind brengt. Misschien is het wel de wind die de Ierse tongen zo los maakt. Ik was vergeten hoe het huilen van de wind klonk, en hoe je diep voorover boog om weerstand te bieden tegen de wind, want in Finland waait het eigenlijk nooit. Ik herinner me de opwinding over een naderende sneeuwstorm toen ik net in Finland woonde. De sneeuw kwam, maar wat ze een storm noemden, was hoogstens een briesje.

Net als in Finland, is de manier van leven in de laatste vijftig jaar hier drastisch veranderd. Had je in Rovaniemi de vlotterij, in Cleggan was het voornamelijk de visserij waar men van leefde. Maar niet iedereen verstond de kunst van het leven. Sommigen gingen de oceaan op terwijl er storm op komst was. De regering kwam met plannen om de moordzucht van de oceaan te bedwingen. Ieder bootje moest over apparatuur beschikken om in geval van nood zo snel mogelijk hulp te krijgen. Je moest heel wat vis vangen om dat te bekostigen. De vistechnieken werden geoptimaliseerd, de waarde van vis daalde en er kwamen regels om de visvangst aan banden te leggen. Tegenwoordig moeten de vissers een deel van de vangst overboord gooien.

Hoewel het leven ongetwijfeld beter is geworden, is er ook veel verloren gegaan. Geen landschap dient beter om daarover na te denken dan het woesteland, of dat nu Fins of Iers is.


Deze column verscheen in december 2018 in Noorderlicht, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging in Finland.

De kunst van het leven

Niet iedereen verstond de kunst van het leven. Sommigen gingen de oceaan op terwijl je wist dat er storm op komst was. Je moest beseffen dat er grotere krachten in het spel waren. Als je twee koeien had, moest je ze om de beurt laten kalven. Je moest hard werken en als je een dochter had, was het zaak om haar weerbaar te maken tegen de liefde. Wat had je aan een lieve man die geen fatsoenlijk huis bezat?

Net als overal in Europa veranderde het leven op het Ierse platteland en aan de kust op drastische wijze. Tot een paar decennia geleden had iedereen hier een paar stuk vee en een bootje om te vissen. De regering kwam met een plan om de moordzucht van de oceaan te bedwingen. Ieder vissersbootje moest over apparatuur gaan beschikken om in geval van nood zo snel mogelijk hulp te krijgen. Dat was echter een kostbaar plan, je moest heel wat vis vangen om de boel te bekostigen. De vistechnieken werden geoptimaliseerd, de waarde van vis daalde en er kwamen regels om de visvangst te reguleren. Tegenwoordig moeten vissers een deel van hun vangst weer overboord gooien, vertelt Peadar, een zachtaardige man met een baard zo wit als de schuimkoppen van de oceaan. Veiligheid is een goede zaak, zegt hij, maar het heeft ons teveel gekost. De regulatie is niet te overleven.

Kleine kinderen gaan in het dorp naar school, maar als ze groter worden, moeten ze naar het stadje even verderop. Een paar jaar later gaan ze voor college en universiteit helemaal naar Galway . Daarna vertrekken ze naar Dublin, of verder nog, naar Canada of Australië.

Sommige mensen komen terug, zoals Tina, die achter de bar staat. En er zijn ook mensen als Valery, de blonde, wat versleten vrouw die aan het tafeltje naast de open haard het ene naar het andere glas achterover slaat en mij ervan probeerde te overtuigen dat liefde een leugen is. Haar man deed in vastgoed, en zo is ze vanuit Dublin onbedoeld in deze streek beland. Ze hield van luxe, als ze een mooie jas zag kocht ze er altijd gelijk twee van, en toen ze dertig jaar geleden zwanger werd, was het van een tweeling. Die vent daarboven heeft het beste met me voor, zegt ze. Haar man is enkele jaren geleden overleden. En dat is maar goed ook, want het was een eikel. Ik heb hem vergiftigd, zegt Valery. Dat ging heel gemakkelijk, gewoon wat pilletjes in zijn drankje. Tina, die af en toe haar ogen laat rollen als Valery aan het woord is, lacht hard. Andy, de stille man aan de bar, kijkt mijn kant op en knipoogt.

