Luiheid

Ik gooide steentjes naar een adder en nadat die zich uit de voeten had gemaakt, wat slangen bij voorkeur spreekwoordelijk doen, schrok ik op bij ieder ritselend blad. Toch dommelde ik in, tot een wurgslang zich om mijn nek drapeerde, wat gelukkig maar een droom was. Daarmee is mijn dag wel zo’n beetje samengevat. Ja, ik heb vanochtend een stukje hardgelopen en vanavond opnieuw, maar ik kwam niet in de buurt van de vijfendertig kilometer die ik voor vandaag in gedachten had. Nog definieer mezelf nog steeds als iemand die minstens honderdvijftig kilometer per week loopt, ook al zijn zulke weken inmiddels een zeldzaamheid.

Wat maakt het uit? Ik heb geen sponsor, geen baas en geen supporters die verhaal komen halen als ik geen deuk in een pak boter loop. Mijn enige ambitie als hardloper is om hard te lopen, en hoewel de kilometeraantallen tegenvallen win ik nog steeds wedstrijden, twee weken geleden zelfs een hele marathon.

Maar wees nou eens eerlijk vent, kijk in de spiegel. Die marathon is het zand dat je de mensen in de ogen strooit en waar je je kop in steekt. Geef toe dat je dat zogenaamde baardje van je alleen groeit om niet te hoeven te zien dat je wangen niet meer ingevallen zijn. Jaren geleden was tweehonderd kilometer in de week je norm, een week van honderdvijftig was een rustweek. Aan het eind van zo’n rustweek liep je je beste wedstrijden. Een uur zeven op de halve, met twee vingers in je neus. Dat was nog maar het begin, zei je, maar verder ben je nooit gekomen. Je liep twee uur drieëntwintig op de marathon terwijl je minstens een minuut aan de kant had gestaan met een krampende maag. Je keek op je horloge en realiseerde dat je nog minuten onder je persoonlijk record zat en dat je nog maar een paar kilometer hoefde uit te sjokken. Twee drieëntwintig, daar haalde je je neus niet voor op, maar daar is het uiteindelijk wel bij gebleven. Dat was alles wat je te bieden had.

En nu? Deze week blijf je steken op honderdnegentien kilometer en je neemt niet eens de moeite om de honderdtwintig vol te maken. Na een dienst van vierentwintig uur jog je over de heuvel naar huis, acht kilometer, en dan ga je de hele dag maffen. Je schrijft en je leest, en je denkt dat als excuus aan te mogen dragen voor het feit dat je een training overslaat. En jij denkt de no-nonsense hardloopmethode te mogen prediken?

Herinner je je nog dat iemand zei dat iedere gezonde vent met een beetje training onder de twee uur twintig kon lopen? OK, je hebt astma, dus je bent niet gezond. Mooi bedacht. Als kind had je astma, maar de laatste aanval van je is alweer jaren geleden en al twintig jaar heb je geen medicijnen nodig gehad. ‘Maar jij wordt toch ook kortademig als je een heuvel op rent,’ vroeg een leeftijdgenoot je laatst. Jij verkneukelde je erom dat hij daadwerkelijk dacht dat kortademigheid bij inspanning hoorde. Weet je nog? Nee sukkel, zonder kortademigheid kun je moeilijk zeggen dat je een astmaticus bent, en dus is dat geen geldig excuus. Je liep nooit onder de twee twintig omdat je er te lui voor bent.

Wat zeg je? Begin je nu over de anderen? Ja, verschuil je maar achter hen, en dat lukt je goed want met een BMI van eenentwintig kun je je achter de eerste de beste gemakkelijk verschuilen. De anderen dus. Inderdaad, het overgewicht van vandaag de dag is ten eerste en bovenal een symptoom van luiheid (taboetje). Wat overigens niet wil zeggen dat dikke mensen luier zijn dan dunnen. Nee, de aanleg tot dikheid is grotendeels aangeboren. Er zijn zat luie mensen met een slank figuur en er zijn evenveel dikke mensen die minder eten en meer bewegen dan gemiddeld. Bovendien slepen dikke mensen nou eenmaal meer gewicht met zich mee. Vul je rugtas dus met lood en dan weet je waar je over praat. De luiheid is wel de belangrijkste oorzaak om de aanleg tot overgewicht tot bloei te laten komen, laat ik het zo uitdrukken, maar dikke mensen zijn niet of niet per se luier dan dunnen. Ook dat excuus van je kan dus in de prullenbak.

De luiheid zit in de natuur van de mens en het is onze luiheid die ons aanzet tot uitvinding na uitvinding. We zitten liever achter de knoppen dan dat we onze handen uit de mouwen steken, we zijn liever slim dan sterk. Vooruitgang, weet je wel. Vooruitgang in de automatische piloot, zonder te zweten. Diezelfde luiheid heeft diëtisten uitgevonden. Ja, paradoxaal genoeg is het hun brood, en omdat ook zij liever hun boterham beleggen verkopen ze hun praatjes duur. Maar dik zijn heeft met een dieet weinig te maken, dat weet je ook wel. Toegegeven, een dieet kan helpen om een beetje af te vallen, denk maar aan die uitgemergelde alcoholisten, maar je wordt er niet veel gezonder van. Diëten is een poging om luiheid te compenseren. Maar als je niet voldoende beweegt worden je botten broos en verandert je hart in een slap en vormloos zakje dat nog het meest doet denken aan een dichtgeknoopte condoom.

