De stervende

Als ik op zijn kamer kom, bazelt hij maar wat voor zich uit. Ik kijk de verpleegkundige aan, kan zij er wat van maken? Nee, zegt de blik op haar gezicht, hij raaskalt, hij serveert ons een vreemde woordensoep. Ze loopt de kamer uit om koffie voor hem te halen, want dat had zijn zoon opgemerkt: zodra hij koffie proeft, klaart hij op.

Ondertussen leg ik hem opnieuw uit waar hij is, en waarom. Hij heeft kanker. Een kwaadaardig gezwel sluit de luchtweg af, zijn rechterlong doet niet meer mee. Hij grijpt zich vast aan de boei van mijn woorden. Door het koord voorzichtig naar binnen te halen, red ik hem uit de zee van onzin waarop hij ronddobbert.

Hij droogt zich af en komt naast me op het voordek staan. Slurpend aan zijn koffie wijst hij in de verte.

Ik knik. ‘Daar houdt de wereld op,’ antwoord ik op de vraag die hij niet stelt, ‘daar eindigt het bestaan.’

‘Ik weet het,’ zegt hij. ‘Ik voel het in mijn borst en buik. Mijn hele lichaam schreeuwt het uit. De zwaarte drukt op me, ik voel de beklemming, en adem luchtledigheid. Het komt dichterbij hè, met de dag, het uur… We varen er met een rotvaart op af.’

Hij kijkt me aan, haastig ademend. De rimpels liggen dieper in zijn gezicht dan gisteren en zijn ogen zijn kleiner geworden, als uitgebrande kooltjes. ‘Jij bent de kapitein, je kunt me niet laten gaan.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘het is jouw schip. Ik ben hoogstens een stuurman aan wal.’

‘Je hebt al veel schepen die kant opgestuurd.’

‘Het waren onbestuurbare schepen,’ werp ik tegen, ‘net als die van jou. Vaak zinken ze al voordat ze de afgrond bereiken. Want dat onderscheidt ons van de Goden, schreef een Duitse dichter: dat vele golven voor hen al vervloeiden, een eeuwige stroom: ons heft de golf op, de golf verslindt ons, en wij gaan onder.’

‘Ik niet,’ zegt hij met zijn laatste restje trots. ‘De zwaarte klotst tegen mijn lichaam, ik voel dat de zee mijn gedachten probeert mee te trekken de diepte in, maar ik geef me niet gewonnen. Ik wil niet zinken, ik wil de boel besturen, tot de laatste mijl.

‘Het kan de ziekte zijn,’ leg ik hem uit, ‘maar ook de medicatie. Ze brengen je in de war, maar dat maakt niet uit. Het belangrijkste is dat je vrouw en kinderen aan je zijde weet.’

Het is onvoorstelbaar dat hij tot voor kort nog kon doen alsof er niets aan de hand was. Een heel eind in de zeventig maar trotse eigenaar van een bedrijf in de scheepsbouw. Daar heeft zijn zoon me uitgebreid over verteld. Het laatste schip waar hij aan werkte, vaart binnenkort uit naar de Noordpool. Tussen neus en lippen kon ik hem achteraf vertellen over de trots van zijn kinderen, alsof hij daar zelf geen weet van had. Van het ene op het andere moment was hij ziek geworden. Twee weken geleden kreeg hij de diagnose te horen, en nu ligt hij al op sterven.

‘Ik heb een sterke wil. Een onhoudbare levensdrang. Maar natuurlijk, ik begrijp het best. De medicijnen slaan niet aan. Dat ligt niet aan de medicijnen natuurlijk, maar aan de ziekte, die ze niet voor niets kanker noemen.’ Hij sluit zijn ogen en vouwt zijn handen samen onder zijn achterhoofd. ‘Ik vind het moeilijk om het op te geven,’ zegt hij dan, ‘ik wil nog zo graag.’

