Spiegeltje aan de wand

‘…het overgewicht is dus de kern van het probleem.’ Terwijl ik dat zeg, zie ik haar ineenkrimpen. Er zijn geen medicijnen die haar kunnen helpen, ze zal echt moeten afvallen om de decennia waar ze volgens de statistieken recht op heeft te kunnen verzilveren. Pijnlijke knieën, suikerziekte, hoge bloeddruk en slaapapneu. En dus alveolaire hypoventilatie: vanwege het overgewicht schiet de ademhaling tekort, terwijl de longen zelf eigenlijk gezond zijn.

Ben ik te hard geweest, te bot, had ik het woord niet moeten uitspreken? Voor mij is het een medische term, een risicofactor, of zo je wilt een ziekte op zich. Je kunt er wel andere woorden voor verzinnen, maar daarmee verander je de werkelijkheid niet. Tegelijkertijd zijn er veel mensen die ‘overgewicht’ als een synoniem voor ‘falen’ beschouwen: heb je overgewicht dan ben je lui, je eet ongezond, en je hebt geen controle over lichaam en geest. Het negatieve beeld dat aan overgewicht kleeft is misschien wel net zo’n groot probleem als de medische gevolgen van overgewicht, en zo ben ik tot het standpunt gekomen dat de strijd voor acceptatie van overgewicht net zo belangrijk is als de (medische) strijd tégen overgewicht. Maar hoe beweeg je je als arts over de smalle richel tussen die twee schijnbare tegenstrijdigheden?

‘Eigenlijk ben ik heel sportief,’ zegt de vrouw tegenover me. Haar stem klinkt zwak, alsof ze het tegen zichzelf zegt in plaats van tegen mij. Heel even voel ik iets protesteren. Met een BMI van boven de veertig lijdt ze volgens de definities aan morbide overgewicht. Wie probeert ze nou voor de gek te houden, zichzelf of mij? Een fractie van een seconde slechts houdt die vraag me bezig, en toch vind ik het belangrijk om die gedachte hier te benoemen, want ze lijkt heel logisch. Het is echter een gedachtefout, een gapende valkuil, en onbarmhartig ook. In die ene seconde stel ik mezelf tegenover mijn patiënte in plaats van naast haar. Daar komt patiënte noch arts verder mee, en dat is dus precies de reden waarom de strijd voor acceptatie van overgewicht belangrijk is. Geef me daarom één seconde om mijn vooroordeel te overwinnen en ik vraag haar te vertellen over haar sportiviteit en de geschiedenis van haar gewicht.

Als ik de kamer verlaat geloof ik dat ik haar begrijp. Ik zie haar nu zoals ze zichzelf ziet als ze in de spiegel kijkt, als dat meisje van dertig jaar geleden, dat gepassioneerd handbalde, bij een val haar pols brak en sindsdien tegenslag na tegenslag kreeg te verduren. Op dit moment kan ze door de pijn in haar knieën maar korte stukjes lopen.

Ik wou dat ik kon zeggen dat ik haar heb genezen, maar dat is niet zo. Ik heb haar de medische hulp verleend die men van me mag verwachten, maar de mogelijkheden ter ondersteuning zijn bij ons ernstig beperkt. Misschien lukt het haar om af te vallen. Uiteindelijk is het bij overgewicht niet zo dat de dokter de zieke beter maakt. Je moet er zelf mee aan de slag. Toch heb ik het gevoel dat we elkaar wat hebben gegeven als we een dag later met een warme handdruk afscheid nemen bij haar ontslag naar huis.

Leefstijl: van patiënt naar mens

Ritva kwam van ver. Wat bracht haar van het dorpje aan de rivier die de grens tussen Zweeds- en Fins Lapland markeert naar hier? Op weg naar mijn polikliniek moet ze tegen de zon in hebben gereden, en als ze straks weer naar huis ging, zou de zon langzaam maar zeker weer recht in haar gezicht gaan schijnen. Een verstokte rookster, las ik in de verwijsbrief… pogingen te stoppen niet gelukt, ondanks medicale ondersteuning… en verderop verslechterende longfunctie… hoest… opgeven van bloed. Dat laatste is de reden dat de arts van het gezondheidscentrum haar doorstuurt. Ik zal moeten onderzoeken of ze longkanker heeft. Vanwege de logistieke problemen bij patiënten die van ver komen, heeft ze de CT-scan en wat andere onderzoeken al gehad voordat ik haar zie.

