De laatste zorg

‘Hoe is hij eraan toe?’ vraagt ze terwijl het nog nauwelijks tot me is doorgedrongen dat zíj het is die zomaar de traumakamer is binnengekomen, de kamer waar een stille verslagenheid hangt.

Ze kijkt naar mij, niet naar hém, die daar zo stilletjes ligt, grauw, bewegingloos en vel over been. Vanaf het allereerste begin, zeven maanden geleden, is ze al heel nadrukkelijk betrokken bij de zorg. Niet dat ze er enig verstand van heeft, nee, maar dat heeft ze ook niet nodig gehad. Liefde, dat is háár middel, daarmee hield zij hem al die tijd overeind. Met kerst had ze hem naar de gezondheidspost gebracht, ze had zich boos gemaakt toen de dokter hem niet direct naar het ziekenhuis doorverwezen had, maar pas toen de griep na een week nog niet verdreven was en hij met zijn verzwakte hart door de hoge koorts en ademnood totaal afgepeigerd was. Meer dan een maand bivakkeerde hij op de intensive care, werd vervolgens naar de beddenafdeling overgeplaatst om te sterven, maar tot ieders verbazing knapte dat draadje maar niet, dat dunne draadje waarmee hij in de wereld der levenden bungelde. Vanwege verlittekening was de functie van zijn longen zodanig aangetast dat hij continu extra zuurstof nodig had. Hij ontbeerde de kracht om het slijm uit zijn luchtpijp zelf op de hoesten. Wonder boven wonder kon hij na een halfjaar toch naar huis, maar nog geen week later wordt hij met loeiende sirenes weer naar de eerste hulp gebracht.

Het kost me een seconde of wat om het plotse verschijnen van zijn vrouw, juist op dit moment, te verwerken en woorden te vinden. ‘Hij… hij is zojuist overleden.’

‘Nee!’ kermt ze, ‘nee, nee!’ en ze werpt zich om zijn hals.

Met een schok besef ik dat de dood nog zó vers is, dat hij best nog een teug adem kan halen. Misschien is het overlijden nog niet helemaal achter de rug. Sterker nog, ik heb de dood nog niets eens zorgvuldig vastgesteld. Wat had ik dan moeten zeggen? Hij ís aan het overlijden? Natuurlijk, dat was veel beter geweest! Maar ja, daar kom ik nu pas op. Het overlijden is nu eenmaal geen geregisseerde gebeurtenis, het voltrekt zich de ene keer zus en de andere keer zo. Zijn pols was niet meer voelbaar geweest, de ademhaling was gestokt, en omdat met hem was eerder al afgesproken in geen geval te reanimeren kon ik hem alleen maar de tijd geven, die paar minuten die nodig zijn om het hele lichaam tot rust te laten komen.

Gelukkig gebeurt niet waar ik zo voor vrees. Het is alsof hij zich ervan bewust is dat hij daarmee zijn vrouw de stuipen op het lijf zal jagen.

‘Mijn liefje,’ jammert ze, ‘mijn liefje, kom terug. Kom toch terug!’

De wanhoop in haar woorden dringt door merg en been. Tranen wellen in me op bij de warme innigheid waarmee ze zijn hoofd zachtjes oppakt, op zijn voorhoofd kust en hem tegen haar borst aandrukt. Ik denk aan mijn aanstaande huwelijk en wens dat, wanneer het mijn tijd zal zijn, ik op net zo’n manier aan de borst van mijn geliefde zal mogen overlijden.

Ik probeer altijd een zekere plechtigheid in stand te houden als de dood het stokje overneemt bij een van mijn patiënten – nee, dat probeer ik niet, dat gaat vanzelf. Een arts hoort ruimte te geven voor de gevoelens van de nabestaanden, maar het is niet de bedoeling dat de dokter zijn eigen tranen de vrije loop geeft. Ik probeer als het ware een kussentje te bieden, een kussentje voor de steun, een kussentje ter verzachting, een kussentje ook om het overlijden op te presenteren als een kostbaarheid. Toch komt het vaak genoeg voor dat het verdriet zich nestelt in mijn borst, want zo voelt het, de pijn van een koude steen in mijn hartstreek. Want dat is ook zo: als de rol van de dokter is uitgespeeld, is het de mens die ertoe doet. En nu, nu vecht ik tegen de tranen.