Men heeft het over een suikertax om de schuld te geven aan gekoelde halveliterflesjes met bubbeltjes, want de schuld moet altijd buiten onszelf liggen, zeker in deze tijd. Maar die flesjes zijn gevuld met jouw brandstof. Bij je zomerse lange duurloop neem je een paar munten mee om onderweg een flesje cola te kopen, die je in een teug leegdrinkt, waarna je een overtuigende boer laat en vervolgens de overgebleven kilometers verorbert als vormen die samen een ijsdessert. De suikertax is een onrechtvaardige poging van politici om hun eigen luiheid financieel te belonen. Degene die lange duurlopen voltooit heeft immers meer cola nodig.

Je hebt nu drie weken vakantie, kerel, en in die drie weken heb je geen excuus. Als je de vijfentwintig kilometer per dag niet haalt, heb je geen recht van spreken meer. Dat zou betekenen dat je ingewanden al aan het verrotten zijn terwijl het van buiten lijkt dat je nog leeft. Ik zou het je vergeven als je rookte, of als je een overtuigd alcoholist was. Ja, misschien moet je dat maar doen, jezelf doelbewust en met overgave ten gronde richten. Als je niet onder de twee twintig loopt kun je jezelf altijd nog een vent noemen als je tien bier per dag drinkt. Laatst hoorde ik over een Fin die beiden deed. Het viel zijn kameraden op dat hij op een trainingsstage van drie weken zeshonderd kilometer had gelopen en tweehonderd bier verorberde. Vijf na de ochtendtraining en vijf na de avondtraining. Hij sliep er goed op, zeiden ze. Eén dag – dat heb je goed uitgerekend – dronk hij op last van de trainer water in plaats van bier maar dat heeft hij moeten bekopen. Zijn maag lag overhoop. Hij genoot aanzien onder de atleten, en vooral vanwege de drank die hij tot zich nam.

Omdat je een nietsnut bent, die ook nog eens het schrijvertje wilt uithangen, mag je kiezen. Of je zuipt je het leplazarus of je gaat weer eens hardlopend aan de bak. Vijfentwintig per dag. Gemiddeld. Knoop dat in je oren. 

Trail

Wat is er nou mooier dan hardlopen over wandelpaden door de ruige wildernis? Na jaren om verschillende redenen niet aan een trailwedstrijd te hebben meegedaan, moest het er nu maar eens van komen. Zelfs Eeva voelde ervoor en dus stuurde ik een mailtje naar de organisatie van de Karhunkierros, want de officiële inschrijfperiode was al verlopen. Op Facebook waren kaartjes te krijgen van afhakers, was het antwoord, maar we konden ons ook rechtstreeks aanmelden: 99 euro voor de 31 km die Eeva wilde lopen en 119 euro voor de 51 km die ik van plan was.

Karhunkierros

Ondertussen waren we al onderweg om een week eerder het parcours te verkennen. We parkeerden bij het startpunt van de 31 km in Juuma, waar het cafeetje nog niet voor het zomerseizoen geopend was. Met een slechts ten dele gevulde maag en rugtasjes die we op onze bruiloft van Gert-Jan Wassink en zijn vrouw Veerle gekregen hadden, voorzien van flesjes met water dat onderweg al lauw was geworden, gingen we op pad. We beklommen steile heuvels en rotsen, vergaapten ons aan watervallen en aan de loop van de rivier in het filmische heuvellandschap. Bijna alle sneeuw was gesmolten en de route was grotendeels goed begaanbaar. Af en toe kwamen er lange zoldertrappen aan te pas, houten stellages waar af en toe een trede uit miste, die je tientallen meters hoger of lager brachten.

Na een kilometer of acht gaf Eeva aan dat ze het behoorlijk pittig vond. Of we niet de korte ronde konden nemen, van 12 kilometer. Maar dat was voor mij geen optie.

Af en toe pauzeerden we. Ik herinnerde Eeva eraan dat we weinig water hadden en nog een lange weg te gaan, toen ze haar gezicht koelde met water uit een flesje. Daar kreeg ik een boze blik voor terug.

Het landschap veranderde. Doordat de sneeuw nog maar net gesmolten was, was het veen moerasachtig. We sprongen van graspol naar graspol maar natte voeten waren niet te voorkomen.

Eeva drinkt uit een beekje

Halverwege de route dronken we van een snelstromend beekje. Koud water dat smaakte naar mineralen en bos. Even verder liep het pad dood, maar met behulp van de wandelkaart die we bij ons hadden vonden we zonder problemen de weg terug. Juist bij dat hemels riviertje hadden we een bordje niet opgemerkt.

Een lange trap omhoog en spectaculaire vergezichten. Het was onvoorstelbaar hoe groen alles plotseling was, nauwelijks twee weken na de lange winter. Terwijl de route vorderde, veranderde het humeur van Eeva. Ze was moe en leeg, en dat was mijn schuld. Ze had duidelijk op tijd aangegeven dat 31 kilometer vandaag te lang was. Ik weet dat ik eigenlijk een nazi ben of een slavendrijver, of toch gewoon een slaaf van de ongezonde drang om altijd tot het uiterste te gaan. Ik moedig haar aan en noem haar stoer en sexy, maar als ze gaat wandelen schiet ik uit mijn slof. Wandelend zijn we nog uren onderweg, we zullen vergaan van de honger en dorst. Zo wordt ergens in de wildernis de vredigheid verstoord door twee mensen die naar elkaar schreeuwen. We haten elkaar en gaan scheiden zo gauw we terugkomen in de mensenwereld, áls we die tenminste levend bereiken.