‘In de onderzoeken is géén longkanker ontdekt,’ zeg ik om maar gelijk met de deur in huis te vallen, want die uitslag zou tussen ons in blijven hangen als ik haar eerst zou bevragen. Door kanker gelijk de deur uit te gooien, lukt hem me om aan te sluiten bij de opgewekte stemming waarmee ze mijn kamer binnenkwam.

‘Gelukkig!’ lacht ze. ‘Ik ben trouwens gestopt met roken.’

Ik probeer de achterdocht te verbergen als ik haar vraag wanneer ze de laatste heeft gerookt. Het zal niet de eerste keer zijn dat een patiënt vertelt dat ze in de ochtend de laatste heeft gerookt. Om een paar dagen later opnieuw te beginnen.

’55 dagen geleden,’ zegt ze glunderend. ‘Ik had een week een vervelende hoest en op een dag zat er een spikkeltje bloed bij. Toen dacht ik ineens, waarom doe ik dit toch? Dus ben ik maar gestopt.’

’55 dagen? Dat is niet niks!’

‘Jawel dokter, dit is pas het begin! En weet je wat het gekke is: het was helemaal niet moeilijk. Van de ene op de andere dag, hupsakee. En ik weet zeker dat het me blijft lukken, ik heb helemaal geen trek meer gehad. Het idee te gaan roken staat me tegen.’

Daarna vertelt ze me dat ze desondanks met haar collega-schoonmaaksters gewoon naar buiten gaat als die er een opsteken. Inmiddels is een collega van haar ook al gestopt. ‘En die anderen, die volgen wel.’

Haar woorden ontwapenen me. Ik kijk naar de stethoscoop van me die op tafel ligt, wat een nutteloos ding. Hier zit ik in mijn witte jas, deel uitmakend van een medisch leger dat van mening was dat haar rookverslaving onbehandelbaar was. Wat doet ze in mijn kamer? Ze is helemaal geen patiënte, nee, ze is een mens. De medicatie die ze voor haar kortademigheid gebruikte, zijn veel en veel minder effectief dan stoppen met roken. En dat is ook precies wat ze vertelt: sinds ze gestopt is, heeft ze de Ventolin niet meer gebruikt, en ze voelt zich sterker dan voorheen. Lichamelijk, maar vooral mentaal.

Het kan dus wel, zeg ik bij mezelf als ik naar huis ga. Zelfs als je eigen arts je een verstokte rookster noemt, als je eigenlijk al bent opgegeven, kun je van de ene op de andere dag stoppen met roken. En wij, zorgprofessionals, hoeven alleen maar toe te kijken. Ritva, die van ver kwam, vertelde me dat ze nooit eerder werkelijk had geprobeerd te stoppen. ‘Ja, de dókter had het geprobeerd, maar ik wílde helemaal niet stoppen. Dat veranderde in die ene week hoest.’ Ze stelde zich voor dat ze ooit afhankelijk zou worden van zuurstofflessen. Dat leek haar maar niks. Waarom rook ik eigenlijk, had ze zichzelf afgevraagd, en daar had ze geen bevredigend antwoord op gevonden.

Het is onvoorstelbaar hoeveel ziekten te maken hebben met levensstijl. Roken, overgewicht en alcohol zijn waarschijnlijk de grootste leefstijlproblemen met medische gevolgen. Suikerziekte, hart- en vaatziekten, slaapapneu, kanker en COPD zijn de bekendste gerelateerde ziekten, maar de problemen sijpelen ook door naar ziekten die je er in eerste instantie niet mee zou associëren. Astma bijvoorbeeld: ongeveer de helft van de mensen met astma en overgewicht, heeft geen astmamedicatie nodig als ze afvallen tot een normaal gewicht. Voor zowel roken, overgewicht als alcoholgebruik bestaan er geen medicijnen of behandelingswijzen die werkelijk wat doen tegen de gevolgen van de ongezonde leefstijl. Men heeft het wel eens over het kostenargument (weggegooid geld), maar eigenlijk is het nog veel erger: de medicijnen werken simpelweg niet. Je kunt een patiënt met overgewicht wel behandelen voor zijn diabetes, slaapapneu, hoge bloeddruk, gewrichtsslijtage, depressie en erectiestoornis, maar dat is eigenlijk gestoord als je weet dat de kern van het probleem het overgewicht is en dat de situatie van al die ziekten zal blijven verslechteren als er niets met dat overgewicht gebeurt. Wie denkt dat ik overdrijf heeft het mis: dit soort problematiek is voor iedere arts aan de orde van de dag, en vaak gaat het hand in hand met relatieve armoede.

