The stars we see

The plane trees on both sides of the street bow towards each other high above me, as if to shelter us beneath. They are still green, although October is coming to its end. A bit further, a whitebeam’s autumn leaves flame in the morning sun. A beggar sits on a blanket underneath a streetlight, her face is expressionless as the face of a Romanian woman can be. I don’t carry cash with me and I mumble good morning, but the words are lost in the drum rolls of an awakening city. She sits there day in day out, from early morning to evening, when I leave for home.

What enables us to look the other way, I wonder during a lecture on malaria. Four hundred and fifty thousand deaths a year, mainly children, and completely unnecessarily. The disease is preventable and very well treatable. Four hundred and fifty thousand, that’s more than a thousand children every day.

How did we learn to look the other way, I wonder again in the evening, when I listen to Verónica’s voice by a campfire. Her words are like shards, sharpened by her Mexican accent. While the flames are licking the branches, she talks about a man somewhere in Africa who didn’t let his sons go when the army came to recruit them. He was shot dead in front of his boys, and they were taken away. Murdering and robbing became the only way for them to survive. At the age of eighteen one of them was able to leave the army due to a gunshot wound. Supported by a charity he was able to go to school and years later he graduated as a medical doctor. Presently he works with Médicins sans Frontières, as a colleague of Verónica’s.

She speaks of a mission in South Sudan, where she’d seen more misery and injustice than she could believe. While she talks, her fingers touch my arm, as if seeking comfort. She’s not the same person she used to be. According to her friends, her views on the world and her place in it have changed radically. After the mission in South Sudan, she felt depressed for several months. And still she cannot freely enjoy life; it upsets her to see people dump bread into the bin, the careless life in London is unreal to her. Verónica may be traumatised, but she’s also determined to continue her work.

What remains of our humanity after we’ve seen children die of hunger or malaria, problems that should have been solved by now? Is it less painful for an African mother than it is for a European mother? Is their problem also ours?

It gets cold. The branches in the fire have turned to little glowing bricks, the flames have faded. Is it justified to look the other way, I wonder, is it justified to pretend that misery doesn’t exist? How can I walk by a homeless woman in the street? It’s so tempting to believe in progression that stands alone, to think that we have no influence on misery and injustice, and that it will all just simply sort itself out. How else can we spend a few pounds in the pub, aware that a child’s life somewhere in Africa may cost the same. But when you’re out there, there’s no way to deny it.

For most of the people the black reality doesn’t even exist, I tell Verónica. People look away, or they think that it happens in a different world, a parallel universe. Only a small minority feels connected to it, still fewer are willing to give up something in order to reduce the misery of others. How can we ever make a difference?

Look, says Verónica, and she points up into the October night, what is it you see?

I follow her finger and there is nothing but darkness.

But then I become aware of a star, glittering somewhere to the north. And there’s another one!

Almost all of it is dark matter, she whispers. All the stars together don’t even make up a single percent of it. But still… the stars are all we see.

De sterren die we zien

(dit artikel verscheen op opiniewebsite Joop)

De platanen aan weerszijden van de straat buigen hoog boven me naar elkaar toe, als om de mensen bescherming te bieden. Hoewel oktober op zijn eind loopt, zijn de gigantische bomen nog steeds grotendeels groen. Een meelbes even verderop vlamt op in de ochtendzon. Aan de voet van een Londense lantaarnpaal zit een vrouw op een kleedje, haar gezicht is zo uitdrukkingsloos als het gezicht van een Roemeense maar kan zijn. Ik heb geen geld op zak en mompel een groet die verloren gaat in het stadsgeluid. Dag in dag uit zit ze daar, van ’s ochtends vroeg tot ik me in de avond naar huis begeef. Nog nooit heb ik haar geld gegeven.

Hoe lukt het ons om weg te kijken van leed, vraag ik me af wanneer op de cursus tropengeneeskunde een epidemioloog over malaria vertelt. Vierhonderdvijftigduizend mensen per jaar, vooral kinderen, die compleet onnodig overlijden. De ziekte is immers te voorkomen en prima te behandelen. Vierhonderdvijftigduizend, reken ik uit, dat zijn er meer dan duizend per dag.