We komen weer in beweging op het pad dat steeds moeilijker begaanbaar wordt. Als Eeva voor de derde keer valt over een steen en schreeuwt van de pijn, mag ik haar niet naderen. Ik ben een lul. Toch rent ze verder, over de vermoeidheid geen woord. In stilte bewonder ik haar om haar doorzettingsvermogen. Ik vergeet wel eens dat ik qua hardlopen voor mezelf vrij extreme normen heb, en dan denk ik bij mezelf dat zij lui is. Maar niets is minder waar.

Ook bij haar is de boosheid gezakt. Als we met nog zes kilometer te gaan een weg oversteken, stel ik voor om een taxi te bellen, maar dat doe ik op zo’n manier dat ik weet dat Eeva daar nooit mee zal instemmen.

Onderweg denk ik aan een van mijn eerste lange duurlopen, als student in mijn eerste paar hardloopschoenen. Ik liep met een groepje van vier of vijf doorgewinterde hardlopers, waaronder Paul Koorn, twee uur door de Kennemerduinen. Toen we terugkwamen bij de auto waren de stroopwafels zo hard bevroren, dat je er geen hap van kon nemen. Dát was het, zo moest het, keer na keer. Ik geloof dat die ervaring mij als hardloper heeft gevormd.

Uitkijkend over Lapland vanaf Valtavaara

De Valtavaara, de laatste heuvel in de route, is het meest extreme wat ik semi-hardlopend heb gedaan. Semi omdat er van hardlopen vaak geen sprake is: ik trek mezelf aan touwen omhoog langs een steile route met losse stenen. Zoals vaker het geval is, blijkt iedere keer als je de top hebt bereikt, de echte top nog een heel eind verder en significant hoger te liggen. Zoals echter zelden het geval is, is die echte top alleen te bereiken door weer een stuk steil naar beneden en steil omhoog. Desondanks heeft Eeva haar vermoeidheid overwonnen en is ons huwelijk gered. We kunnen er zelfs om lachen hoe onze crises ontstaan door fysieke beproevingen, het moet iets met oeroude evolutionaire mechanismes te maken hebben.

Maar dan is het einde in zicht. Althans dat denken we. Er is nog een onvoorziene skiheuvel waar we tegenop moeten: Rukatunturi.

Het skidorp Ruka is uitgestorven. Gelukkig leeft de taxichauffeur nog en is er een bar waar we een ijsje kopen en een flesje Seven-up, maar het duurt tot laat op de avond voor we ergens bij een wegrestaurant een opgewarmd stokbroodje naar binnen werken.

Het antwoord van de organisatie over de inschrijving voor de trailwedstrijd een week later, had ik echter nog onbeantwoord gelaten. Ik maakte me enigszins zorgen om de veiligheid als ik op mijn hardst die zoldertrappen nam die ik nu voetje voor voetje afgedaald had. Maar dat was overkomelijk. Wat me meer tegenstond was al het gedoe dat erbij kijken kwam als je mee wilde doen. Zo zou worden gecontroleerd of je wel over de juiste equipement beschikte, waarvan de helft me overbodig leek of juist ontoereikend in geval van nood. Je moest zo-en-zoveel drank bij je hebben en dat mocht geen wodka zijn, en ook nog eens energierijke voeding met een bepaald aantal calorieën, terwijl zelfs magere types als ik genoeg vet hebben om duizend kilometer op te teren.

De twijfel steeg met de dag en we bleven de inschrijving uitstellen. De grootste vraag was wat nu eigenlijk de meerwaarde was van zo’n evenement, waar je in totaal honderden euro’s aan kwijt was, terwijl je op andere dagen lekker in je eentje of met je maatje zo hard of zo langzaam over die paden kon gaan als je wilde, uit riviertjes kon drinken en ruziemaken zonder dat iemand behalve de bosgeest Tapio er getuige van was. Zeg nooit nooit, maar voorlopig blijft hardlopen door de wildernis iets wat ik het liefst buiten wedstrijdverband doe. Voor mij dus nog even geen trail.

Liever lopen door de wildernis dan een trail

De no-nonsense running methode

Dat het lopen van korte tempo’s een essentieel onderdeel was voor de wedstrijdatleet leek voor mij altijd als een paal boven water te staan. Twee, drie keer per week rende ik op de baan of door de heuvels, de duurloopjes tussendoor waren deels bedoeld om van die tempotrainingen te herstellen. Alle trainers waren het er immers over eens, er was geen atleet die ervan afweek. Het was ook tof, natuurlijk, in een groepje over de baan snellen, een beetje bikkelen, daarna een kopje thee in de kantine en als je buiten het zicht van de trainer was zuipen in de kroeg.

Een probleem was dat het op de baantrainingen nooit te hard mocht. Je moest je altijd inhouden om jezelf niet over de kop te lopen. Maakte je er met je maatjes af en toe toch een wedstrijdje van, dan trapte de trainer je in je ballen.