Terwijl wij artsen gretig de diagnoses noteren en patiënten ook echt wel vertellen wat de kern van het probleem is, staan we er vaak machteloos bij, of we hebben het gevoel, ook al is dat bij patiënten als Ritva onterecht. In de korte tijd die je op de poli ter beschikking hebt, lukt het vaak net om het probleem aan te kaarten, maar echte ondersteuning geven is lastig. Ik kan doorverwijzen naar een verpleegkundige of een fysiotherapeut, maar is dat voldoende? Bovendien lijkt het voor patiënten alsof gezond eten niet bestaat: het ene moment is vlees uit den boze, een paar jaar later is vlees goed maar zijn de koolhydraten de boosdoener. Is een wijntje per dag nu goed of juist niet?

Uit den boze… boosdoener… goed… De woorden die ik hierboven gebruik, probeer ik op mijn spreekuur zoveel mogelijk te beperken, want ze suggereren dat je als dokter een moreel oordeel velt. Van mij mág een patiënt best roken, en eten wat hij wil. Het is niet de taak van de arts om de patiënt te vertellen wat moet en wel of niet mag, maar je vult de kennis van de patiënt aan met die van jezelf en de uitslagen van de onderzoeken. Soms laat je een patiënt zien dat er opties zijn die hij of zij niet voor mogelijk hield. Het is aan de arts om te motiveren en ondersteunen. Wanneer je echter de leefstijl overslaat, neem je de mens in de patiënt niet serieus.

Misschien vanuit mijn sportieve achtergrond leg ik naast stoppen met roken de nadruk vaak op beweging, maar ik presenteer die optie niet als medicatie. Je behandelt geen ziektes door meer te bewegen en af te vallen, maar je streept ze door op de diagnoselijst. Het is een kwestie van de-medicaliseren, of: gezond worden. Dat het ook echt zo werkt, weten we uit verschillende studies en observaties waarbij patiënten geen medicijn of dokter meer nodig hadden na een succesvolle verandering van leefstijl. Gemakkelijk zal het echter nooit worden, voor de patiënt noch voor de dokter. Vaak is er een life changing event nodig, voor de een is dat het ophoesten van bloed, een ander heeft daar een hartinfarct voor nodig.

Ritva reed die middag de zon achterna terug naar haar dorp. Nu was het eens een patiënt die de dokter hoop gaf, in plaats van andersom. Ik had alle spullen uit mijn witte jas gehaald en op tafel gelegd om te demonstreren dat ik geen medische instrumenten nodig had bij haar. ‘Goed dat je gestopt bent met roken, nu heb je geen dokter nodig. Probeer uit onze handen te blijven, maar schroom niet contact op te nemen als het nodig is.’

(in Nederland is er een groeiende beweging van artsen met oog voor leefstijl, zoals DAI huisartsen, die o.a. seminars en cursussen op dit vlak organiseert)

Onschuldig en ter dood veroordeeld

Met mevrouw Tulvaniemi had ik röntgenologisch kennisgemaakt voordat ik haar de hand schudde. Ze was de avond ervoor met spoed opgenomen op onze longafdeling omdat ze niet meer kon lopen. De CT-scan die direct bij aankomst was verricht, toonde hersenmetastasen, en vanwege afwijkingen op de thoraxfoto was longkanker de hoofdverdachte.

Ze keek van me weg toen ik haar kamer binnenliep. Voor de diagnose had ze geen dokter nodig, zei ze. Ze had haar man, haar broer en zus aan longkanker verloren. Ze rookten allemaal als een ketter en zij ook. Ze wist al wat haar te wachten stond lang voor de eerste tekenen merkbaar waren, ze had gewacht tot het haar beurt was. ‘En vraag me niet waarom ik niet ben gestopt,’ zei ze. ‘Ik heb het geprobeerd, maar het is me gewoon niet gelukt.’