Hoe lukt het ons om weg te kijken van leed, denk ik opnieuw als ik in de avond aan een kampvuur naar Veronica luister. Door het Mexicaanse accent klinken haar woorden scherp als granaatscherven. Terwijl de vlammen aan de takken likken, vertelt ze over een man ergens in West-Afrika die zijn twee zoons niet wilde laten gaan toen het leger kwam om ze te rekruteren. De vader werd voor het oog van zijn zoons doodgeschoten, de jongens werden meegenomen. Moorden en roven werd voor hen de enige manier om te overleven. Een van de zoons werd op zijn achttiende gered door een kogel in zijn zij: op last van een dokter mocht hij als geïnvalideerde het leger verlaten. Gesteund door een vrijwilligersorganisatie kon hij naar school. Later zou hij zelfs als arts afstuderen. Nu werkt hij bij Artsen zonder Grenzen, als collega van Veronica.

Ze vertelt over haar missie in Zuid-Soedan, waar ze met eigen ogen meer leed en onrecht heeft gezien dan ze ooit voor mogelijk had gehouden. Terwijl ze praat, raken haar vingers af en toe mijn arm aan, alsof ze houvast zoekt. Ze is niet meer de persoon die ze eerder was. Haar vrienden vinden dat ze radicaal is geworden in hoe ze over de wereld denkt. Na haar missie in Zuid-Soedan is ze maandenlang depressief geweest. Nog steeds kan ze niet genieten, ze wordt boos als iemand een stuk brood weggooit, het onbezorgde leven in Londen is onwerkelijk. Veronica is getraumatiseerd, maar ook is ze vastbesloten om terug te gaan.

Hoe hou je jezelf als mens staande als je kinderen ziet doodgaan door honger of door malaria, problemen die er eigenlijk niet meer zouden mogen zijn? Is het voor een moeder in Afrika minder verdrietig om haar kind te verliezen dan voor een moeder in Nederland? En is hun probleem ook ons probleem?

Het is koud geworden. De takken in het vuur zijn veranderd in gloeiende blokjes, de vlammen doven uit. Is het gerechtvaardigd om weg te kijken van leed, vraag ik me af, om te doen alsof het niet bestaat? Hoe kan ik voorbijlopen aan een bedelaar in de straat? Het is zo verleidelijk om te geloven in vooruitgang, om te denken dat we op leed en onrecht geen invloed hebben en dat het zich allemaal vanzelf wel oplost. Alleen zo kunnen we voor een paar euro een biertje drinken, wetend dat een kinderleven ergens in Afrika hetzelfde kost. Maar als je er middenin zit, kun je het leed niet meer ontkennen.

‘Voor de meeste mensen bestaat die donkere werkelijkheid niet,’ zeg ik tegen Veronica. ‘Mensen kijken weg, of ze denken dat het een andere wereld is, een parallel universum ofzo. Een kleine minderheid voelt zich betrokken, nog minder mensen zijn bereid zelf wat in te leveren om het leed van anderen te verlichten. Hoe kan er dan ooit iets wezenlijks veranderen?’

‘Kijk,’ zegt Veronica, en ze wijst de oktobernacht in, ‘wat zie je daar?’

Ik volg haar vinger en tel de sterren.

‘Het is bijna allemaal dark matter, daarbuiten,’ fluistert ze, ‘de sterren maken samen nog geen procent van alle massa uit. Toch zijn het juist de sterren die we zien.’

***

Thijs Feuth is arts en schrijver en hij woont in Fins Lapland. Bij De Arbeiderspers verschenen van hem ‘Zwarte Ogen’ en ‘Achter de rug van God. Een vreemdeling in Lapland’. Momenteel bereidt hij zich in Londen voor op een periode in Malawi.

Parels in de zorg

Vanwege een besmettelijke vorm van tuberculose wordt Helmi enige weken in isolatie verpleegd. Dagelijks steek ik me in de groene beschermende kleding om haar te bezoeken. Muts op, plastic bril en een speciale mondkap. Iedere morgen zwaai ik even door het raam voordat ik me in die kleding steek, om haar te laten zien dat ik een echt mens ben en geen buitenaards wezen. Dat is geen overdrijving, want behalve tuberculose lijdt Helmi ook aan Alzheimer. Maar misschien is ‘lijden’ niet het juiste woord: de ene dag lijdt ze wel, maar de andere dag is ze dolgelukkig.