De verpleegkundige wrijft over de rug van de vrouw. Zelf sta ik ellendig te zijn aan zijn voeteneind, de armen langs mijn lichaam, armen die aanvoelen als lood, zwaar en onmachtig. Dan draait ze zich naar me toe en valt mij om de hals. ‘Wat fijn dat je hier bent,’ zegt ze. ‘Gisteren was hij nog in zo goede doen, zo gelukkig…’

De volgende dag bel ik haar om te vragen hoe het gaat. Ik heb met de artsen gesproken die nauw bij zijn behandeling betrokken waren geweest. Het mocht een wonder heten dat hij nog een week thuis had kunnen doorbrengen, was de algemene conclusie. Het hele gesprek wacht ik op een vraag waarvan ik vermoed dat die speelt. Ze stelt hem pas als ik hem eigenlijk allang beantwoord heb, om het laatste restje twijfel weg te nemen.

‘Had hij nog geleefd als ik eerder aan de bel had getrokken? Was er dan nog iets aan te doen geweest?’

Dan vertel ik hoezeer ik getroffen was door wat ik de dag ervoor had gezien, de liefde waarmee ze zich had ontfermd over zijn dode lichaam. ‘Als er één ding is waar ik zeker van ben,’ zeg ik, ‘dan is het dat geen duizend dokters en verpleegkundigen de zorg hadden kunnen leveren die hij kreeg in de laatste week van zijn leven, de week dat hij thuis was.’

Dienst

Zaterdagochtend stond ik iets voor negenen onder de douche in het ziekenhuis. Net als op doordeweekse ochtenden was ik hardlopend naar mijn werk gekomen. Maar eenmaal binnen, is het op zaterdag anders. Je bent de enige in de kleedkamer. Ik droogde mij af en keek in de spiegel. Hoewel het nergens voor nodig was, had ik mijn handdoek om mijn middel gebonden. In de spiegel zag ik geen dokter die zich klaar maakte voor zijn dienst op de eerste hulp, maar een bokser in de catacomben. En zo voelde het ook. Je weet nooit wat je tijdens de dienst te wachten staat. Het kan de hele dag rustig blijven, maar je kunt ook direct in een reanimatiesetting terechtkomen. Dan gaat het om leven en dood.

Zaterdag was redelijk te doen, het was druk genoeg om de dag voorbij te laten vliegen, maar het werd geen gekkenhuis. Op het einde moest ik een alcoholist vertellen dat hij kanker had. Verschrikkelijk vind ik dat. Ziektes hebben de laffe neiging zich aan de zwakkeren te vergrijpen. Gelukkig kon ik niet veel later hardlopend naar huis. Na twaalf uur leed doen die paar kilometers in de buitenlucht me goed.

Zondag stond in het teken van rust. Ik had de dag vrij, maar moest in de nacht werken. Zo’n dag leg ik mezelf niets op. ik fietste naar het centrum, zeven kilometer langs bossen, meren, moerassen en de rivier, en ik dacht erover na hoe ik de ideale wereld zag. Als een dag als deze, dacht ik. Ik wens iedereen zo’n fietstochtje toe, de kalmte die ik op dat moment voelde, een gezond lichaam. Had iedereen dat maar. Even later dacht ik dat dat juist het probleem was, we gebruiken teveel ons eigen leven als maatstaf. Er zijn natuurlijk een hele hoop verschillende manieren om het leven invulling te geven. Maar toch, dacht ik toen, er schuilt toch niets verkeerds in dat ik andere mensen toewens om zich net zo gelukkig en in evenwicht te voelen als ik me voel? Het is een soort van dankbaarheid, maar het heeft verder niets te betekenen.