Ze sprak zacht en monotoon, nauwelijks hoorbaar, als om de onmacht tegenover het noodlot in haar stem uitdrukking te geven, en dat maakte nog meer indruk op me dan de medische kant van de zaak. Ik pakte een krukje en nam bij haar plaats. Nog steeds keek ze naar rechts, waar een raam uitzicht gaf op een besneeuwde schoorsteen waar dunne, witte rook uit kwam. De lucht daarboven kleurde rozig van de nog maar net opkomende zon. Ze wist alles wat haar te wachten stond, had ze gezegd. Die woorden dreunden na. Maar was dat wel zo? vroeg ik me af.

‘Je hebt bij je familie gezien wat longkanker kan betekenen,’ zei ik. ‘Mag ik je vragen hoe je tegen de ziekte aankijkt, ben je ergens speciaal bang voor?’

‘Pijn,’ zei ze, ‘De verschrikkelijke pijnen die mijn zus heeft doorstaan voordat ze een jaar geleden stierf.’

‘Dan gaan we ervoor zorgen dat dát je niet overkomt,’ zei ik. ‘Ik kan je niet beloven dat de ziekte geheel pijnloos verloopt, maar we kunnen afspreken dat het voorkomen en behandelen van pijn onze topprioriteit krijgt.’

Ik schrok van de leegte in haar blik toen ze zich naar mij keerde, en de diepe groeven in haar gelaat. We hadden het al over palliatieve behandeling voordat ik haar de exacte diagnose kon vertellen, realiseerde ik me, nog voordat ik wist of er nog mogelijkheden waren om de ziekte zelf te behandelen. Ik was blij dat er die ochtend geen student met me meeliep, want het zou een slecht voorbeeld scheppen van hoe je met een patiënt communiceert. Mijn gevoel zei echter dat het bij haar alleen op deze manier kon.

Twee dagen later zou ik met haar en haar zoon de voorlopige bevindingen bespreken. Alles wees op naar hersenen en botten uitgezaaid kleincellig longcarcinoom, een agressieve vorm van kanker. Telkens als ik die diagnose moet stellen, denk ik kort aan mijn eerste echte coassistentschap, jaren terug, op de interne geneeskundeafdeling van een Nederlands ziekenhuis. In de eerste week werd een vrouw van halverwege de dertig opgenomen vanwege ernstige duizeligheid, en voor het coschap ten einde was, werd haar euthanasie verleend op dezelfde afdeling. Ook zij had een naar de hersenen uitgezaaid kleincellig longcarcinoom.

Verrassend zag ik toe hoe mevrouw Tulvaniemi mijn kamer binnenliep. Niks geen rolstoel meer. De asymmetrie in haar mimiek was verdwenen en ze kwam beter uit haar woorden dan nog maar twee dagen eerder. Haar zoon was van mijn leeftijd of iets jonger, zijn vrouw droeg een baby van misschien een jaar oud op haar arm. Net als mevrouw Tulvaniemi zelf, schoonmaakster van beroep, waren het volkse mensen.

Ik denk dat ik weet hoe een rechter zich moet voelen als die een doodvonnis moet uitspreken, terwijl hij weet dat de vedachte onschuldig is. Toen ik was uitgesproken vormden zich tranen in haar ogen, een intens verdriet, want Finse vrouwen huilen niet gauw. Maar door die tranen heen vormde zich binnen een paar tellen een glimlach. Ik volgde haar blik, die op haar kleindochter rustte, die vrolijk op de tafel sloeg.

Op zo’n moment ben je als mens weerloos, ondanks jaren van de verschrikkingen die je als arts van dichtbij hebt meegemaakt. Drie generaties aan mijn tafel, het geluk van nieuw leven en het verdriet van een ter dood veroordeelde, die haar leven verliest aan haar rookverslaving. Zo overbodig, zo onrechtvaardig ook. Een schoonmaakster, een harde werkster, want zo is het: de lagere klasse is nog altijd kwetsbaarder. Ik zei niks en klemde mijn kaken op elkaar, want zo vecht ik zelf tegen de tranen. Koste wat kost zou ik voorkomen dat mijn patiënte het gevoel zou krijgen dat ze de dokter moest troosten.