Hoewel de medische noodzaak om haar dagelijks een bezoekje te leveren verwaarloosbaar is, neem ik altijd even de tijd voor haar. Ik vraag haar hoe ze zich voelt en wat ze die ochtend heeft gedaan. Haar antwoorden kunnen verrassen.

Begin deze week vertelde ze dat ze de Schepper had gezien. Dat maakte haar verdrietig, een beetje paniekerig zelfs, ze was bang om dood te gaan. Ik vertelde haar dat ze op de longafdeling was en dat ze de beste zorg van de wereld kreeg, omdat ze dat verdiende. L’oreal voor bejaarden. Ze was de parel van de afdeling, vertelde ik haar. Dat laatste was een halve leugen: ze was niet dé parel, maar een van de parels. Dat is namelijk wat zorgverleners op de been houdt. De ellende van kanker, ernstig invaliderende longziektes, sterfgevallen en soms slopende diensten is alleen te dragen omdat ‘de mens’ als patiënt ertegenover staat. De zorg is waar alle mensen samenkomen, het is een vangnet voor iedereen, wel met een oververtegenwoordiging van mensen met sociaaleconomische achterstand en mensen op leeftijd.

Helmi’s tuberculose heeft ze te danken aan haar jeugd. Destijds kwam tuberculose veel meer voor dan nu, ze raakte besmet maar decennialang heeft ze de bacil op eigen kracht onderdrukt. Een van de kenmerken van ouderdom is dat het immuunsysteem langzaam verzwakt. Daar wacht de tuberculosebacil op, in een holte die hem beschermt tegen de afweer van zijn gastheer. Tuberculose is opgekropt kwaad. In Lapland zijn de meeste tuberculosepatiënten ouderen zoals Helmi, maar de ziekte komt ook voor bij mensen met afweeronderdrukkende medicatie of emigranten uit arme landen waar tuberculose vaak nog welig tiert.

De volgende dag vertelt Helmi me dat ze ’s ochtends broodjes had gebakken. Ze is in een goede bui en biedt me ook wat broodjes aan. We praten even, ik luister naar haar longen en vertel haar welke dag het is. Wanneer ik afscheid van haar neem, tilt ze haar rechterarm met de linkerhand op, om mij de hand te schudden. In haar vingers heeft ze normale kracht, maar in de spieren daarboven niet. Die verlamming is het gevolg van poliomyelitis die ze in haar jeugd heeft doorgemaakt. Behalve een parel, is ze dus ook een infectiologisch museumstuk.

Misschien meer als schrijver dan als dokter vraag haar hoe het haar lukt om broodjes te bakken met de verlamde arm. Neemt ze die verlamming mee in haar fantasie over wat ze die ochtend had gedaan?

‘Ach,’ zegt ze, ‘je leert ermee leven. Kijk, mijn vingers kan ik gewoon bewegen, en voor de rest heeft die arm alleen een steuntje nodig. Iedereen heeft zijn ongemakken, maar door een ongemak hoef je je nog niet te laten beperken. Mij hoor je over mijn arm niet klagen.’

Wat me nog meer raakt dan haar woorden, is de bescheiden uitdrukking op haar gezicht waarmee ze haar verlamming bagatelliseert. Dit is geen confabulatie meer, dit is hoe ze in haar leven haar lichamelijke ongemak een plek heeft gegeven.

Misschien is ze toch dé parel van de afdeling, denk ik als ik de kamer uitga, de beschermende kleren uitdoe en mijn handen was. Ondanks haar vergevorderde dementie, haar algehele zwakte, de verlamming, het feit dat ze feitelijk opgesloten is op de afdeling en ondanks de naderende dood, is ze het leven nog niet verleerd.

Hoe ik van rokers leerde houden

Mevrouw Zwanenmeer kwam twee maanden geleden op mijn polikliniek om de uitslag van de CT-scan te horen. Longkanker. Lymfekliermetastasen.

‘Dus ik ga dood,’ liet ze vallen.