Ik zeg niets. Hoe bereid je iemand voor op de dood? En moet je dat wel willen? Ik geloof niet dat er een handleiding voor is, en dat is maar goed ook. Iedereen heeft zijn eigen behoeften. De een verkiest de dood met open vizier, de ander overlijdt liever in zijn slaap.

Als een patiënt op sterven ligt, gaat het over de grote vragen. Ze houden me bezig, ik neem ze mee, de vragen die door de dood van God hun antwoorden verloren. Telkens loop ik vast in mijn gedachten, terwijl je aanvoelt dat het antwoord zo voor de hand moet liggen. Het is een strikvraag, besluit ik dan. De dood is een non-existentie, dus kun je er ook nooit iets zinnigs over zeggen. We moeten het dus niet over de dood hebben, maar over het leven. En misschien is het met het leven wel net zoals met de wereld: een horizon die zich steeds maar verplaatst, een ronding die onwaarneembaar is, maar er voor zorgt dat er nooit een eind aan komt.

Ik geloof niet dat de levensdrang van mijn stervende patiënt kwaad kan, denk ik als ik zijn kamer verlaat. Levensdrang is iets anders dan angst om te sterven. Gezien de snelheid waarmee de ziekte hem overvalt, is het bovendien ook niet verwonderlijk dat hij er nog niet klaar voor is. En wie zegt dát je ooit klaar moet zijn voor de dood? Berusting is toch iets heel anders? Misschien zijn we wel nooit klaar om te sterven, misschien is dat een zegen.

Het is niet zo dat we het leven alleen leiden. Steeds meer kom ik tot de overtuiging dat wat we het leven noemen, de geest, minder persoonsgebonden is dan we wel eens aannemen. Onze geest is onze verhouding met de anderen, familie en vrienden, mensen met wie je een band aangaat. Het leven hangt dus als het ware tussen ons in. We beleven elkaar. Want kun je wel van leven spreken als je niet samenleeft? Leven is het zien en het horen, leven is het gesprek en ons verhaal. En, zoals Laura Broekhuysen naar haar dochter fluistert: ‘een verhaal kan toch niet dood?’


Deze column verscheen op Joop.nl

Moederpijn

’Ik kan heel zakelijk zijn,’ zegt ze met strenge blik.

Inderdaad, ze heeft geen traan gelaten. Als ik haar vraag of ik haar dochter moet bellen om die in te lichten over het gesprek dat we hebben gevoerd, reageert ze in eerste instantie afhoudend. ‘Ze heeft volgende week vakantie, misschien is het beter om ermee te wachten.’

Maar dan kijkt ze me vragend aan.

‘Wil je dit helemaal alleen dragen, deze week?’ vraag ik. ‘En kun je dat?’

Er vallen veel stiltes, maar geen gaten. Het zijn doorwaadbare plekken in de stroom van ons gesprek. Zo nu en dan wendt ze haar blik af, ze verbijt de pijn van het slechte nieuws, en een paar tellen later kijkt ze me weer aan. Er lijkt een verwijt in haar blik te schuilen, en dan weer zelfverwijt. Het moet de wanhoop zijn, wie kun je de schuld geven van random leed? Ze haalt een paar keer diep adem, alsof het slechte nieuws daarmee zal verdampen. Haar huid is dof en hangt losjes over haar botten. Ik denk aan wat er door haar heen moet gaan: het ziekbed van haar man, die nog niet zo lang geleden aan kanker is overleden.

‘Ik wil geen pijn lijden,’ zegt ze. En weer dwalen haar ogen af, twee jaar terug in de tijd. Hij had kanker in zijn lever en in zijn botten. Het viel haar zwaar om voor hem te zorgen. Misschien is dat wel haar grootste angst, om hem te zijn. Een hem zonder haar.

‘Bel haar toch maar… En weet je, ik heb nóg een dochter… die is een tijd uit beeld geweest na de dood van mijn man. Maar nu… we hebben wel weer wat contact.’