Morgen is een grote dag, want dan valt het besluit of de tabaksindustrie in Nederland wordt vervolgd voor het verslaafd maken van jonge mensen. Het is belangrijk dat we kritisch worden tegenover de rol van de industrie, want de tabaksindustrie is net als de wapenindustrie hoogst immoreel. Toch ben ik er ook wat huiverig voor, want wat als de tabaksindustrie niet strafbaar wordt bevonden? Uiteindelijk gaat het mij minder om de strafrechtelijke kant ervan dan om awareness en the way forward, en daar ligt misschien ook wel de grootste kracht van deze aanklacht. Het feit dat beïnvloedbare jongeren extra bescherming verdienen tegen een dreigende rookverslaving, krijgt nu flink aandacht, en ook dat roken meestal een verslavingsprobleem is: een sigaret wordt zelden in vrijheid opgestoken. Het belangrijkste is dat we op alle vlakken de rookverslaving proberen in te dammen, zodat in de toekomst mensen als mevrouw Tulvaniemi en hun kleinkinderen ook van elkaar kunnen genieten.

Mevrouw Tulvaniemi, wat uiteraard haar echte naam niet is, is echter reeds overleden.

Berusting

‘Het is kanker,’ zeg ik. Hij zit overeind in het bed en kijkt me aan. Vanwege zijn ademnood en algehele zwakte vindt dit gesprek hier plaats, op een plek die er eigenlijk niet geschikt voor is. Kanker in de mondholte. Een operatie zou zo’n tien uur duren, daarvoor is hij veel te zwak. We kunnen alleen symptomen behandelen, pijn bijvoorbeeld, maar de ziekte niet.

Het zijn verschrikkelijke gesprekken om te voeren. Syöpä, het Finse woord voor kanker, stamt af van syödä, eten. Je wordt van binnenuit opgegeten. Hoop kan ik hem niet bieden, er is niets dat hem kan redden. Ondanks onze technologische vooruitgang en de enorme stappen die de geneeskunde heeft gemaakt, sta ik met lege handen tegenover de ziekte van deze rendierman, die zijn hele leven lang loodzwaar werk heeft verricht. Het afgelopen jaar vielen zijn tanden er een voor een uit, maar tijd om naar de tandarts te gaan had hij niet. Geld trouwens ook niet. De pijn in zijn mond, die steeds heviger werd, had hij doorstaan. Gezien zijn conditie is het niet voor te stellen, maar tot vorige week was hij nog met zijn dieren in de weer geweest, tot hij flauwviel voor het oog van een buurman en met een ambulance op de eerste hulp werd afgeleverd. En nu ontneem ik hem alles in een paar woorden.

Hij zucht eens en knippert met zijn ogen. Minutenlang zeggen we beiden geen woord. Heeft hij wel begrepen hoe ernstig de situatie is? schiet het door me heen. De tien meter naar de wc zijn hem al te zwaar. Spoedig zal alles voorbij zijn.

‘Het spijt me,’ zeg ik, en ik leg een hand op zijn schouder.

Aan zijn gezicht zie ik dat hij breekt. Die hand op zijn schouder zegt hem meer dan de woorden ‘kanker’, en ‘onbehandelbaar’.

Maar dan slikt hij, en kijkt hij op. ‘Kaikki, mitä elämässä tulee vastaan, on otettava vastaan.’ De dingen op ons levenpad, daar kun je niet omheen.

Een mooie dood

Twee weken geleden waren de kruipbramen op hun best, vorige week de zwarte bosbessen, en nu is het nog een paar dagen wachten op de rode bosbes. Wonderlijk, hoe georkestreerd alles tot bloei en wasdom komt. Ook de herfst, ja, want hoewel we nog net in augustus leven zijn de voortekens er al: de lijsterbes met zijn glansloze rode trossen, de berk met zijn okergele blad. En als ik door de moerassen dwaal, met laarzen die slurpend de bodem zoenen, lijkt de Lapse zomer al wel voorbij. De mossen zijn oranje en rood, er is geen vogel meer te horen. Toch hebben de kleuren nu nog wat feestelijks, nog niet dat melancholische van september of oktober. Het is of ik door een kunsthal loop, een ontzaglijke hal waar alle kunstwerken tot in de kleinste details zijn uitgewerkt en samen een reusachtig geheel vormen, dat ongemerkt maar onmiskenbaar een metamorfose doormaakt, van de kiem naar de dood.