Bij haar moest je niet om de dingen heen draaien, besefte ik. Ze was haar hele leven schoonmaakster geweest. Van smerige dingen zag ze in een oogopslag of het nog op te poetsen viel, of dat het beter kon worden weggegooid. Haar door kanker aangetaste lichaam behoorde tot die laatste categorie.

Vorige week viel me op dat ze moeilijk liep, en een paar uur later moest ik haar vertellen dat ze uitzaaiingen had in het brein.

‘Dan hebben we beiden slecht nieuws,’ zei ze, doelend op haar kamergenoot die eerder die dag een nare diagnose had gekregen.

Weer die nuchterheid! Het deed me perplex staan. Hoe krijg je het voor elkaar om je eigen leed binnen een seconde in perspectief te plaatsen?

Later die dag kwam ik haar op de benedenverdieping tegen toen zij onderweg was naar het rokershuisje om een sigaret op te steken. Ik kwam uit de kleedkamer, in korte broek en mouwloos shirt, klaar om door de bossen naar huis te rennen. De korte groet die volgde, voelde als een intiem moment, alsof we twee acteurs waren die achter de coulissen uit hun rol waren getreden.

Ik was een jaar of zeventien toen ik zelf mijn eerste pakje kocht. Het was een bewuste stap naar volwassenheid. Mijn vrienden rookten, en ik deed met ze mee. Met mijn bijbaantje verdiende ik ondertussen zo veel geld dat ik behalve cd’s ook wel mijn eigen sigaretten kon betalen en dus niet meer hoefde te bietsen bij anderen. Direct nadat ik de eerste sigaret had gerookt, stak ik een tweede op. Dat was immers de vrijheid die ik mezelf kon veroorloven. Drie sigaretten rookte ik op binnen een uur. Maar toen ik de vierde opstak, ging ik ineens over mijn nek, alsof de rook me een acute vergiftiging opleverde. Bij drie-en-een-halve sigaret is het gebleven. Ik gooide het pakje weg en zag dat er nog een andere manier was om volwassen te worden.

Tijdens mijn geneeskundestudie leerde ik dat roken verwerpelijk was. De sigaret is een van de grootste boosdoeners in de geneeskunde, of je het nu over kanker hebt of hart-en-vaatziekten. Roken was niet alleen schadelijk, maar ook een vorm van schuldig gedrag.

Dat wijsvingertje ben ik kwijtgeraakt. Mettertijd ben ik steeds meer van rokers gaan houden. Eerst ging de aangeleerde boosheid over in een gevoel van medelijden. Rokers waren slachtoffers, al zagen ze het zelf niet altijd zo. Rokers waren stuk voor stuk verslaafd, je moest ze tegen zichzelf in bescherming nemen.

Maar ook dat standpunt heb ik verlaten. Zeker, er zijn slachtoffers onder, mensen die liever niet hadden gerookt, maar dat geldt lang niet voor allemaal. Ik ben erachter gekomen dat er eigenlijk heel veel mensen zijn die zomaar kunnen stoppen als ze het daar tijd voor vinden. Roken is voor hen een gewoonte die ze maakt zoals ze zijn, een routine die het leven in een vorm giet, zoals hardlopen door het bos dat doet voor mij. Wie ben ik om iemand te vertellen hoe hij of zij moet leven? Zou ik stoppen met hardlopen als het me levensjaren zou kosten? Ik weet het niet.

Ik ben er sterk voor om het roken zo veel mogelijk te ontmoedigen, en zeker bij jonge, beïnvloedbare mensen. Maar de plannen om roken op straat te verbieden, vind ik erg ver gaan. We doen onze vrijheid geweld aan als we er niet meer in geloven. Ook al is de bedoeling om het roken tegen te gaan, zullen veel rokers het zien alsof niet hun gewoonte maar zijzelf worden afgekeurd, dat het sigarettenverbod net zoiets is als het hoofddoekverbod in verschillende Europese landen, waarbij veiligheidsargumenten worden misbruikt om bevolkingsgroepen te onderdrukken.

Sinds ik het roken heb ontdaan van het morele jasje waarmee het op de universiteit werd aangekleed, lukt het me beter om het roken met patiënten constructief te bespreken. Ik vertel dat ze voor mij absoluut niet hoeven te stoppen, maar dat ik het wel belangrijk vind dat ze zelf een keuze maken waar ze achter kunnen staan, en in die keus wil ik ze steunen als ze dat nodig hebben.