De enige trainers die me echt af lieten zien waren Gerard van Lent en Johan Smet. In de trainingsschema’s van Gerard, die hij je in een excel-sheet toestuurde (altijd te laat, zodat het eens in de vier weken een verassing was wat je te wachten stond als je op de atletiekbaan verscheen) ging het om trainingsomvang (kilometers) en -intensiteit. Met een of andere formule leverde dat een score op die aangaf hoe lui je eigenlijk wel niet was. Met de warming-up liet hij je een uur lang uitsloven met sprintjes en sprongen over het grasveld van de atletiekbaan, zodat je al halfdood was als het loopprogramma begon. Vanwege zijn trainingsprogramma’s overwoog het bestuur van de atletiekvereniging om defibrillators te bestellen, iets wat door Gerard persoonlijk prompt werd afgewezen: als er iemand doodging tijdens de training, dan hoorde hij niet in de groep thuis. Hardlopen was een kwestie van op het randje balanceren.

Johan Smet had de eenvoudige taak er iedere maandagavond op toe te zien dat de atleten braaf het programma afwerkten terwijl Gerard oefende met zijn rockband. Maar Johan met het onverbiddelijke fluitje zou Johan Smet niet zijn als hij dat voorrecht niet benutte om zijn sadistische verlangens ruim baan te geven. De ‘pauzes’ tussen de tempo´s werden opgevuld met opdrukken en andere uitputtende krachtoefeningen. Als ik eindelijk in bed lag schrok ik tot twee uur ‘s nachts regelmatig wakker van krampende spierpijnen.

Dat waren werkelijk prachtige tijden, het hardlopen was geen hobby meer maar een continu afzien en ik zag eigenlijk maar een doel: overleven. Iedere week dat ik nog in leven was, ondanks de trainingen van Gerard en Johan, was een geschenk. Hoewel er momenten waren dat ik zelfs daarover twijfelde: was het niet beter om dood te zijn? Leven was lopen, en lopen was lijden.

Toen Gerard van Lent last kreeg van zijn geweten en besloot de levens van zijn atleten te sparen (hij nam afscheid, we moesten maar een andere trainer kiezen), kwam ik bij Bram Wassenaar, die er een heel andere filosofie op nahield. Hardlopen was voor de meeste wedstrijdatleten een hobby, het moest passen in het bestaan naast werk en gezin. Honderd kilometer per week was de max (bij Gerard kon je daar niet mee komen aanzetten), en het mocht nooit te hard. Het leverde vele persoonlijke records op, maar als ik voor mezelf spreek, moet ik bekennen dat ik nooit deed wat me werd opgedragen: ik liep doorgaans minstens anderhalf keer zo veel kilometers als op het schema stond, een tikkeltje harder dan was toegestaan.

Toen ik naar het Oosten verhuisde, besloot ik heft in eigen handen te nemen. Ik maakte mijn eigen schema’s, naar voorbeeld van Gerard en Bram, maar dan met nadruk op het aantal te lopen kilometers. Zo liep ik in een week eens 240 kilometer, en je raadt het al: het leverde me persoonlijke records op die me voorheen onwaarschijnlijk hadden geleken. Toch was ik een tikkeltje onzeker, en dus zocht ik weer een trainer op: Martin Breedijk. We gingen het doen op zijn Gerard van Lent’s, en we pakten het professioneel aan. Toen raakte ik geblesseerd, iets wat ik niet aan de trainingsschema’s wijt maar aan het totaalplaatje. Op mijn werkplek was ik niet echt gelukkig, mijn leventje niet in balans, ik leefde in continue stress en het feit dat ik een klein beetje een bekende hardloper was geworden en een gulle sponsor had, gaf me het gevoel dat ik voortdurend moest presteren.

De blessure duurde alles bij elkaar anderhalf jaar. Anderhalf jaar waarin ik geen vijfhonderd meter kon wandelen (wel tweehonderd kilometer aan een stuk fietsen!), ik was invalide. Toen ik een half jaar na de operatie eindelijk weer pijnvrij kon wandelen, begon ik ook weer te rennen, maar vanaf dat moment deed ik dat zonder schema’s.

Het hardlopen is nog nooit zo leuk geweest. Toen ik in Turku woonde, de hardloopstad van Finland, trainde ik op de atletiekbaan met maatjes die als gouden regel hadden dat het altijd harder moest. Je begon rustig en eindigde op je max. Tong op de grond. Maar in de tijden dat ik op plekken vertoef waar ik geen trainingsmaatjes heb, doe ik alles op mijn eigen manier. Wat inhoudt dat ik eigenlijk geen echte tempotrainingen meer doe.

Lijdt mijn vorm eronder? Dunkt me van niet. Ik loop ’s ochtends een stukje met mijn vriendin, 4:30 per kilometer, waarbij ik mag vermelden dat dit winterse tijden zijn, temperaturen variërend van +5 tot -35 Celsius, de wegen bedekt met een laag ijs en sneeuw, op schoenen met stalen puntjes in de zolen. In de middag en op vrije dagen loop ik in mijn eentje bijna altijd onder de vier minuten per kilometer. In de zomer gaan de kilometers op de weg zo’n tien seconden sneller, maar dan loop ik het gros van mijn trainingen op de flanken van de heuvel Ounasvaara, met zijn steile klimmen en dalen, de paden onverhard.

Er was een tijd dat ik me had aangesloten bij een groep die volgens de souplessemethode van Herman Verheul. Kerngedachte: de duurloop is slecht.