Plots vallen er druppels uit de wolken die zojuist nog van zilver leken, en met de regen wordt alles om me heen net een tint donkerder. Aan de andere kant van het moeras beland ik op een pad, en als de bui steviger wordt, schuil ik onder een katwilg. De euforie van daarstraks, ingegeven door de kleuren van het moeras, verandert in een soort droefheid, maar dan een lichte variant ervan, een droefheid die aan gelukzaligheid grenst. Ik denk aan Paavo Ahrola in het boek Miehen tie (De weg van een man) van Frans Emil Sillanpää, uit de jaren dertig. Paavo Ahrola, voor wie de liefde zwaarder was dan de dood van vrouw en kind. En waarom zou hij niet gelijk hebben, denk ik als de regen is opgehouden. Wegen wij de dood niet veel te zwaar? Natuurlijk is het verdrietig om iemand te verliezen, maar als het nu om jezelf gaat: waarom vrezen we het einde? Niet-leven is toch geen lijden, we hebben toch ook geen slechte herinneringen aan de tijd voordat we leefden?

Kan het overlijden ook mooi zijn? Die vraag houdt me bezig als ik terugwandel naar huis. Want dat is hoe de Skolt-Sami (een Laps volk) dachten over de dood, althans, dat schreef Robert Crottet meer dan zestig jaar geleden in de inleiding van zijn bundel van Lapse volksvertellingen Betoverde bossen (oorspronkelijke titel: Forêts de la lune). Voor de Skolt-Lappen bestonden toen geen vaste grenzen tussen dit leven en dat aan gene zijde. Na het overlijden zou je alleen maar dieper doordringen in de geheimen van een betoverd bos. Het noorderlicht was de dans van de overledenen, die daarmee de poolnacht van de levenden verlichtten.

Dat het leven heilig is en de dood zo’n beetje het ergste wat er bestaat, is een westers idee. Jaren geleden werkte ik in een tropenziekenhuisje in Malawi. Dagelijks overleden jonge kinderen overleden aan ondervoeding of malaria. De moeders waren sterk en lieten zich door de dood van hun kind niet uit het lood slaan. Ik vroeg vrouwen die rondom de bevalling waren opgenomen naar hun sociaaleconomische omstandigheden. De meeste theeplukkersgezinnen moesten rondkomen van zo’n tien euro per maand en vragen naar aantallen van doorgemaakte zwangerschappen, bevallingen en levende kinderen vaak verschillende antwoorden op. Eens legde ik de vragenlijst naast me neer en vroeg ik een patiënte beduusd wat het ergste was dat haar kon overkomen. ‘Dat ons huis door brand wordt verwoest,’ antwoordde ze nadat ze zich even op de vraag had bezonnen. Toen ik haar vroeg of dat erger was dan haar kind verliezen, antwoordde ze dat ze in dat geval opnieuw zwanger kon worden, dus zo erg was dat niet.

Voor artsen is het overlijden zo een beetje de hardste eindmaat die er is. Ons handelen is er vaak op gericht om het overlijden een stukje vooruit te schuiven. De enorme vooruitgang van de medische wetenschap en daarmee onze levensverwachting zette in tegen het einde van de negentiende eeuw, toen Nietzsche’s Zarathustra verkondigde dat God dood was. Dat heeft ongetwijfeld met elkaar te maken, want God’s dood luidde ons individualistische tijdsperk in, de mens moest een levenskunstenaar worden. Het leven werd ons heiligste goed.

Toch geloof ik niet dat het leven eren inhoudt dat we de dood moeten verafschuwen. Nee, de grootste levenskunstenaar maakt van zijn dood een feestje. Tot dat besef kom ik als ik, bijna thuisgekomen, een bloem aantref die in haar bloei gestorven lijkt. Ook de dood kan mooi zijn.

Bloeiende dood, Rovaniemi 2017.

(c) Thijs Feuth

De laatste zorg

‘Hoe is hij eraan toe?’ vraagt ze terwijl het nog nauwelijks tot me is doorgedrongen dat zíj het is die zomaar de traumakamer is binnengekomen, de kamer waar een stille verslagenheid hangt.