Voor mevrouw Zwanenmeer betekent dat, dat ze blijft roken tot de dood haar die mogelijkheid ontneemt. In termen van overleving is dat geen verstandige keus, maar de krachtige wijze waarop zij de dood in de ogen kijkt en het angstaanjagende ervan met een geroutineerde veeg heeft afgenomen, als stof op een tafelblad, en zoals alleen een schoonmaakster dat kan, geniet mijn bewondering.


Thijs Feuth (1981) is schrijver, marathonloper en werkt als arts in Fins Lapland. Zijn recentste boek is Achter de rug van God, dat in 2017 bij De Arbeiderspers verscheen.

Aan de rand van de wereld begint het echte leven. De Nederlandse arts Thijs Feuth vertrekt met zijn Finse geliefde Laura naar Posio, een dorp diep in Lapland. In Achter de rug van God onderzoekt hij het contrast tussen de wereld waarin hij zich heeft gevestigd en de woelige wereld die hij achter zich heeft gelaten en die nog slechts via de (social) media tot hem komt. De natuur, de mensen van het dorp, het isolement en de strenge winter roepen grote en kleine vragen op over het leven, de maatschappij en zijn verhouding met Laura. De Finse mythologie, heemkundige zaken, hardlopen en langlaufen helpen de schrijver bij zijn zoektocht naar hoe te leven.

Het is goed

Lig je net, word je eruit gebeld. Lichtelijk geïrriteerd ben ik, vooral omdat de verpleegkundige aan de telefoon niet duidelijk kon maken wat nou precies het probleem was. Ik weet dat het niet goed is, geïrriteerd zijn, maar in de lift naar boven heeft niemand er last bij. Tweeënzeventig uur draai ik deze week, waaronder twee nachten, en dat rechtvaardigt mijn irritatie, vind ik. Maar dat is háár schuld natuurlijk niet, denk ik als de lift tot stilstand komt. Als een verpleegkundige je belt, heeft die daar altijd een goede reden voor.

Bij de stroke-unit bekijk ik het hartfilmpje. Linkerbundeltakblok. Een oude bevinding, zie ik als ik het vergelijk met het vorige hartfilmpje. En niet eens pijn op de borst, begrijp ik van de verpleegkundige. Waar was ik dan voor nodig?

‘Wil je hem toch heel even bekijken?’ vraagt de verpleegkundige. ‘Even naar zijn hart of longen luisteren ofzo? Gewoon íéts doen. Hij is zo bang dat hij doodgaat.’

Het gaat om een man van vijfentachtig die door een herseninfarct halfzijdig verlamd is. Als ik naar hem toeloop, schreeuwt hij het bijna uit. ‘Help me, dokter, help!’

Hoewel deels verlamd, is zijn lichamelijke toestand stabiel. De angst op zich is nu het probleem, en zo ziet hij dat zelf ook. Maar of het de dood is, waarvoor hij bang is, weet ik niet.

Wanneer ik vijfentachtig ben, hoop ik dáár in elk geval niet bang voor te zijn. Bij een boswandeling met Eeva hadden we het daar vanmiddag toevallig over. De afgelopen jaren heb ik vaak het gevoel gehad dat ik vroeg zal overlijden. Binnen een paar jaar, zeg maar. Maar beangstigend is die gedachte niet. Integendeel, het lucht me op. De mogelijkheid van een vroege dood ontslaat je van alle verantwoordelijkheid die het leven met zich meebrengt. Als ik morgen dood neer zou vallen, zou het voor mij in orde zijn. Maar als Eeva dat zou doen, sterven, dan niet. Dat zou ik juist heel erg vinden. Egoïstisch eigenlijk, om zo over je eigen dood en dus andermans verdriet te denken. Ik sprak er met Eeva over in de hoop dat het haar ook gerust zou stellen, alvast. Dat áls ik zou doodgaan, dat ze het dan niet zielig zou hoeven te vinden.

En tegelijkertijd vermoed ik dat ik alleen zo over mijn dood kan denken omdat ik weet dat die vroege dood de odds tegen heeft. Met de dood in de ogen, zal ik vast anders piepen.