Onzin, weet ik nu: de duurloop is helemaal niet slecht. Wat slecht is, is dat veel mensen menen dat duurlopen langzaam moeten. Daar hebben ze allerlei theorieën voor, maar wat ik vroeger altijd al zo vreemd vond, toen ik nog braaf twee tot drie keer per week korte tempo´s trainde: dat een langzame duurloop beter is dan een harde duurloop, is volstrekt onlogisch. Het druist in tegen het gezonde verstand. Maar goed, iedereen deed het zo, er was eigenlijk geen discussie over, en dus deed ik het ook maar zo.

Vandaag liep ik bij een temperatuur van -10 een duurloop van 42,2 kilometer binnen de twee uur veertig op een route met zo’n driehonderd hoogtemeters. Aangezien ik gisteren al veertig kilometer had geskied (‘gelanglauft’), besloot ik het rustig aan te doen, waarbij ik een tempo van vier minuten per kilometer in mijn hoofd had, of iets in die buurt. Het draaide echter van het begin al lekker, het tempo zakte tot onder de 3:45 per kilometer en zelfs op de pittige heuvels van de oostkant van de Kemirivier boette ik niets aan tempo in. Na 21,1 kilometer klokte ik (bovenaan een pittige heuvel) 1 uur 19, dus was het doel duidelijk: ik zou er een 42,195 loopje van maken (leve de symboliek) en wilde uitkomen onder de twee uur veertig. En zo geschiedde.

Of dit wil zeggen dat ik in topvorm ben? Nee, maar het zegt me wel dat ik me geen zorgen hoef te maken. Hoewel ik al sinds eind oktober geen tempotrainingen heb gelopen, alleen duurlopen die af en toe ontsporen, doet mijn lichaam gewoon wat ik ervan verlang, al is het om de antiduurlopers de mond te snoeren.

Omdat alles een naam wil hebben, heb ik mijn loopfilosofie inmiddels al gedoopt. De no-nonsense methode. De no-nonsense methode is geen dogmatische leer en kent dan ook geen regels, alleen een paar uitgangspunten.

  • loop op je gevoel maar loop harder dan lekker is
  • loop meer dan je maatjes
  • raak niet geblesseerd

Dat is het looponderdeel. Qua loopscholing is er ook een uitgangspunt:

  • lopen leer je door te lopen (alle andere oefeningen zijn nonsens)

En omdat een moderne trainingsleer niet zonder adviezen met betrekking tot voeding en rust kan, kent de no-nonsense methode ook wat dat betreft enkele uitgangspunten:

  • eet naarmate je honger hebt (en niets is verboden en zeker niet als het vet is of suikers bevat)
  • drink naarmate je dorst hebt (niets is verboden op bietensap na)
  • een kater is geen excuus om een training uit te stellen of over te slaan
  • slaap een keer per etmaal, maar overdrijf niet

En qua doping:

  • doping is voor watjes
  • alle pogingen om de vorm te verbeteren op een andere manier dan door te bikkelen, is doping (dus ook bietensap, steunkousen, hoogtetenten)

Ten slotte voor het gewone leven:

  • lopen mag nooit een excuus zijn om de slapjanus uit te hangen thuis (op de afwas doen na) noch in de kroeg of elders

Dat was het wel zo’n beetje. De uitgangspunten van de no-nonsense methode zijn gratis en voor iedereen toegankelijk, ze zijn ook geheel vrijblijvend. Je zult zien dat het loopplezier alleen maar toeneemt naarmate de nonsens afneemt. Mensen die liever volgens hun oude en welbeproefde nonsensmethode blijven lopen, moeten het zelf maar weten.

No-nonsense selfie

Strijd

De voetstappen achter me klonken steeds zachter, ik had een gat van een paar seconden. Dat was niet veel, maar genoeg om te beseffen dat ik vroeg in de wedstrijd al voor een keuze stond. Zou ik dit tempo handhaven en voor de rest van het veld uit lopen, of zou ik me laten terugzakken om in het kielzog van de favorieten het spel van de langste adem te spelen?

Ik had het gevoel dat ik over de weg rolde. De glooiingen in de route voelde ik amper en ik kon vrijelijk ademhalen. In het groepje, dat langzaam maar zeker terugzakte, bevonden zich Jussi Utriainen en Aki Nummela. Dat waren de jongens van wie ik het meeste te vrezen had. Jussi liep ooit 2:13 op de hele marathon en hoewel hij naar eigen zeggen zijn hardlopen heeft gedegradeerd tot hobby, sleept hij nog steeds de ene na de andere gouden medaille mee naar huis. Hij is achtentwintigvoudig Fins kampioen. Ook Aki is een tegenstander die je niet mag onderschatten en dit seizoen heeft hij bewezen in topvorm te verkeren. Zijn beste tijd op de vijfduizend meter is bijna een minuut sneller dan die van mij.

Met die jongens achter me moest ik ervoor zorgen dat het tempo vanaf het begin hoog lag, zodat het verschil niet hoefde te worden gemaakt in de laatste kilometers. Bovendien bevonden zich in het groepje nog Jukka Kero en Henri Ansio, jongens die ik in eerdere wedstrijden wel had verslagen, maar met minieme verschillen. Zo haalde ik vorig jaar bij de marathonkampioenschappen Jukka pas in de laatste drie kilometer in.