Michael neem een laatste teug van zijn pint Guinness en vertrekt om zijn bejaarde moeder toe te stoppen. Ook de vrachtwagenchauffeur houdt het ook voor gezien. Valery roddelt nog wat over de mensen hier in de buurt, en die ik de komende dagen zal ontmoeten. Maar mondje dicht, zegt ze, je hebt het allemaal niet van mij.

The stars we see

The plane trees on both sides of the street bow towards each other high above me, as if to shelter us beneath. They are still green, although October is coming to its end. A bit further, a whitebeam’s autumn leaves flame in the morning sun. A beggar sits on a blanket underneath a streetlight, her face is expressionless as the face of a Romanian woman can be. I don’t carry cash with me and I mumble good morning, but the words are lost in the drum rolls of an awakening city. She sits there day in day out, from early morning to evening, when I leave for home.

What enables us to look the other way, I wonder during a lecture on malaria. Four hundred and fifty thousand deaths a year, mainly children, and completely unnecessarily. The disease is preventable and very well treatable. Four hundred and fifty thousand, that’s more than a thousand children every day.

How did we learn to look the other way, I wonder again in the evening, when I listen to Verónica’s voice by a campfire. Her words are like shards, sharpened by her Mexican accent. While the flames are licking the branches, she talks about a man somewhere in Africa who didn’t let his sons go when the army came to recruit them. He was shot dead in front of his boys, and they were taken away. Murdering and robbing became the only way for them to survive. At the age of eighteen one of them was able to leave the army due to a gunshot wound. Supported by a charity he was able to go to school and years later he graduated as a medical doctor. Presently he works with Médicins sans Frontières, as a colleague of Verónica’s.

She speaks of a mission in South Sudan, where she’d seen more misery and injustice than she could believe. While she talks, her fingers touch my arm, as if seeking comfort. She’s not the same person she used to be. According to her friends, her views on the world and her place in it have changed radically. After the mission in South Sudan, she felt depressed for several months. And still she cannot freely enjoy life; it upsets her to see people dump bread into the bin, the careless life in London is unreal to her. Verónica may be traumatised, but she’s also determined to continue her work.

What remains of our humanity after we’ve seen children die of hunger or malaria, problems that should have been solved by now? Is it less painful for an African mother than it is for a European mother? Is their problem also ours?

It gets cold. The branches in the fire have turned to little glowing bricks, the flames have faded. Is it justified to look the other way, I wonder, is it justified to pretend that misery doesn’t exist? How can I walk by a homeless woman in the street? It’s so tempting to believe in progression that stands alone, to think that we have no influence on misery and injustice, and that it will all just simply sort itself out. How else can we spend a few pounds in the pub, aware that a child’s life somewhere in Africa may cost the same. But when you’re out there, there’s no way to deny it.

For most of the people the black reality doesn’t even exist, I tell Verónica. People look away, or they think that it happens in a different world, a parallel universe. Only a small minority feels connected to it, still fewer are willing to give up something in order to reduce the misery of others. How can we ever make a difference?

Look, says Verónica, and she points up into the October night, what is it you see?

I follow her finger and there is nothing but darkness.

But then I become aware of a star, glittering somewhere to the north. And there’s another one!

Almost all of it is dark matter, she whispers. All the stars together don’t even make up a single percent of it. But still… the stars are all we see.

De sterren die we zien

(dit artikel verscheen op opiniewebsite Joop)

De platanen aan weerszijden van de straat buigen hoog boven me naar elkaar toe, als om de mensen bescherming te bieden. Hoewel oktober op zijn eind loopt, zijn de gigantische bomen nog steeds grotendeels groen. Een meelbes even verderop vlamt op in de ochtendzon. Aan de voet van een Londense lantaarnpaal zit een vrouw op een kleedje, haar gezicht is zo uitdrukkingsloos als het gezicht van een Roemeense maar kan zijn. Ik heb geen geld op zak en mompel een groet die verloren gaat in het stadsgeluid. Dag in dag uit zit ze daar, van ’s ochtends vroeg tot ik me in de avond naar huis begeef. Nog nooit heb ik haar geld gegeven.