Over angst vertelde Eeva dat, in hun kindertijd, de grootste angsten van haar broertje konden worden verholpen door hem bij de hand te houden. Dan was hij ineens een held, die nergens meer bang voor was.

Ik moet denken aan meneer V., die met de ambulance een rit van drie uur met de ambulance maakte om in mijn armen te sterven. Althans, dat had zijn vrouw mij achteraf gezegd. Een paar weken eerder had hij op mijn afdeling gelegen met uitgezaaide longkanker. En na een paar weken thuis, kwam hij dus opnieuw naar de eerste hulp. Voor ons beiden was het een emotionele reünie. Hij zat overeind in bed en hapte naar adem. Maar vooral was hij bang, doodsbang.

Met mijn hand op zijn arm ontspande hij. ‘Het is goed,’ zei ik, hoewel ik niet eens wist of er wel iets goed was, en wat dat goede dan was. Maar het kwam aan. Hij had geruststelling nodig, een paar woorden die niets maar tegelijkertijd een hele hoop behelsden. Ik gaf hem zuurstof en wat morfine, en in minder dan een uur was het allemaal voorbij. Zijn vrouw, die hem had nagereisd, kwam aan net nadat hij gestorven was. Ze viel me om de hals en zei dat haar man haar had gezegd dat hij naar Matti moest (zo heet ik voor veel Finnen).

Ik was enorm dankbaar dat ik toevallig op dat moment dienst had op de eerste hulp. Het lot had op dat ene moment mijnheer V. en mij samengebracht. Medisch gezien had ik niets voor mijnheer V. kunnen betekenen, en toch voelde de zorg aan mijnheer V. als een van de belangrijkste dingen die je als arts kon doen. Toch had willekeurig welke arts in mijn plaats kunnen staan, want ik geloof niet dat ik daarin nu beter ben of dat ik liever voor patiënten ben dan een ander. Als er maar iemand was die zich om hem bekommerde. We hebben gewoon allemaal iemand nodig. Door het leven heen kan dat een partner zijn, maar er kunnen best momenten zijn waarop je iemand anders nodig hebt. Een arts, een hulpverlener, of een willekeurige passant.

De herinnering aan mijnheer V. schiet in een moment door me heen als ik op de stroke-unit aan het bed van deze half verlamde patiënt sta. Wederom doodsangst, daar heb je geen stethoscoop of hartfilmpjes voor nodig. Hij praat op luide toon en onrustig. Alleen door stevig te wrijven over zijn schouder en arm, komt hij enigszins tot bedaren. ‘Het is goed,’ probeer ik, zoals toen bij mijnheer V.. De uitwerking van die woorden is niet zo sterk als destijds, maar iets doet het wel. Het is drie uur en de nacht is donker, ook op de stroke-unit. Tijd om te slapen. De eenzaamheid van de nacht kan een oude man in een angstig kind veranderen. Ik pak zijn hand, zoals Eeva bij haar broertje deed, en blijf een paar minuten bij hem staan en wrijf hem alleen maar over zijn arm. En dan sluip ik stilletjes weg.

Meid

Ergens in de loop van mijn eerste jaar als arts-assistent werd ik door mijn leidinggevende op het matje geroepen. Een verpleegkundige had geklaagd dat ik haar denigrerend met ‘meid’ had aangesproken. Het gebruik van dat woord klopte, zei ik, maar het was niet denigrerend of seksistisch bedoeld. Op werk bediende ik me vaker van wat amicaal taalgebruik, en ik dacht dat dat kon omdat mensen op de werkvloer me kenden en zulke woorden dan in perspectief konden plaatsen. Mijn excuses en uitleg werden gelukkig direct geaccepteerd, maar het heeft me toen wel aan het denken gezet en alerter gemaakt op hoe taalgebruik op een ander kan overkomen. Had ik hetzelfde woord durven gebruiken tegen iemand die in de hiërarchie boven me had gestaan? Tien jaar later herinner ik me het kleine incident nog steeds en dus is het een belangrijk leermoment geweest.