De nacht was pittig. Lastige gevallen, de hele tijd door. Om zeven uur ‘s ochtends was ik zo moe dat ik haast niet meer kon. Een half uurtje gedut, en toen de boel afgerond. Ik kon naar huis en sliep twee uurtjes. Verbijsterend hoezeer je daarvan opknapt. Daarna weer zo’n dag dat niets hoefde. Ik fietste naar de stad, kocht lijstjes voor wat foto’s en ben niet naar de kapper geweest, al was het beter geweest van wel. Er rust een vloek op mijn kappers. Ze gaan failliet, sluiten hun zaak of er breekt een luizenplaag uit. Mijn laatste kapper was met zijn hele gebouw verdwenen. Er werd gebouwd, waarschijnlijk komt een begrafenisondernemer op zijn plek. Geen zin om op zoek te gaan naar een nieuwe, hoewel mijn haar al voor mijn ogen valt. Zo’n dag dus. En toch, volmaakt gelukkig.

Dokters huilen niet

Vandaag stond haar naam niet meer op de lijst. Natuurlijk was er de mogelijkheid dat ze was overgeplaatst naar Helsinki, waar ze af en toe naartoe werd gereden – een reis van twaalf uur – maar het lag nu eenmaal in de lijn der verwachtingen dat ze een dezer dagen er niet meer zou zijn.

In de kamer van de verpleegkundigen werd ik bijgepraat. Op mijn vrije dag was het snel bergafwaarts gegaan en op het eind van de middag was ze overleden.

Zij – een meisje van nog geen twintig dat me telkens aan mijn jongste zusje deed denken. Zij, een meisje dat altijd ziek was geweest, twee longtransplantaties achter de rug had en de afgelopen maanden bijna continu in het ziekenhuis had gelegen. Zij, die niet over de dood wilde denken of praten en altijd ihan hyvä, prima, antwoordde als ik vroeg hoe ze het maakte. Maar ze had wel pijn en ze wist dat het einde in zicht was.

En wij, dokters en verpleegkundigen, wij waren machteloos. Wij deden alles om haar leven zo lang mogelijk te rekken. Zelfs in de laatste dagen, toen we er bijna zeker van waren dat ze deze infectie niet meer zou overleven, we bleven haar volstoppen met medicijnen, niet alleen middelen die het leed moesten verlichten maar ook met antibiotica en middelen die de afgestoten long nog zoveel mogelijk moest beschermen. We brachten haar zelfs nog naar de intensive care om onder narcose haar longen schoon te kunnen spoelen, terwijl we vermoedden dat het allemaal niets meer uit zou halen.

Toen ze in slaap werd gebracht zag ik de angst in haar ogen en toen wist ik dat zij besefte dat het hoogstwaarschijnlijk het laatste wakkere moment van haar leven was.

Waarschijnlijk… Het was de onzekerheid die ons dreef, dat verschrikkelijke hellend vlak van hoop naar wanhoop. We zetten in op die paar procent kans dat ze nog een week of hooguit twee zou leven, weken die ze waarschijnlijk toch niet thuis zou hebben kunnen doorbrengen. Nu zie ik pas in hoe onzinnig dat was. Dat is achteraf, maar op dat moment, toen ze in ademnood op bed zat, leek het de enige optie om nog eens alles uit de kast te halen. Zij was nog zo jong, en jonge mensen sterven niet.

Zij dacht er waarschijnlijk anders over, dat realiseerde ik me toen ik die laatste wakkere blik van haar zag. Ze was niet meer bang voor de dood, maar wel voor de machines die haar leven moesten rekken. Toen ik die avond naar huis ging liet het me niet los. Ik had geen energie om te gaan joggen, niet eens om een boek te lezen en in plaats daarvan keek ik een film op televisie.

Manolete, een Spaanse matador, is verslaafd aan zijn angst voor de dood en als Lupe Sino, zijn geliefde, niet bij een stierengevecht is wil hij sterven… Laat het nu juist Penélopez Cruz zijn die Lupe Sino speelt. Schaamteloos heb ik gehuild. Om de film natuurlijk, niet om mijn jonge patiënte, want dokters huilen niet.

Vanochtend, toen ik na de ronde over de afdeling alleen in mijn werkkamer zat, pinkte ik weer een traantje weg, alleen was er nu geen Penélopez Cruz die me een excuus verleende. Ik ging naar het hoofd van de afdeling met het idee om een bijeenkomst met de verpleegkundigen te regelen, want die moeten het er zwaar mee hebben gehad. Ze keek een beetje vreemd op van mijn voorstel. Maak je daar maar niet druk om, zei ze, daar hebben we een protocol voor. Ik droop af maar liep nog wel even langs de verpleegkundigen, en ja, om drie uur ’s middags zou er een bijeenkomst zijn waarbij ook een psycholoog aanwezig zou zijn.