Hoe lukt het ons om weg te kijken van leed, vraag ik me af wanneer op de cursus tropengeneeskunde een epidemioloog over malaria vertelt. Vierhonderdvijftigduizend mensen per jaar, vooral kinderen, die compleet onnodig overlijden. De ziekte is immers te voorkomen en prima te behandelen. Vierhonderdvijftigduizend, reken ik uit, dat zijn er meer dan duizend per dag.

Hoe lukt het ons om weg te kijken van leed, denk ik opnieuw als ik in de avond aan een kampvuur naar Veronica luister. Door het Mexicaanse accent klinken haar woorden scherp als granaatscherven. Terwijl de vlammen aan de takken likken, vertelt ze over een man ergens in West-Afrika die zijn twee zoons niet wilde laten gaan toen het leger kwam om ze te rekruteren. De vader werd voor het oog van zijn zoons doodgeschoten, de jongens werden meegenomen. Moorden en roven werd voor hen de enige manier om te overleven. Een van de zoons werd op zijn achttiende gered door een kogel in zijn zij: op last van een dokter mocht hij als geïnvalideerde het leger verlaten. Gesteund door een vrijwilligersorganisatie kon hij naar school. Later zou hij zelfs als arts afstuderen. Nu werkt hij bij Artsen zonder Grenzen, als collega van Veronica.

Ze vertelt over haar missie in Zuid-Soedan, waar ze met eigen ogen meer leed en onrecht heeft gezien dan ze ooit voor mogelijk had gehouden. Terwijl ze praat, raken haar vingers af en toe mijn arm aan, alsof ze houvast zoekt. Ze is niet meer de persoon die ze eerder was. Haar vrienden vinden dat ze radicaal is geworden in hoe ze over de wereld denkt. Na haar missie in Zuid-Soedan is ze maandenlang depressief geweest. Nog steeds kan ze niet genieten, ze wordt boos als iemand een stuk brood weggooit, het onbezorgde leven in Londen is onwerkelijk. Veronica is getraumatiseerd, maar ook is ze vastbesloten om terug te gaan.

Hoe hou je jezelf als mens staande als je kinderen ziet doodgaan door honger of door malaria, problemen die er eigenlijk niet meer zouden mogen zijn? Is het voor een moeder in Afrika minder verdrietig om haar kind te verliezen dan voor een moeder in Nederland? En is hun probleem ook ons probleem?

Het is koud geworden. De takken in het vuur zijn veranderd in gloeiende blokjes, de vlammen doven uit. Is het gerechtvaardigd om weg te kijken van leed, vraag ik me af, om te doen alsof het niet bestaat? Hoe kan ik voorbijlopen aan een bedelaar in de straat? Het is zo verleidelijk om te geloven in vooruitgang, om te denken dat we op leed en onrecht geen invloed hebben en dat het zich allemaal vanzelf wel oplost. Alleen zo kunnen we voor een paar euro een biertje drinken, wetend dat een kinderleven ergens in Afrika hetzelfde kost. Maar als je er middenin zit, kun je het leed niet meer ontkennen.

‘Voor de meeste mensen bestaat die donkere werkelijkheid niet,’ zeg ik tegen Veronica. ‘Mensen kijken weg, of ze denken dat het een andere wereld is, een parallel universum ofzo. Een kleine minderheid voelt zich betrokken, nog minder mensen zijn bereid zelf wat in te leveren om het leed van anderen te verlichten. Hoe kan er dan ooit iets wezenlijks veranderen?’

‘Kijk,’ zegt Veronica, en ze wijst de oktobernacht in, ‘wat zie je daar?’

Ik volg haar vinger en tel de sterren.

‘Het is bijna allemaal dark matter, daarbuiten,’ fluistert ze, ‘de sterren maken samen nog geen procent van alle massa uit. Toch zijn het juist de sterren die we zien.’

***

Thijs Feuth is arts en schrijver en hij woont in Fins Lapland. Bij De Arbeiderspers verschenen van hem ‘Zwarte Ogen’ en ‘Achter de rug van God. Een vreemdeling in Lapland’. Momenteel bereidt hij zich in Londen voor op een periode in Malawi.