Ineens is ze geen patiënte met uitgezaaide kanker meer, maar een moeder, een vrouw verscheurd door verdriet om haar kinderen, gekweld door de angst geen goede moeder te zijn geweest en nooit meer de kans te krijgen het tegendeel te bewijzen. Welk aandeel hebben we in het verdriet van een verstoorde onderlinge verstandhouding? Hoe kunnen we toch in de val trappen, hoe kunnen we de genegenheid voor onze naasten zo misverstaan? En hoe kunnen we vergeten wie ons met haar lichaam heeft gevoed?

Mijn kamer is geen werkplek meer, maar een gedeelde ruimte. Ik denk aan mijn broers, zussen, mijn vader en moeder. De Melkweg is geen platte schijf, las ik laatst, maar ik heb geen idee waarom me dat nu te binnen schiet. We zijn nietig in dat grootse geheel, misschien daarom. De wereld, met al zijn beslommeringen: een minuscuul klompje aarde tussen al die donkere materie. Maar de relatie tussen moeder en kind is universeel, groter dan de zwaartekracht die de planeten in hun banen houdt, dan al die sterren in hun weidse verband. De pijn van het baren is voor een moeder nog maar een voorproefje van het leed dat haar te wachten staat.

Ze reikt naar mijn arm. Even is daar de aanraking van een willekeurige moeder en een zoon niet die de hare is. Hoe korter de aanraking, en hoe zachter, des te groter haar effect.

‘Ik hield eigenlijk hier wel rekening mee,’ mompelt ze, ‘ergens wist ik het wel.’

Ik knik. De afgelopen tijd heeft ze nauwelijks kunnen eten. Maar voor al haar gezondheidsklachten had ze een alternatieve verklaring bedacht. Toch wist ze het wel, diep van binnen.

Even later rijd ik haar in de rolstoel terug naar haar kamer. Haar bed kijkt uit over een dak waar bouwvakkers druk bezig zijn hun spullen in bij elkaar te rapen voor het weekend, een toevallige metafoor voor de tijdelijkheid van het leven. Ze neemt plaats op haar bed en ik haak het zakje met vocht uit de longholte aan de bedrand. Iedere handeling, al lijkt die nog zo onbeduidend, staat bol van betekenis.

Misschien ligt de taak van de mensheid en haar wetenschap daarin dat ze de betekenis van de dingen doorziet, de natuurwetten ontrafelt en de dagelijkse dingen beschouwt in een groter geheel want dat wat voor lief genomen wordt, zal altijd betekenisloos blijven.

Voor hen ging het leven gewoon door

‘Dat geeft niet,’ zegt Heli, als ik haar waarschuw dat het even zoeken kan zijn. Ze heeft een zachte stem waar, als je goed luistert, een boventoon van hulpeloosheid in doorklinkt. En dat verbaast me niets. In mijn hoofd som ik de keten van feiten op die haar hier brachten. Het begon een paar jaar geleden met leukemie. Vervolgens gingen de getransplanteerde stamcellen die haar leven moesten redden zich in het voor hun vreemde lichaam opstandig gedragen. Dat vandalisme noemen we graft versus host disease. Haar longen kregen het zwaar te verduren, en ze kreeg venijnige chronische ziekteverwekkers op de koop toe. Nu is Heli vijfentwintig jaar oud en loopt ze rond met zuurstofflessen, áls je het al lopen mag noemen, dat slakkengangetje waarmee ze zich voortbeweegt.

Ik wrijf het gaasje met ontsmettingsmiddel over de binnenkant van haar pols. Een paar tellen glanst haar witte huid. De aders vormen een dicht netwerk, en daaronder loopt de polsslagader die ik moet hebben. De pulserende boodschap die het hart door het lichaam zendt, is duidelijk voelbaar. Het prikken van een arterieel bloedgas, waarvoor je in de slagader moet wezen, is altijd een intiem moment. Omdat ze dieper liggen dan de gewone aders, zijn de slagaders wat lastiger te prikken. Het kan wat pijn doen, zeker als iemand prikt die er weinig gevoel voor heeft. Er zijn mensen die er ooit een traumatische ervaring aan hebben overgehouden. Misschien dat de handeling daarom in ons ziekenhuis is voorbehouden aan artsen.