Ze kijkt naar mij, niet naar hém, die daar zo stilletjes ligt, grauw, bewegingloos en vel over been. Vanaf het allereerste begin, zeven maanden geleden, is ze al heel nadrukkelijk betrokken bij de zorg. Niet dat ze er enig verstand van heeft, nee, maar dat heeft ze ook niet nodig gehad. Liefde, dat is háár middel, daarmee hield zij hem al die tijd overeind. Met kerst had ze hem naar de gezondheidspost gebracht, ze had zich boos gemaakt toen de dokter hem niet direct naar het ziekenhuis doorverwezen had, maar pas toen de griep na een week nog niet verdreven was en hij met zijn verzwakte hart door de hoge koorts en ademnood totaal afgepeigerd was. Meer dan een maand bivakkeerde hij op de intensive care, werd vervolgens naar de beddenafdeling overgeplaatst om te sterven, maar tot ieders verbazing knapte dat draadje maar niet, dat dunne draadje waarmee hij in de wereld der levenden bungelde. Vanwege verlittekening was de functie van zijn longen zodanig aangetast dat hij continu extra zuurstof nodig had. Hij ontbeerde de kracht om het slijm uit zijn luchtpijp zelf op de hoesten. Wonder boven wonder kon hij na een halfjaar toch naar huis, maar nog geen week later wordt hij met loeiende sirenes weer naar de eerste hulp gebracht.

Het kost me een seconde of wat om het plotse verschijnen van zijn vrouw, juist op dit moment, te verwerken en woorden te vinden. ‘Hij… hij is zojuist overleden.’

‘Nee!’ kermt ze, ‘nee, nee!’ en ze werpt zich om zijn hals.

Met een schok besef ik dat de dood nog zó vers is, dat hij best nog een teug adem kan halen. Misschien is het overlijden nog niet helemaal achter de rug. Sterker nog, ik heb de dood nog niets eens zorgvuldig vastgesteld. Wat had ik dan moeten zeggen? Hij ís aan het overlijden? Natuurlijk, dat was veel beter geweest! Maar ja, daar kom ik nu pas op. Het overlijden is nu eenmaal geen geregisseerde gebeurtenis, het voltrekt zich de ene keer zus en de andere keer zo. Zijn pols was niet meer voelbaar geweest, de ademhaling was gestokt, en omdat met hem was eerder al afgesproken in geen geval te reanimeren kon ik hem alleen maar de tijd geven, die paar minuten die nodig zijn om het hele lichaam tot rust te laten komen.

Gelukkig gebeurt niet waar ik zo voor vrees. Het is alsof hij zich ervan bewust is dat hij daarmee zijn vrouw de stuipen op het lijf zal jagen.

‘Mijn liefje,’ jammert ze, ‘mijn liefje, kom terug. Kom toch terug!’

De wanhoop in haar woorden dringt door merg en been. Tranen wellen in me op bij de warme innigheid waarmee ze zijn hoofd zachtjes oppakt, op zijn voorhoofd kust en hem tegen haar borst aandrukt. Ik denk aan mijn aanstaande huwelijk en wens dat, wanneer het mijn tijd zal zijn, ik op net zo’n manier aan de borst van mijn geliefde zal mogen overlijden.

Ik probeer altijd een zekere plechtigheid in stand te houden als de dood het stokje overneemt bij een van mijn patiënten – nee, dat probeer ik niet, dat gaat vanzelf. Een arts hoort ruimte te geven voor de gevoelens van de nabestaanden, maar het is niet de bedoeling dat de dokter zijn eigen tranen de vrije loop geeft. Ik probeer als het ware een kussentje te bieden, een kussentje voor de steun, een kussentje ter verzachting, een kussentje ook om het overlijden op te presenteren als een kostbaarheid. Toch komt het vaak genoeg voor dat het verdriet zich nestelt in mijn borst, want zo voelt het, de pijn van een koude steen in mijn hartstreek. Want dat is ook zo: als de rol van de dokter is uitgespeeld, is het de mens die ertoe doet. En nu, nu vecht ik tegen de tranen.