Arm en rijk

(dit artikel verscheen op opiniewebsite Joop)

‘Lyme is geen ziekte, want je gaat er niet aan dood,’ poneert Tom Doherty provocerend halverwege zijn lezing over tropische infectieziekten. Als een Nederlandse huisarts zich dat zou laten ontvallen, zou je het hem kwalijk nemen, maar dat doe je niet als een oude rot als hij dit zegt. Zijn stelling is gekleurd door een leven lang tropenervaring, waarbij het redden van levens vaak het enige is dat telt, en bovendien is zijn stelling gericht aan artsen die van plan zijn de wereld in te trekken om Ebola, tuberculose en malaria te bestrijden. Wat brengt de tegenstelling tussen geneeskunde in de tropen en die in het rijke Westen beter tot uitdrukking dan wat ik Doherty’s definitie van ziekte ben gaan noemen: een medische conditie waar je mogelijk aan dood gaat?

Drie maanden lang luisteren we van negen tot vijf naar experts die ons bijpraten over allerlei exotische aandoeningen met moeilijke namen, over virussen, bacteriën en parasieten die ontelbare slachtoffers maken maar waar de doorsnee Nederlander nog nooit van heeft gehoord. We brengen lange dagen door in het laboratorium, waar we de malariaparasiet en andere ziekteverwekkers met de microscoop bestuderen. We worden onderwezen in ondervoeding en leren hoe te handelen bij een plotse uitbraken van dodelijke infectieziekten.

In de avonduren vullen we het programma aan met lezingen over armoede of wereldpolitiek, en vanzelfsprekend eindigen heel wat avonden in de pub. Ook de experts die ons onderwijzen schuiven graag aan voor een paar pints, want Londen is Londen en aangezien de wereld niet te redden is, kun je de zorg voor je eigen ziel beter maar niet vergeten.

‘Dit wordt de tijd van je leven,’ werd ons beloofd toen de cursus aanving. Tot nu toe staat die voorspelling nog altijd overeind. Stop maar eens tientallen gemotiveerde artsen met vaak al jaren ervaring bij elkaar, artsen uit veertig landen uit alle delen van de wereld, die zich buiten het gebaande pad begeven voor iets waarvan ze menen dat het er werkelijk toe doet omdat ze epidemiologische getallen uit de tropen voor hen niet over cijfers gaan maar over mensen. Voed ze, die artsen, voed ze met kennis. Waar onderwijs vroeger nog deels als een verplichting voelde – je hoorde immers te studeren – weten we de kennisoverdracht nu op waarde te schatten en wordt uur na uur, dag in dag uit, iedere spreker met luid applaus beloond.

Londen is een stad van tegenstellingen. Terwijl wij in hartje Londen inmiddels inzien dat er de duizenden manieren zijn waarop een paar euro daadwerkelijk verschil kan maken – veel tropische ziekten zijn immers toe te schrijven aan armoede – gaan op luttele kilometers afstand in het economisch centrum Canary Wharf gigantische bedragen van hand tot hand. Op een vrije avond raak ik in gesprek met een vrouw die bij een hedgefonds dagelijks miljoenen Britse ponden verhandelt. Een uitgesproken kans om mijn economische ideeën te toetsen, denk ik. Want als zovelen houd ik er zo mijn theorietjes op na. Ik geloof dat ik begrijp hoe de wereldwijde ongelijkheid in stand gehouden wordt en ik meen dat met enige goede politieke wil aan armoede een eind kan worden gemaakt. Want dat blijft mijn frustratie: tropische ziekten vormen slechts de top van een ijsberg die armoede heet. Hoe denkt deze miljoenenhandelaar over armoede?

Tot een inhoudelijk gesprek komt het echter niet, want de hedgefondshandelaar doet de HIV-epidemie af als een kwestie van Afrikaanse promiscuïteit. Met armoede heeft het volgens haar niets te maken. Wanneer ik mijn gedachten uiteenzet over mogelijke regulering van de internationale markt om sociale zekerheid in arme landen te waarborgen, doet ze die ideeën af als marxistisch. Is onze samenleving dan ook marxistisch, vraag ik me af, omdat we sociale zekerheid kennen en een pensioen? Ik sta werkelijk perplex. Hoe kan iemand in rijkdom handelen zonder te weten wat armoede is?