Als ik weet waar ik moet prikken, wrijf ik nog een keer het natte gaasje over haar pols.

‘Hoe gaat het met je?’ De vraag die me vanochtend bezighield op een moment dat ik die niet kon stellen, lijkt nu uit het niets te vallen.

‘Hoe bedoel je?’

‘Nou, hoe je dit allemaal trekt. Wat kun je doen, en wat niet? Heb je voldoende steun van vrienden?’

Dan schieten haar ogen vol. Nee, die steun heeft ze niet. Vanaf het moment dat ze de diagnose leukemie kreeg, alweer een paar jaar geleden, lieten bepaalde vriendinnen niets meer van zich horen. ‘Alsof ze bang waren voor de ziekte,’ zegt ze. Maar ook toen het acute levensgevaar geweken was, kwamen ze niet meer terug. Misschien schamen ze zich omdat ze hebben laten afweten. Mettertijd verloren enkele andere vriendinnen hun interesse. ‘Door mijn waardeloze longen kan ik heel veel dingen niet meer doen, maar voor hen ging het leven gewoon door.’ Ze zijn met heel andere dingen bezig, druk met werk of met het stichten van een gezinnetje. Heli heeft zelf geen partner. Ze woont nu bij haar opa, want die heeft de hele dag tijd om haar te helpen als het nodig is. Ze heeft een klein netwerk overgehouden, en ze is bang om te veel beroep te doen op die paar overgebleven vrienden. ‘Wie weet wordt het dan ook hun te veel.’

Heli koestert geen wrok jegens de vrienden van ooit, ze kan het ergens wel begrijpen. Ze voelt zich alleen heel eenzaam. We praten over de betekenis van ziekte en we praten over de toekomst. Wat er in het verschiet ligt, is niet donker of licht, maar een soort schemergebied. Het hangt allemaal van haar longfunctie af. Ze weet niet wat ze mag verwachten, maar ze droomt ervan om ooit weer een gewoon leventje te leiden. Daarom volgt ze online cursussen. Wie weet kan ze er ooit weer bij horen.

Ik luister en vul haar gedachten zo nu en dan aan, en ergens in het gesprek heb ik kennelijk kans gezien om dat bloedgasje te prikken, want ik zit met een gevuld buisje in mijn hand. Ik verontschuldig me en sluip de gang op, op zoek naar een verpleegkundige die weet waar ze het buisje met bloed kan afleveren.

Het verhaal van Heli laat me vandaag niet meer los. Het is wreed, maar toch is de reactie van haar vriendinnen zo begrijpelijk, herkenbaar zelfs. We buigen als bloemen naar het zonlicht, en realiseren ons te weinig dat we ons in die beweging van het onheil afwenden. Ja, we zijn als bloemen, maar ook als een kudde op de vlucht. Wie niet kan meekomen, wordt aan zijn of haar lot overgelaten. Misschien schuilt onze wreedheid meer in wat we nalaten, dan in wat we doen.


Deze column verscheen op opiniewebsite Joop.nl

De kleine wonderen van het vak

Meneer Riskilä komt van de intensive care, waar hij ruim een week heeft gebivakkeerd met een buisje in zijn keel. Mechanische ventilatie heet dat, intensivisten zijn nu eenmaal dol op technische terminologie. Mij doet die benaming denken aan een bovenraampje dat wordt opengezet, een raampje om de ziel wat lucht te geven terwijl hij slaapt.

Het gaat gelukkig stukken beter met hem, maar hij is nog steeds verward. Als ik meneer Riskilä vraag waar hij is, antwoordt hij dat hij zich in Stockholm bevindt, hij staat op het punt om met de boot te vertrekken. Dat is het cruiseschip naar Turku, de stad waar we volgens mijn gegevens in werkelijkheid zijn. Dat betekent dat hij in elk geval de goede kant op gaat, en ik maak daaruit op dat het ook met hem de goede kant op gaat, in wanen zit meer wijsheid dan we bevroeden.