Daar heb ik natuurlijk niets te zoeken, dacht ik bij mezelf, maar besloot toch mee te gaan, en daar zaten we dan, ook ik. ‘Eigenlijk huil ik nooit,’ probeerde ik nog.

Johan Cruijff en zijn moordenaar

In 1991 overleed Queen-zanger Freddie Mercury aan aids, ten gevolge van Hiv-infectie. Dat betekende een keerpunt in de geschiedenis van de ziekte, want ineens raakte ze het hart van de westerse samenleving, terwijl aids voordien voornamelijk een ziekte was van Afrika en van minderheden waarmee de gemiddelde westerling zich niet identificeerde. Vanaf dat moment heeft de sociale acceptatie en de aanpak van hiv en aids grote sprongen gemaakt, waarvan het effect bekend is. Hiv is een behandelbare ziekte geworden en inmiddels daalt het aantal nieuwe infecties wereldwijd.

In 2016 overlijdt Johan Cruijff aan longkanker. Zonder op de hoogte te zijn van de details van zijn ziekte, is er voldoende reden om aan te nemen dat zijn moordenaar Tabak heet. Dat wordt echter in de media verzwegen omdat men bang is de indruk te wekken dat longkanker een kwestie van ‘eigen schuld’ zou zijn. Dat is onterecht, want het lijden aan een ziekte is nooit een morele kwestie. Soms hebben we daar iemand als Freddie Mercury of Johan Cruijff voor nodig om dat in te zien. Hoewel een roker gemiddeld ongeveer tien jaar aan levensduur inboet en daarnaast ook nog eens veel vaker ernstig invalideert, is dat niet waar de roker voor gekozen heeft. De roker kiest voor roken, niet voor de schadelijke gevolgen ervan.

Johan Cruijff was ooit een fervent roker, maar als hij in 1991, het jaar dat Freddie Mercury overlijdt, een bypassoperatie moet ondergaan vanwege kransslagaderverkalking, is dat voor hem reden om te stoppen met roken. Hij neemt deel aan een antirookcampagne, waarin hij zegt: ‘Ik ben Johan Cruijff. Ik ben aan twee dingen verslaafd geweest. Roken en voetbal. Voetbal heeft me alles gegeven in het leven. Roken heeft me bijna het leven gekost.’ De Spaanse versie van de reclame eindigt met de zin Fumar te mata (roken is dodelijk).

Als arts op de longafdeling in een ziekenhuis in Finland word ik dagelijks geconfronteerd met de verschrikkelijke gevolgen van roken. Als ik op de sociale media tabak aanwijs als de moordenaar van Cruijff wordt dat me echter niet in dank afgenomen. Het zijn vooral rokers die het onkies vinden, en als reactie schrijven dat er ‘zoveel in het leven ongezond’ is. Doordat tabak als doodsoorzaak in de taboesfeer wordt gehouden, beseffen mensen niet hoe schadelijk het roken is. Bijna iedere roker gelooft zelf aan de dans te ontspringen daarmee is het roken een lugubere loterij.

In Finland rookte in de jaren ’50 maar liefst tachtig procent van de mannen, tegenwoordig is dat nog maar vijftien procent en bij de vrouwen ligt dat percentage op bijna hetzelfde niveau. De regering heeft een rookvrij Finland als doel gesteld, waarbij het streefpercentage rokers onder de vijf procent ligt. Ook in Nederland is het aantal rokers gedaald, maar het percentage rokers ligt nog altijd boven de twintig procent.

Mede door de sterke tabakslobby sterven in Nederland jaarlijks naar schatting tienduizenden mensen aan de gevolgen van roken. Daarmee is de tabakslobbyist gevaarlijker dan een gemiddelde terrorist. Toch wordt roken niet als een veiligheidsrisico beschouwd. Als reactie op de terroristische aanslag in Brussel schreef Arnon Grunberg op 23 maart in zijn voetnoot: ‘Terrorisme is zelden een reële bedreiging voor staten. Op het hoogtepunt van de Tweede Intifada, toen er elke week een of meer aanslagen in Israël plaatsvonden, merkte een Israëlische minister terecht op dat er nog altijd meer verkeersdoden in Israël vielen dan dat er mensen stierven aan terrorisme.’ Grunberg had even goed met tabaksdoden kunnen vergelijken.