De verpleegkundige wrijft over de rug van de vrouw. Zelf sta ik ellendig te zijn aan zijn voeteneind, de armen langs mijn lichaam, armen die aanvoelen als lood, zwaar en onmachtig. Dan draait ze zich naar me toe en valt mij om de hals. ‘Wat fijn dat je hier bent,’ zegt ze. ‘Gisteren was hij nog in zo goede doen, zo gelukkig…’

De volgende dag bel ik haar om te vragen hoe het gaat. Ik heb met de artsen gesproken die nauw bij zijn behandeling betrokken waren geweest. Het mocht een wonder heten dat hij nog een week thuis had kunnen doorbrengen, was de algemene conclusie. Het hele gesprek wacht ik op een vraag waarvan ik vermoed dat die speelt. Ze stelt hem pas als ik hem eigenlijk allang beantwoord heb, om het laatste restje twijfel weg te nemen.

‘Had hij nog geleefd als ik eerder aan de bel had getrokken? Was er dan nog iets aan te doen geweest?’

Dan vertel ik hoezeer ik getroffen was door wat ik de dag ervoor had gezien, de liefde waarmee ze zich had ontfermd over zijn dode lichaam. ‘Als er één ding is waar ik zeker van ben,’ zeg ik, ‘dan is het dat geen duizend dokters en verpleegkundigen de zorg hadden kunnen leveren die hij kreeg in de laatste week van zijn leven, de week dat hij thuis was.’

Dienst

Zaterdagochtend stond ik iets voor negenen onder de douche in het ziekenhuis. Net als op doordeweekse ochtenden was ik hardlopend naar mijn werk gekomen. Maar eenmaal binnen, is het op zaterdag anders. Je bent de enige in de kleedkamer. Ik droogde mij af en keek in de spiegel. Hoewel het nergens voor nodig was, had ik mijn handdoek om mijn middel gebonden. In de spiegel zag ik geen dokter die zich klaar maakte voor zijn dienst op de eerste hulp, maar een bokser in de catacomben. En zo voelde het ook. Je weet nooit wat je tijdens de dienst te wachten staat. Het kan de hele dag rustig blijven, maar je kunt ook direct in een reanimatiesetting terechtkomen. Dan gaat het om leven en dood.

Zaterdag was redelijk te doen, het was druk genoeg om de dag voorbij te laten vliegen, maar het werd geen gekkenhuis. Op het einde moest ik een alcoholist vertellen dat hij kanker had. Verschrikkelijk vind ik dat. Ziektes hebben de laffe neiging zich aan de zwakkeren te vergrijpen. Gelukkig kon ik niet veel later hardlopend naar huis. Na twaalf uur leed doen die paar kilometers in de buitenlucht me goed.

Zondag stond in het teken van rust. Ik had de dag vrij, maar moest in de nacht werken. Zo’n dag leg ik mezelf niets op. ik fietste naar het centrum, zeven kilometer langs bossen, meren, moerassen en de rivier, en ik dacht erover na hoe ik de ideale wereld zag. Als een dag als deze, dacht ik. Ik wens iedereen zo’n fietstochtje toe, de kalmte die ik op dat moment voelde, een gezond lichaam. Had iedereen dat maar. Even later dacht ik dat dat juist het probleem was, we gebruiken teveel ons eigen leven als maatstaf. Er zijn natuurlijk een hele hoop verschillende manieren om het leven invulling te geven. Maar toch, dacht ik toen, er schuilt toch niets verkeerds in dat ik andere mensen toewens om zich net zo gelukkig en in evenwicht te voelen als ik me voel? Het is een soort van dankbaarheid, maar het heeft verder niets te betekenen.

De nacht was pittig. Lastige gevallen, de hele tijd door. Om zeven uur ‘s ochtends was ik zo moe dat ik haast niet meer kon. Een half uurtje gedut, en toen de boel afgerond. Ik kon naar huis en sliep twee uurtjes. Verbijsterend hoezeer je daarvan opknapt. Daarna weer zo’n dag dat niets hoefde. Ik fietste naar de stad, kocht lijstjes voor wat foto’s en ben niet naar de kapper geweest, al was het beter geweest van wel. Er rust een vloek op mijn kappers. Ze gaan failliet, sluiten hun zaak of er breekt een luizenplaag uit. Mijn laatste kapper was met zijn hele gebouw verdwenen. Er werd gebouwd, waarschijnlijk komt een begrafenisondernemer op zijn plek. Geen zin om op zoek te gaan naar een nieuwe, hoewel mijn haar al voor mijn ogen valt. Zo’n dag dus. En toch, volmaakt gelukkig.