Als ik in het groepje zou blijven lopen, zou het tempo hoogstwaarschijnlijk een stuk lager liggen. Of ik moest veel kopwerk gaan doen en daar zouden de anderen weer van profiteren. Nee, dan maar in mijn eentje als verkenner vooruit, dacht ik, maar ik hoefde al niet meer te denken want het gat was inmiddels een seconde of tien. Mijn benen hadden de keuze reeds gemaakt.

Is het eigenlijk te beschrijven hoe dat voelt, het gevoel over de weg te zweven, de straat nauwelijks aan te raken? Je lichaam lacht en je mond doet mee. Het enige wat je denkt is ‘niet te hard, niet te hard’. Je sluipt de heuveltjes op, roeit zachtjes tegen de wind in en voor de rest laat je je meewaaien met de wind. De drankjes slurp je naar binnen. Met je tanden scheur je de pakjes energiegel open en dan knijp je ze leeg. Je handen plakken van al dat suiker en dat is het enige dat je van de marathon voelt. Nee, dat gevoel is niet te beschrijven, laat ik het maar voor me houden.

The art of drinking

De ronde voerde van het atletiekstadion in Lahti door het park, langs het meer en terug naar het stadion. Tien-en-een-halve kilometer per rondje, en volgens het hoogteprofiel van de organisatie ongeveer veertig hoogtemeters. Dat rondje dus viermaal. Bij de eerste passage door het stadion, op een kwart van de wedstrijd, liep ik 36:05, en dankzij de ronde over de baan kon ik mijn voorsprong nauwkeurig bepalen: honderdvijftig meter, dus ongeveer een halve minuut. Het groepje achter me bestond uit een man of vijf, zes. Het was dus veel te vroeg om te juichen en ik mocht geen risico’s nemen, besefte ik.

De tweede ronde ging met evenveel gemak. Het publiek, dat ik in de eerste ronde al een beetje had bewerkt, was me welgezind. Ik lachte en stak ter dank voor de aanmoedigingen af en toe mijn hand in de lucht. Nog twee ronden had ik ze nodig. Bij de volgende passage in het stadion, dus halverwege de wedstrijd, was mijn doorkomst 1:12:20, wat betekende dat ik op constant tempo liep. Mijn voorsprong was gestaag gegroeid, tot ongeveer driehonderd meter, een hele minuut. Henri Ansio liep een paar meter voor het groepje uit, meende ik. Dat stelde mij gerust, want voor Henri was ik niet zo bang als voor Jussi en Aki.

De derde ronde liep ik voorzichtig, want ik hoefde de wedstrijd alleen maar zonder brokken uit te lopen. Slechts zelden, zeer zelden, lopen atleten de tweede helft sneller dan de eerste. En als een van die jongens dat in zich had, waarom was hij dan niet met me meegekomen? De heuvels waren trouwens iets gegroeid, merkte ik, en de wind was wat aangewakkerd. Toch liep ik op mijn gemak en ik voelde de geur van het kampioenschap al prikkelen in mijn neus.

Toen ik op een gegeven moment even voetstappen meende te horen, twijfelde ik. Dat moest ik mis hebben, realiseerde ik me toen ik op mijn klokje keek. Mijn tempo was vrijwel constant en gezien de gestaag groeiende voorsprong in het eerste deel van de wedstrijd, moest ik wat verder zijn uitgelopen. Er stond een behoorlijke wind aan de kant van het meer. Even later kwam er een fietser achter me aan die voortdurend met zijn fietsbel rinkelde. Wat moet die gast, dacht ik geïrriteerd. Was het een enthousiasteling of was er iets anders aan de hand? Probeerde hij me duidelijk te maken dat er toch andere lopers achter me aanzaten?

Plotseling hoorde ik ze. Hoeveel het er waren wist ik niet, maar een blik over mijn schouder leerde me dat in elk geval Jussi en Aki aanhaakten. Die laatste zat me werkelijk op de hielen. Hij had zwarte kleding en armstukken over zijn onderarmen. In de fractie van een seconde dat ik hem in me opnam, wekte hij de indruk van een ridder. Een ouderwetse ridder in zijn harnas.

Achternagezeten door Aki (midden) en Jussi (rechts). Foto: http://www.uusilahtijuoksu.fi

Verdorie, dacht ik. Nu heb ik dus toch wat te voorzichtig gedaan. Wat moest ik nu? Ik kon me gewonnen geven of ik kon mijn spierballen tonen. Instinctief koos ik voor dat laatste, want in sport geldt toch vooral onze dierlijke drang. Ik zette aan om de indruk te wekken dat ik alleen maar had lopen joggen en nu maar weer eens als wedstrijdloper uit de kast kwam.

Het was een riskant psychologisch spel. De inzet was als volgt: door plots te versnellen, zou de moed hen in de schoenen zakken. Úit de schoenen, bedoel ik eigenlijk, dwars door de zolen heen. Hun moed zou in de volgende ronde voor het oprapen liggen, maar dan was het voor hen te laat. De risico’s van deze tactiek waren overigens niet mild: zelfmoord. Ontploffende kuiten, een stervend hart. De kans daarop was trouwens enorm, dat wist ik best. Als ik mezelf zou opblazen, zouden ze me allemaal voorbijrennen. Mijn lijk zou al in staat van verrotting verkeren als ze me daags na de wedstrijd eindelijk zouden opvegen.