Mijnheer Riskilä is wantrouwig jegens de verpleegkundige, al twee dagen weigert hij de pillen die ze hem aanbiedt. Gisteren sloeg hij zelfs van zich af toen ze hem met een vruchtensapje wilde vergiftigen. Hij mompelt dat hij de kapitein is, en dat hij zelf wel uitmaakt wat hij eet. Hij kijkt me aan alsof ik wel begrijp wat hij bedoelt.

‘Laat mij het maar eens proberen,’ fluister ik de verpleegkundige toe. ‘Mannen onder elkaar, dat gaat beter. Hij beweert toch dat hij kapitein is? Een echte vent slaat niet af wat een kameraad hem aanbiedt.’

En warempel, de pillen gaan erin alsof het borrelnootjes zijn. Er is niets zo bevredigend als het vertrouwen winnen van iemand die verward is, vaak lukt het ook mij niet ook al doe ik nog zo mijn best. Soms moet je voor de veiligheid van de patiënt middelen toepassen waar je als zorgverlener voor terugschrikt: een injectie die willoos maakt, of fysieke dwangmiddelen die met allerlei eufemismen worden aangeduid.

Ik ben meneer Riskilä dankbaar, want dit soort kleine wonderen maakt het artsenvak tot een van de mooiste die er bestaan. Voor even leef ik in zijn waanwereld, voor even zijn we twee kapiteins onder elkaar, de afdeling is mijn schip.

Nasibu lacht

Nasibu lacht. Er wordt heel wat afgelachen in Malawi, thuis, op straat, en op het werk. Kinderen rennen stralend naar je toe omdat je er anders uitziet dan de meesten, ze willen je aanraken en daarover opscheppen tegen hun vriendjes. Er wordt gelachen ter groet en ter verontschuldiging, en als er iets ongemakkelijks gebeurt, kun je er ook maar beter om lachen. Jonge vrouwen lachen je geheimzinnig toe, anderen lachen je uit. En als de mensen niet lachen, doen de kleuren dat wel, de doeken die de vrouwen om hun heupen binden, de vogels en de bloemen.

Maar Nasibu’s lach is anders. Zijn ogen en tanden verblinden me met hun witte vrolijkheid. Het is de lach van de wederopstanding. Twee weken geleden stak ik een naald in zijn ruggengraat om wat hersenvocht te oogsten. Nasibu had de behandeling van zijn tuberculose vroegtijdig gestaakt, en na een paar maanden was hij met neurologische verschijnselen weer in het ziekenhuis beland. Ik gaf hem weinig kans op de middag dat het hersenvocht in het buisje liet druppelen. Verschillende tuberculosepatiënten waren me al ontglipt. De ziekte is soms goed te behandelen, maar op de afdeling zie ik vooral de probleemgevallen. Tuberculeuze hersenvliesontsteking betekent dertig procent kans het te overleven, en Nasibu was er slecht aan toe.

Maar vandaag reikt hij met een trage beweging naar mijn hand. Zijn dunne vingers grijpen mijn pols, en op mijn aanmoediging verstevigt hij zijn grip. Eet je goed?’ vraag ik, ‘kun je al overeind zitten?’

Langzaam werkt hij zijn benen over de bedrand, hij rolt zich met vereende krachten op zijn zij en duwt dan zijn bovenlichaam omhoog. Ik kan mijn ogen niet geloven. De mijne niet, maar de zijne wel. Ogen waarin het leven weer een kans heeft gekregen. Hij moest eens weten wat dit voor mij betekent. Want het is niet gemakkelijk, ook voor mij niet, om de moed erin te houden terwijl de een na de ander het loodje legt. Ook vanmorgen joeg een leeg bed me de stuipen op het lijf, tot de verpleegkundige me verzekerde dat de patiënt die daar geleden niet was overleden maar naar huis gegaan.