De roker beschouwt het recht op roken soms als een vrijheid, maar als arts stel ik vast dat roken te vaak zijn gevangenis wordt. De keuze om te gaan roken is meestal niet een keuze van rationele afwegingen en dus voldoet die keuze niet aan werkelijke vrijheid, waarbij de consequenties idealiter worden overzien. Ik zie mensen, soms al op jonge leeftijd, lijden en sterven aan tabak. De eerste keer dat ik in Nederland euthanasie meemaakte, was bij een vijfendertigjarige vrouw die vanwege hoofdpijn bij de dokter kwam, wat het gevolg bleek van uitgezaaide longkanker. In enkele weken tijd waren de duizeligheid en pijnen zo hevig dat slechts euthanasie haar uit het lijden kon verlossen. Nu hebben we ook een van onze grote nationale helden aan de tabak verloren. Ik meen dan ook dat ik in de naam van Johan Cruijff zijn moordenaar aan te mogen wijzen: Fumar te mata.

Stemmen

Het meer is zilvergrijs, zijn ijslaag slijt dagelijks en de sneeuw erop is grotendeels gesmolten. Het is tien graden boven nul en de dag duurt achttien uur. De zomer is aangebroken nog voor de winter verstreken is – van een lente heeft men hier nog nooit gehoord.

Toch willen de benen niet. Ik ren over de weg naar Maaninkavaara, de weg naar het noorden, en ik stop af en toe om mijn gedachten te spoelen in de pikzwarte waterstroompjes waar de sneeuw van het moeras in verdwijnt.

Jong was hij, de derde zoon. Nog geen veertig, een leeftijd lager dan zijn BMI. Zijn broers waren reeds overleden, aan alcohol en hartproblemen, maar zijn ouders leefden nog: vader aan de drank, moeder lijdend aan het leven. Hij hoorde stemmen, zei hij op vier mei, stemmen van het lot. Ze zeiden dat de duivel bestond en ook de hel, en dat alles zou eindigen op de vijfde van de vijfde. Geloof die stemmen maar niet, stelde ik hem gerust. Ik schreef hem een medicijn voor dat hem rust zou geven en liet hem naar zijn ouders gaan. De psychiatrisch verpleegkundige was het met me eens: zulke stemmen hoorde hij wel vaker, rust zou hem goed doen. Bovendien had hij een belangrijke taak in zijn leven: zijn ouders begraven als de tijd rijp was. Het mocht niet zo zijn dat ze al hun kinderen moesten begraven. Hij kon dus niet komen te overlijden.

De weg en de bermen zijn sneeuwvrij, en de zuidelijke hellingen van de heuvels ook. Na de haast eindeloze winter gaat het toch ineens snel. Een paar weken geleden kwamen de zwanen, maar toen was alles nog wit. Vorige week volgden de wulpen, en precies zoals het oude Finse spreekwoord luidt was vanaf dat moment het ijs niet meer begaanbaar. Ondanks al dat wonderbaarlijke zijn de benen vandaag krachteloos en lijkt de weg eindeloos te zijn en nergens heen te leiden.

In de ochtend van de vijfde van de vijfde belde de verpleegkundige hem op, de derde zoon. Hij voelde zich een stuk beter, had goed geslapen. Hij voelde dat de rust was weergekeerd. Om negen uur ‘s avonds gaf hij zijn moeder een zoen en ging hij naar bed, zoals iedere andere dag.

De beren zijn reeds uit hun winterslaap ontwaakt, de vogels zijn uit het zuiden teruggekeerd en de wereld krijgt kleur, maar de derde zoon werd nooit meer wakker.

Alles duidt op een hartinfarct, al moet de patholoog nog uitsluitsel geven. Ja, hij had chronisch pijn op de borst, hij bewoog zich voort als een mammoet, traag en steunend, en kon ieder moment het loodje leggen. Geen zelfdoding dus, maar wel een aangekondigde dood. De dokter is ontdaan. Hij hoort nog de stemmen van twee dagen tevoren. Misschien hadden die stemmen wel gelijk, denkt hij, misschien bestond de hel inderdaad: het leven was een hel, en die hel is in de nacht van de vijfde op de zesde opgehouden te bestaan.