Nog steeds is mijn houding op de werkvloer waarschijnlijk net wat lichtzinniger dan dat van mijn meeste collega’s, maar klachten daarover heb ik niet meer gehad. Ik vind het belangrijk dat mensen met plezier naar hun werk gaan, en naast vriendelijke en respectvolle bejegening kan ook humor op de werkvloer daaraan bijdragen. Maar de humor moet wel de juiste zijn. Een grapje kan het ijs breken, en daarom sta ik me ook in het contact met patiënten soms een grapje toe. Hoewel Finnen nu niet bepaald bekend staan om hun humor, valt het eigenlijk altijd in goede aarde.

Uit een recente enquête blijkt dat een derde van de jonge vrouwelijke artsen in Nederland te maken krijgt met seksuele intimidatie, vaak door mannelijke collega’s. Ik durf te wedden dat behalve artsen ook vrouwelijke verpleegkundigen zich door artsen seksueel geïntimideerd kunnen voelen. Daar zitten grove incidenten tussen, maar ik kan me ook goed voorstellen dat de dader zich niet altijd bewust is van hoe iets overkomt. Seksueel getinte opmerkingen of geflirt kun je daarom beter maar vermijden, en bij hiërarchische verschillen moet je extra alert zijn op hoe taalgebruik of gedrag overkomt.

Op onze longafdeling zijn alle specialisten vrouw en alle artsen-in-opleiding man. Mijn opleider, een vrouw van vijfenzestig, noemt ons artsen-in-opleiding vaak pojat, jongens. Hoewel het wat denigrerend kan overkomen, is dat op onze afdeling geaccepteerd, althans, wanneer zij dat zegt. Haar noem ik voor de grap wel eens emäntä, het woord voor een boerin, bazin of de vrouwelijke oudste van een kleine traditionele gemeenschap. Onze emäntä houdt er seksistische ideeën op na: mannen (en zeker mannelijke patiënten) zijn zelden in staat voor zichzelf te zorgen, en als geen vrouw het hen belet, zitten ze aan de alcohol. Vrouwen hebben volgens haar juist vaak weer een neiging tot hysterie, maar het is de man die hen daartoe drijft. En de uitzonderingen bevestigen de regel. Kortom, onze emäntä is zoals ieder mens: we zien onze vooroordelen altijd bevestigd en nooit ontkracht.

Onlangs had ik een patiënt op de afdeling die vanaf het eerste moment boos op me was. Omdat ik een arts was en ook nog eens uit het buitenland kwam. Ik liet hem stoom uitblazen en probeerde erachter te komen wat zijn probleem was met de medicatie die een andere arts hem had voorgeschreven voor zijn kortademigheid. Maar in plaats van te bedaren werd hij alleen maar bozer. Hij wilde ‘het beste medicijn tegen kortademigheid’, dat wil zeggen, het medicijn dat zijn vrouw gebruikte. Omdat ik niet direct wist welk medicijn hij bedoelde, zei hij dat ik geen dokter kon zijn want een dokter zou wel weten wat het beste medicijn was. Waarschijnlijk was ik een ongediplomeerde Rus. Hij liep rood aan en had zijn vuisten gebald, alsof hij er zo op los kon slaan.

Toen werd ik boos. Zoiets hoefde ik me immers niet te laten zeggen en ik liet me niet intimideren. Ik verhief mijn stem en zei dat hij erover na mocht denken of hij mijn behandeling wenste of niet, en toen liep ik bij hem weg.

Direct daarop kreeg ik spijt. Door zijn habitus was ik in de veronderstelling geweest dat hij een man was van primaire reacties, iemand die zich snel opwond en uit zijn slof schoot, en in dat geval vond ik het gerechtvaardigd dat ik hem terechtwees toen hij mij respectloos bejegende. Maar was dat wel zo? Of was hij misschien emotioneel labiel door de medicatie die hij kreeg? Het was niet professioneel dat ik mijn stem had verheven en boos bij hem was weggelopen.