Nasibu, ik zou hem om de hals willen vliegen. Hij is er nog niet, met zijn armen en benen waar nauwelijks vlees aan zit, met zijn ingevallen gezicht en dat vacuüm gezogen lichaam van hem, maar de goede weg is ingezet. Nu is het puur een kwestie van tijd. Hij moet eten wat hem wordt voorgeschoteld, en zijn organen moeten niet protesteren tegen de dagelijkse cocktail aan hiv- en tuberculosemiddelen.

Nasibu is niet de enige die lacht. Zijn vrouw lacht met hem mee, misschien wel omdat ik wel drie keer vraag of Nasibu zich inderdaad zoveel beter voelt, want goed nieuws is soms zo moeilijk te geloven, en als ik me van Nasibu losmaak, zie ik dat de hele afdeling meegeniet. Misschien put iedereen hier een beetje hoop uit, de hoestende mannen, hun bezorgde partners en familieleden. En zo is de sfeer op de tuberculoseafdeling, waar de armoedeziekte zich vaak zo meedogenloos doet gelden, voor even in overeenstemming met de vrolijkheid buiten.


Deze column verscheen op 5 april 2019 op opiniewebsite Joop.nl

Sterven

Overlijden is het moment waarop afscheid van het leven plaats maakt voor afscheid van de overledene. Al het afscheid samen noemen we sterven, een proces dat inzet bij het eerste moment van liefde, en pas eindigt als de laatste herinnering vergeten is.

Alle hoop is ijdel

In een paar tellen maak ik de stand van zaken op. Anya is amper veertig jaar oud en moeder van vier kinderen. Ze is sinds jaar en dag met HIV besmet maar dat is nu haar grootste probleem niet. Een jaar geleden kreeg ze pijn in haar bovenbuik en sinds een paar maanden kan ze niet meer eten. Aan het begin van het regenseizoen was er op de akkers echter zoveel werk te doen, dat ze thuis niet weg kon. Inmiddels heeft ze veel gewicht verloren. Haar wangen zijn ingevallen, haar lichaam lijkt vacuüm gezogen. In een ziekenhuis op twee uur reizen van het onze, werd de diagnose slokdarmkanker gesteld. Ik hou de röntgenfoto’s tegen het licht van het openstaande raam van de afdeling. Vol afschuw schat ik de afmetingen van de tumor in, waar op de foto een dun lijntje contrast langs sijpelt. In Malawi komen mensen vaak pas naar het ziekenhuis als het al te laat is.

‘Sinds maandag kan ze niet meer drinken,’ fluistert de Malawische coassistent me toe. Dagenlang is Anya’s al afhankelijk van een infuus.

‘Vraag haar eens wat ze over haar aandoening weet. Wat hebben ze haar uitgelegd?’

Niets. Helemaal niets. Anya weet niet wat haar mankeert.

‘Laten we haar meenemen naar het kamertje,’ stel ik voor, ‘dan kunnen we rustig met haar praten.’

Verbaasd zie ik hoe energiek Anya opstaat. Ze haalt de infuuszak van het haakje en loopt ermee naar het kamertje waar we haar gaan uitleggen dat ze binnenkort zal overlijden. De coassistent wil het woord voeren, dus bespreek ik met hem in het kort wat hij haar moet vertellen. We kunnen niets meer voor haar betekenen, we moeten haar voorbereiden op de dood.

In het gesprek legt de coassistent haar echter een heel ander werkelijkheid voor. Een beeld vervuld van hoop, hij spreekt over een vochtinfuus en zelfs de chirurgie komt nog even aan bod. Dit gesprek gaat mis. Ik onderbreek hem en leg hem in het Engels nog eens de situatie uit. Alle hoop is ijdel. De coassistent knikt en gaat verder met het slechtnieuwsgesprek. Maar er verandert niets aan zijn rooskleurige verhaal.