Alles lost op

Alweer sneeuw, verzucht ik als ik de luxaflex openschuif. Ik bevind me op de kamer van mijnheer H., een alcoholist die ongeveer eens per maand een paar dagen op de afdeling van de gezondheidspost verblijft vanwege intoxicatie- of ontwenningsverschijnselen. Dit is de eerste keer dat hij behalve alcohol ook een overdosis pillen heeft genomen – hij zag het leven niet meer zitten, maar kreeg al gauw spijt en belde de ambulance.

Houdt de winter dan nooit op, vraag ik in het niets. De verpleegster mompelt dat de winter nog wel een maand of twee kan aanhouden. Vorig jaar sneeuwde het op midzomerdag, vult mijnheer H. aan. Hij zit midden op zijn bed, in kleermakerszit, en hij glimlacht. Het is de eerste keer dat ik hem zie lachen, maar het is een glimlach die het woord geen eer aandoet. Het is een glimlach waarin een noodlottig wereldbeeld verscholen ligt, een glimlach die je misschien bij de koffie op een begrafenis zou verwachten, die vorm krijgt bij een zoete herinnering maar waarin ook de pijn van het verse verlies te lezen valt. Het is een glimlach tegen wil en dank.

In de afgelopen maanden heb ik alle trucs uit de doos gehaald om mijnheer H. het besef bij te brengen dat zijn alcoholgebruik het kernprobleem is, maar zelf ziet hij het anders. Alcohol verzacht de pijn van het leven, zei hij eens. Uiteindelijk heb ik me erbij neergelegd. Mijn omgang met hem is sindsdien steeds vriendschappelijker geworden. Ik behandel hem met evenveel respect als de man van boven de negentig in de kamer naast hem, de man die er prat op gaat dat hij de enige oorlogsveteraan van het dorp is die nog goed ter been is, en aan wie haast niet te merken is dat hij twee weken geleden een groot hartinfarct heeft gehad. Hij drong er vanaf het eerste moment op aan om naar huis te mogen, het liefst met de blitse auto waarmee hij ook naar de gezondheidspost was gekomen, de auto die nu staat te blinken in de zon, want hoewel het sneeuwt, schijnt ook de zon.

Als ik hem naar zijn dagelijkse activiteiten vraag, vertelt mijnheer H. dat hij tweemaal per dag een rondje van twaalf kilometer wandelt. Het  is precies dezelfde route als mijn hardlooprondje in de ochtend: van het centrum van het dorp naar het zuidelijkste punt, waar het kerkje staat, en dan via een ruime ronde om de begraafplaats terug naar het dorp. Gisteren, vroeg in de ochtend, liep ik er met Eeva en vroeg haar even te stoppen. We bevonden ons op een open plek in het bos, het weggetje slingerde goedmoedig over een pittoresk heuveltje waar twee roodgeverfde houten huisjes en een schuurtje staan. Er lag een antieke ploeg aan de kant van de weg bedolven onder een dikke laag sneeuw. De zon kwam juist op, want dat doet ze nu rond zes uur ‘s ochtends, en ik vertelde Eeva dat dit de mooiste plek was waar ik ooit was geweest. Eeva was verrast, maar gaf uiteindelijk toe dat het inderdaad een heel bijzondere plek was. Toen we onze weg vervolgden vroeg ik me in stilte af wat er mis was met mijn smaak.