Na twee kamikazekilometers kwamen we in het stadion aan. Daar, op driekwart van de wedstrijd, nam Aki de koppositie over, maar tegelijkertijd stelde ik vast dat we zowaar Jussi van ons hadden afgeschud. Toen Aki eenmaal op kop liep, moest ik hem laten gaan. In een kilometer had hij al een gat van vijf, tien seconden. Zijn lichaam straalde kracht uit, zijn gang was monsterlijk snel. Deze ridder had zich in zijn beste harnas gestoken, zijn zwaard was geslepen.

Bij de eerstvolgende heuvel voelde ik maagkrampen. Ik moest het tempo laten vieren, liep even te joggen en moest zelfs een moment stoppen. Gelukkig was mijn voorsprong op Jussi zo groot, dat ik hem niet kon zien. In de kilometers daarop moest ik weer af en toe pauzeren om de maagkrampen te bedwingen, maar die momenten koos ik wel uit: net voorbij een bocht, zodat Jussi me niet kon zien.

Gelukkig was het niet ver meer. Acht kilometer naar de finish, nog zeven, zes. Het waren er nog vijf en als ik omkeek was er geen Jussi te bespeuren. Met een paar trage kilometers waren de buikkrampen voorbij.  Ik liep voorzichtig. Het goud was me ontglipt, met het zilver zou ik in de laatste vier kilometer zuiniger omgaan. Met nog zo’n drie kilometer te gaan was de wind nog wat aangewakkerd, en ook de lichte heuveltjes in de laatste twee kilometer waren weer wat gestegen. In de allerlaatste kilometer vroeg ik me af of dit de enige plek ter wereld was waar de tektoniek zo levendig was, maar voor ik tot een conclusie kon komen liep ik het stadion binnen.

Op het podium met Aki (1e) en Jukka (3e)

Na de finish (2:27:02) rende ik nog twintig meter door om Aki te feliciteren, en toen realiseerde ik me dat ik op geen enkel moment tijdens de wedstrijd teleurgesteld was geweest dat ik het uiteindelijk niet was geworden. Het moest natuurlijk geweldig zijn om kampioen te worden, maar ik ben blijkbaar te weinig topsporter om me druk te maken over verlies. De strijd, dat is wat ik het mooie vind aan de Finse kampioenschappen. De strijd met je kameraden. In die strijd kun je winnen of verliezen, dat is me om het even. Ook het gevoel van dat lichaam dat hard aan het lopen is terwijl je er niets van voelt, ja, dat is óók gaaf. En het lopen zelf, want je zult het geloven of niet, ik genoot met volle teugen van de omgeving, van de ruska, de bomen in hun herfstkleuren, en van de uitzichten over het meer. Tijdens mijn eerste doorkomst in het stadion kwam een de skischansspringer die naar beneden. Hij, de springer, was gewoon aan het trainen, op een skischans zonder sneeuw, en ik liep mijn wedstrijd. Dat schiep een bijzondere verbondenheid met iemand van wie ik nooit zal weten wie hij was.

Inmiddels zijn we twee dagen verder. De zilveren medaille siert de schouw, naast de bronzen van afgelopen jaar, en mijn benen voelen weer goed. Ik geloof dat ik, ondanks het tijdverlies in de laatste kilometers, de juiste keuzes heb gemaakt. Het is nog maar de vraag of ik met een minder offensieve wedstrijd überhaupt een medaille in de wacht had gesleept, en een kampioenschap is nu eenmaal geen wedstrijd om voor een snelle eindtijd te gaan. Over drie weken sluit ik dit najaar af op de Amsterdam marathon en daarna wacht het langlaufseizoen.

https://www.strava.com/activities/724799152/embed/5ba4984da20821ede4f9a8bc8e8e1a4c4e16ead2

Vijftig

Ik strooide een extra lepel havermoutvlokken in de pan, goot er nog een scheutje melk bij en na de pap dronk ik een tweede kop koffie voor ik mijn schoenen strikte, waarbij ik de veters net iets harder aantrok dan anders en eens diep ademhaalde, dieper dan normaal, want ik zou de lange weg nemen, de weg langs de rivier, door de stad, de weg over de brug naar het eiland Hirvensalo, met een tweede brug door naar het volgende eiland, Satava, en dan nog een brug, waar de rondweg over het eiland Kakskerta me terug zou brengen naar de laatste brug, terug naar het eiland Satava, en via de middelste brug terug naar Hirvensalo en terug over de eerste brug, terug door de stad en langs de rivier, terug naar huis en de weg deed wat ik hem vroeg, hij droeg me en reeg de kilometers soepel aaneen, alsof het ivoren kralen waren, glimmend en glanzend, en ook de heuvels droegen me gewillig, ze waren veel vriendelijker dan dat ik me had voorgesteld, ze heetten me welkom, dekten de tafel en als slot wezen ze me het bed in de suite, vanwaar ik mocht toezien hoe de zee klotste, hoe de rotsen standhielden, en hoe de kilometers droog en schematisch in elkaar haakten, en terwijl ik daar lag viel ik in de slaap, hardloperstrance, en werd pas wakker toen ik thuiskwam, waarop ik mijn klok in de computer schakelde en de indrukken van de ochtend konden worden geanalyseerd: vijftig kilometer, zes bruggen, een schaduw, twee levens.

Het eiland Satava
Het eiland Satava

Vanaf nu mag u rustig in- en uitademen.