Op het eind van de dag gebruik ik het onderwijsuurtje om met de andere artsen en coassistenten deze casus te bespreken. Hoe brengen we slecht nieuws? ‘Het gaat tegen onze natuur in om iemand met zulk slecht nieuws op te zadelen,’ zeg ik. ‘We willen mensen helpen, ze extra tijd geven, of op zijn minst hoop. Maar dat is een valkuil, want voor je het weet bied je iemand kansen aan die er niet zijn.’

Ik denk dat we er geen onduidelijkheid over moeten laten bestaan. Anya heeft pijn en is afhankelijk van het infuus, dat is geen leven. Als ze weet wat haar te wachten staat, kunnen we de opties met haar bespreken. Wilt ze met een infuus naar huis om de laatste dagen te slijten?

Een paar studenten kunnen zich hierin vinden, maar anderen protesteren. ‘Zeg maar openlijk wat je denkt,’ spoor ik ze aan, ‘en spaar me niet. Het draait om de patiënt, niet om de ego’s van de artsen. De zorgverlener streeft naar de beste van alle mogelijke werelden, en daartoe moet hij kritisch zijn.’

Er ontwikkelt zich een boeiend gesprek. Een student zegt mijn optie wreed te vinden. ‘Anya is moeder van vier kinderen. En als je met haar praat, blijkt ze zo in het leven te staan! Ze vroeg ons om alles te doen opdat ze snel beter zal worden. Voor de dood is zij niet klaar.’

‘Haar ziekte is wreed,’ werp ik tegen. ‘Maar maken we het minder wreed door de dood te verzwijgen?’

Ik heb mijn twijfels over wat ik zeg. Is mijn standpunt wel objectief, of is de dood voor mij bespreekbaar geworden omdat ik als kind de boeken van C.S. Lewis las? In West-Europa rust op de dood niet meer zo’n taboe, maar geldt dat voor ook voor het platteland van Malawi?

‘Als je tegen haar zegt dat ze gaat sterven, ontneem je haar het leven,’ stelt een van de studenten. ‘Ze zullen dat zien als hekserij, ze zullen jou de schuld geven als ze sterft. Over de dood hoor je niet te praten. Beter is te vragen of ze terug wil naar haar dorp. Die vraag impliceert dat we niets meer kunnen doen.’

Dat heb ik eerder al eens gehoord, of misschien gelezen in een van de documenten over de culturele context van gezondheid en ziekte in deze streek. Maar in hoeverre worden individuele psychologische behoeften eigenlijk bepaald door die culturele context? Betekent dat iets ergens ‘normaal’ is automatisch ook dat het het beste is? En maakt de dood hier eigenlijk niet veel meer deel van het leven uit, omdat het veel mensen hier vanwege de armoede vroegtijdig komen te overlijden?

Zonder dood is er geen leven zoals er zonder schaduw geen licht is. Het is eigenlijk bizar hoe moeilijk we daarover doen. In het rijke Europa sterven mensen over de loop van jaren, lang voordat ze doodgaan, maar hier in armoedig Afrika pikt de dood veel jonge mensen uit het leven.

Anya heeft het recht om te weten, maar ook het recht om niet te weten. Eigenlijk zou ik haar willen vragen: wil je weten dat je doodgaat? In plaats daarvan stel ik die vraag aan mezelf – zou ik het willen weten als ik morgen zou sterven? – en dan twijfel ik aan wat me jaren geleden op de Universiteit van Amsterdam is bijgebracht. Het kan wel beter zijn om de dood te aanvaarden als hij met trage schreden nadert, maar misschien is dat heel anders als je kroost om je heen dartelt en alles nog kleur heeft. Dat de vier kinderen hun moeder verliezen is onvermijdelijk. Een Westerse visie op hoe haar laatste dagen eruit moeten gaan zien, neemt dat verlies niet weg. Laat Anya’s laatste dagen dan maar in het teken staan van het leven, in plaats van de dood.