Als mijnheer H. over zijn wandelingen vertelt is het mijn beurt om te glimlachen. Het is een wandelroute waar ik met plezier mijn lot aan zou verbinden, denk ik bij mezelf. Kan wandelen een alternatief zijn voor drank? Misschien wel, denk ik. Oud-hardlopers eindigen doorgaans als alcoholist, de omgekeerde weg moet dan ook mogelijk zijn. Er zijn ook alcoholisten die gelovig worden en op die manier de fles de rug toekeren – religie als alternatief voor sterke drank. Het is een kiezen tussen kwaden: wandelen, alcohol of religie, een manier om de tijd te vullen die ons rest. Ik staar naar buiten en beweeg mijn lippen, maar geloof niet dat ze me kunnen horen. Misschien prevel ik in het Nederlands, een taal die ze niet verstaan, over de winter die haast oneindig is, over de sneeuw die eeuwig valt, tot ijs wordt samengeperst en dan, als je het eigenlijk niet meer verwacht, oplost in het niets. Al wat lelijk is, is mooi. Pijn is geluk. Met een ruk draai ik me om, naar mijnheer H. en de verpleegster, die me niet-begrijpend aankijken – of vergis ik me? Zien ze de traan, die aan de binnenkant van mijn wang rolt? Het is een traan van geluk, want zon is sneeuw en alles is in beweging, alles draait, danst en verbittert, tot het oplost in de reusachtige oceaan van tijd, waarin herinneringen voortleven als zeeanemonen op de bodem die oneindig diep is.

U mag naar huis, zeg ik tegen mijnheer H., en ik schud hem de hand. Ook de oude man in de kamer ernaast mag naar huis, en dan valt de schemering, midden op de dag. Ik kijk door een oude röntgenfoto naar de zonsverduistering en stel vast dat er van de zon niet veel meer rest, niet meer dan een sikkel, maar even later is het weer volop dag en in de middag, als ik over de verlaten wegen ren, volgt een sneeuwstorm die mijn voetsporen uitwist. Laat me nog eens leven, en nog eens, roep ik, maar er is niemand die me hoort. Dan gaat de storm liggen en trekt de lucht weer open en ligt alles er vreedzaam bij, als de eeuwigheid aan de voet van een berg waarvan de top in misten gehuld gaat.

De rouw

Mevrouw Otter kwam om te sterven. Dat deed ze op respectabele leeftijd, nadat ze vanuit het academisch ziekenhuis naar de beddenafdeling van onze gezondheidspost in Lapland werd overgeplaatst met een luchtbuisje in haar keelgat en een vochtinfuus. In het ziekenhuis was een hersenbloeding vastgesteld die zo groot was, dat zelfs met de hulp van de door haar aanbeden god er niets anders op zat dan het tijdelijke voor het eeuwige te verwisselen. Haar schriele lichaam lag zich aan het luchtbuisje voor te bereiden op die reis.

Het stonk op het kamertje van mevrouw Otter. De zure lucht kwam echter niet van haar, maar van haar zoon, een man van een jaar of vijftig, leren jasje en een door het leven getekend gezicht. Stomdronken was hij. Hij klaagde over het lot van zijn arme moedertje ‘een aangeboren vaatafwijking, zei de dokter’ maar vooral over dat van hemzelf: ingenieur, tot vier jaar terug in Helsinki gewoond en toen terug gereisd naar Lapland om bij zijn moeder in te trekken. En nu lag ze hier. Wat moest hij zonder haar, ook financieel gezien, en hield aangeboren niet in dat de vaatafwijking erfelijk was en zou dus ook hij..?

Drie dagen tevoren had hij zijn moeder thuis aangetroffen, precies zoals ze hier nu lag maar dan zonder adembuisje en infuus. Die hadden ze om de een of andere reden in het academisch ziekenhuis aangebracht. Nadat ze met de ambulance naar het ziekenhuis was weggebracht vergreep zoonlief zich aan de fles. Helder? vroeg de verpleegster, en hij gaf toe, helder vocht had hij tot zich genomen. Sterke drank. Een putki* van drie dagen dus, niet erg lang maar toch leverde het een stinkende sterfkamer op en een huilende vijftiger en als slotakkoord viel hij de verpleegster om de hals. Dank je, stamelde hij, en hij drukte ook mij de hand toen we de kamer met het academische luchtbuisje en de rouwende zoon verlieten om de ronde over de afdeling te vervolgen.

*Namen zijn fictief.

**putki: (letterlijk: buis) een periode van onafgebroken drinken, meestal van sterke drank, kan variëren van enkele dagen tot enkele maanden, op welke wijze volgens authentiek Finse traditie vakantie kan worden doorgebracht, een vreugdelijk feit kan worden gevierd of verdriet kan worden verdronken (deze opsomming is verre van compleet). Een putki kan in eenzaamheid tot stand worden gebracht of in gelijkgestemd gezelschap.