Later op de dag ging ik opnieuw bij hem langs. Zijn vrouw was erbij en hij was gekalmeerd. We hadden een goed gesprek over de medicatie en na afloop maakte ik een relativerend grapje over de confrontatie in de ochtend. De volgende dag kon hij naar huis, met het beste medicijn dat er was. Bij het afscheid drukte hij me stevig de hand en ik wuifde zijn excuses weg. Misschien had hij dat moment van boosheid inderdaad gewoon nodig had gehad, dacht ik. Zijn boosheid kwam voort uit wantrouwen, en met die kennis kon ik begrijpen welke zorg hij precies nodig had. Hoewel een dergelijke confrontatie niet tot de communicatie uit het boekje behoorde, voelden we elkaar goed aan en waren we na afloop tevreden met elkaar. Hij met mij als zijn dokter en ik met hem als zijn patiënt. Ik hou eigenlijk wel van mensen met emotionele reacties, maar mooier is het natuurlijk om zelf geen seconde boosheid te voelen en dus denk ik dat ik me dit incident over tien jaar nog herinner.

Spiegeltje aan de wand

‘…het overgewicht is dus de kern van het probleem.’ Terwijl ik dat zeg, zie ik haar ineenkrimpen. Er zijn geen medicijnen die haar kunnen helpen, ze zal echt moeten afvallen om de decennia waar ze volgens de statistieken recht op heeft te kunnen verzilveren. Pijnlijke knieën, suikerziekte, hoge bloeddruk en slaapapneu. En dus alveolaire hypoventilatie: vanwege het overgewicht schiet de ademhaling tekort, terwijl de longen zelf eigenlijk gezond zijn.

Ben ik te hard geweest, te bot, had ik het woord niet moeten uitspreken? Voor mij is het een medische term, een risicofactor, of zo je wilt een ziekte op zich. Je kunt er wel andere woorden voor verzinnen, maar daarmee verander je de werkelijkheid niet. Tegelijkertijd zijn er veel mensen die ‘overgewicht’ als een synoniem voor ‘falen’ beschouwen: heb je overgewicht dan ben je lui, je eet ongezond, en je hebt geen controle over lichaam en geest. Het negatieve beeld dat aan overgewicht kleeft is misschien wel net zo’n groot probleem als de medische gevolgen van overgewicht, en zo ben ik tot het standpunt gekomen dat de strijd voor acceptatie van overgewicht net zo belangrijk is als de (medische) strijd tégen overgewicht. Maar hoe beweeg je je als arts over de smalle richel tussen die twee schijnbare tegenstrijdigheden?

‘Eigenlijk ben ik heel sportief,’ zegt de vrouw tegenover me. Haar stem klinkt zwak, alsof ze het tegen zichzelf zegt in plaats van tegen mij. Heel even voel ik iets protesteren. Met een BMI van boven de veertig lijdt ze volgens de definities aan morbide overgewicht. Wie probeert ze nou voor de gek te houden, zichzelf of mij? Een fractie van een seconde slechts houdt die vraag me bezig, en toch vind ik het belangrijk om die gedachte hier te benoemen, want ze lijkt heel logisch. Het is echter een gedachtefout, een gapende valkuil, en onbarmhartig ook. In die ene seconde stel ik mezelf tegenover mijn patiënte in plaats van naast haar. Daar komt patiënte noch arts verder mee, en dat is dus precies de reden waarom de strijd voor acceptatie van overgewicht belangrijk is. Geef me daarom één seconde om mijn vooroordeel te overwinnen en ik vraag haar te vertellen over haar sportiviteit en de geschiedenis van haar gewicht.

Als ik de kamer verlaat geloof ik dat ik haar begrijp. Ik zie haar nu zoals ze zichzelf ziet als ze in de spiegel kijkt, als dat meisje van dertig jaar geleden, dat gepassioneerd handbalde, bij een val haar pols brak en sindsdien tegenslag na tegenslag kreeg te verduren. Op dit moment kan ze door de pijn in haar knieën maar korte stukjes lopen.

Ik wou dat ik kon zeggen dat ik haar heb genezen, maar dat is niet zo. Ik heb haar de medische hulp verleend die men van me mag verwachten, maar de mogelijkheden ter ondersteuning zijn bij ons ernstig beperkt. Misschien lukt het haar om af te vallen. Uiteindelijk is het bij overgewicht niet zo dat de dokter de zieke beter maakt. Je moet er zelf mee aan de slag. Toch heb ik het gevoel dat we elkaar wat hebben gegeven als we een dag later met een warme handdruk afscheid nemen bij haar ontslag naar huis.