Vijftig kilometer achter elkaar, dat was nieuw voor me. Na de marathon, tweeënveertig kilometer, houdt het hardlopen op en begint het ultralopen, zeggen ze. Toch voelde het niet zo. Zeker, er was de twijfel of mijn lichaam het wel goed zou keuren, of de energievoorraad toereikend zou zijn, en of ik onderweg niet van de dorst zou vergaan of door een langsrijdende psychiater zou worden tegengehouden. Niets van dat alles. OK, er kwam een flesje cola aan te pas, dat ik na vijfendertig kilometer in een voorbijkomend winkeltje kocht, in twee minuten opslokte en zonder mijn statiegeld terug te vorderen achter liet op het houten bankje op het terrasje voor de winkel. In dezelfde twee minuten was ik verbolgen over het feit dat politici van plan zijn extra belasting te heffen op frisdrankjes, alleen maar omdat er een dikke meerderheid bestaat die marathonlopers graag te grazen neemt – in feite komt een dergelijke frisdrankcalorieheffing neer op het belasten van gelopen kilometers. Enfin, de loopervaring, want daar had ik het over, de loopervaring was er nauwelijks anders op dan tijdens een kortere duurloop. Ik liep mijn rondje en ik was naderhand een beetje moe, maar het was allemaal best wel normaal. ‘Natuurlijk,’ zult u zeggen, ‘vijftig is een marathon plus een beetje. Je moet minstens honderd lopen om over ultralopen te praten!’

Ik ben bereid het te geloven. Het rondje van vijftig gaf me de voldoening die iedere loper zal voelen als hij net wat kilometers aan zijn langste duurloop heeft vastgeplakt, maar het was niets anders dan hardlopen. Als ultralopen écht bestaat, als het daadwerkelijk iets is van een andere categorie, dan moet het minstens honderd, tweehonderd kilometer zijn: de zon gaat onder en komt op, de poorten van de hel openen zich en sluiten zich achter je. Pas als je op blote voeten door het hellevuur rent, weet je wat ultralopen is.


Route:

https://www.strava.com/activities/691882422/embed/f9e7e961a127bf78f6cd5bbce0b5457573946b31

Eenvoud

Je hebt twee soorten mensen: zij die naar het Zuiden kijken en zij die naar het Noorden kijken, bedenk ik me als ik vrijdagavond mijn rondje loop.  Zij die naar het Zuiden kijken verlangen naar licht en comfort. Ze geloven in ontwikkeling en vooruitgang. Perfectie wordt bereikt door de wereld van haar ongemakken te ontdoen.

De tweede soort vormt een minderheid. Wij verlangen naar eenvoud, we geloven dat evenwicht te bereiken is door al het overbodige af te werpen, zoals het rendier zich in de late winter van zijn gewei ontdoet, en daarom dool ik over de donkere wegen buiten de stad. Op zoek naar eenvoud. Het is zo’n twintig graden onder nul, wat zacht aanvoelt na een paar dagen min vijfendertig. Hoewel de kou brandde in het gezicht, liep ik ook toen mijn rondjes en net als op andere dagen wandelde ik tussen huis en werk, via de brug over de brede Kemirivier, waar Biegkegaellies, de god van de winterwinden, de kou nog een extra zetje geeft.

Met heldendom heeft dat trouwens niets te maken. Lopen is slechts een manier om te vergeten. Het maakt niet uit of je records breekt, of je dagenlang achter elkaar loopt of in extreme kou. Het is een ontsnapping aan de wereld zoals zij tegen wil en dank geworden is. Het doet me goed, die kou, de eenzaamheid en de duisternis. Tijdens het lopen vormt zich een ijsbaard als de wasem bevriest en zich in mijn stoppels haakt. IJskristallen in de wimpers prikken in mijn oog. Aan de linkerzijde van de weg slaapt een heuvel, bewegingloos en wit. Schijnbaar dood, maar ik weet dat hij leeft. Hij heeft zijn hoofd gebogen, verborgen tussen zijn armen. Stiekem lacht hij in zijn elleboogholte. Onder de sneeuwlaag groeien de rendiermossen alsof er niets aan de hand is. Zo maakt de heuvel zich in de koudste en donkerste periode van het jaar op voor de kleurensymfonie van de zomer, die korter maar ook zoveel intenser is dan in het Zuiden.

Eenmaal thuis duik ik weg in Neljän Tuulen Tie (De weg van vier winden), de prachtig geschreven roman van Yrjö Kokko over een Samifamilie (‘Lappen’) en over het verdwijnen van de traditionele levensvorm.

Neljän Tuulen Tie van Yrjö Kokko (5e druk, 1951)
Neljän Tuulen Tie van Yrjö Kokko (5e druk, 1951)

Ik vereenzelvig me met Jouni, de jongen die opgroeit als herder en later, in de oorlog, met de Zuidelijke beschaving in aanraking komt. Hoewel hij ook daar gedijt, keert hij terug naar het open Lapse bergland, waar de vier winden heersen. Als Ahku, de vrouw die Jouni als haar eigen kind heeft grootgebracht, komt te overlijden, is het niet eens verdrietig, want dood hoort bij het leven. Ze is met een emmertje naar de kudde gegaan om een rendier te melken. De emmer valt uit haar handen en als ze die wil oprapen komt ze niet meer overeind. Ze sterft in de bergen. De dood van de moeder van het Samidorp markeert het einde van een tijdperk.

De mensen die naar het Noorden kijken zijn niet bang voor de dood. Misschien zijn we er zelfs wel naar op zoek, want uiteindelijk is dood de ultieme eenvoud.