De laatste man

De mens wordt voor een belangrijk deel gevormd door het landschap waarin hij leeft. Vanuit die overtuiging bedenk ik mijn romanpersonages, dus zou ik er eigenlijk niet van moeten opkijken dat ze ook werkelijk bestaan op de plek waar het verhaal zich afspeelt. Voor mijn volgende roman ben ik bij een getijdeneiland aan de Ierse kust. Mensen die ik spreek, komen met het verhaal van Pascal op de proppen, de laatste bewoner van het eiland. The last man standing is ruim een jaar geleden overleden, enkele maanden voor zijn geest zich duizenden kilometers verderop opdrong in mijn gedachten. Pascal woonde jaren min of meer een kluizenaarsbestaan in een caravan op het uiterste puntje van het eiland. Hij was op het eiland geboren en keerde er terug na een carrière als stuntman voor hollywoodfilms, die hij abrupt afbrak nadat zijn kameraad bij een stunt was omgekomen.

Een lange wandeling brengt mij bij zijn caravan. Een van de ramen is opengebroken, en er ligt een vergane roeiboot voor het hek. De caravan kijkt uit over een baai waar de oceaan in trage golven zijn ouderdom uittelt. Konijnen schieten over het veld en verdwijnen in een ondergronds netwerk van gangen. Hoe vaak heeft Pascal hier gestaan, op deze rots, roepend naar zijn hond die de branding te lijf gaat? Hoe vaak heeft hij de huilende wind vervloekt, en hoe vaak heeft hij de wereld zien inkrimpen en uitdijen in de zeemist?

Ik haast me terug naar de zandplaat tussen eiland en vasteland. In de nabijgelegen pub hoor ik de mensen uit over mijn held, en ik maak er kennis met iemand die zich voorstelt als de koning van Claddaghduff, maar die verder geen kapsones heeft. Als ik genoeg weet, wandel mij roman uit, terug naar het dorp waar ik verblijf en onderweg regen ik nat en waai ik droog. Alles verloopt dus volgens plan, thuisgekomen in Cleggan vind ik bij de open haard mijn andere romanpersonage. Alles heeft zo moeten zijn, zoals dat in boeken en in het leven gaat.

De kunst van het leven

Niet iedereen verstond de kunst van het leven. Sommigen gingen de oceaan op terwijl je wist dat er storm op komst was. Je moest beseffen dat er grotere krachten in het spel waren. Als je twee koeien had, moest je ze om de beurt laten kalven. Je moest hard werken en als je een dochter had, was het zaak om haar weerbaar te maken tegen de liefde. Wat had je aan een lieve man die geen fatsoenlijk huis bezat?

Net als overal in Europa veranderde het leven op het Ierse platteland en aan de kust op drastische wijze. Tot een paar decennia geleden had iedereen hier een paar stuk vee en een bootje om te vissen. De regering kwam met een plan om de moordzucht van de oceaan te bedwingen. Ieder vissersbootje moest over apparatuur gaan beschikken om in geval van nood zo snel mogelijk hulp te krijgen. Dat was echter een kostbaar plan, je moest heel wat vis vangen om de boel te bekostigen. De vistechnieken werden geoptimaliseerd, de waarde van vis daalde en er kwamen regels om de visvangst te reguleren. Tegenwoordig moeten vissers een deel van hun vangst weer overboord gooien, vertelt Peadar, een zachtaardige man met een baard zo wit als de schuimkoppen van de oceaan. Veiligheid is een goede zaak, zegt hij, maar het heeft ons teveel gekost. De regulatie is niet te overleven.

Kleine kinderen gaan in het dorp naar school, maar als ze groter worden, moeten ze naar het stadje even verderop. Een paar jaar later gaan ze voor college en universiteit helemaal naar Galway . Daarna vertrekken ze naar Dublin, of verder nog, naar Canada of Australië.

Sommige mensen komen terug, zoals Tina, die achter de bar staat. En er zijn ook mensen als Valery, de blonde, wat versleten vrouw die aan het tafeltje naast de open haard het ene naar het andere glas achterover slaat en mij ervan probeerde te overtuigen dat liefde een leugen is. Haar man deed in vastgoed, en zo is ze vanuit Dublin onbedoeld in deze streek beland. Ze hield van luxe, als ze een mooie jas zag kocht ze er altijd gelijk twee van, en toen ze dertig jaar geleden zwanger werd, was het van een tweeling. Die vent daarboven heeft het beste met me voor, zegt ze. Haar man is enkele jaren geleden overleden. En dat is maar goed ook, want het was een eikel. Ik heb hem vergiftigd, zegt Valery. Dat ging heel gemakkelijk, gewoon wat pilletjes in zijn drankje. Tina, die af en toe haar ogen laat rollen als Valery aan het woord is, lacht hard. Andy, de stille man aan de bar, kijkt mijn kant op en knipoogt.

Michael neem een laatste teug van zijn pint Guinness en vertrekt om zijn bejaarde moeder toe te stoppen. Ook de vrachtwagenchauffeur houdt het ook voor gezien. Valery roddelt nog wat over de mensen hier in de buurt, en die ik de komende dagen zal ontmoeten. Maar mondje dicht, zegt ze, je hebt het allemaal niet van mij.

De sterren die we zien

(dit artikel verscheen op opiniewebsite Joop)

De platanen aan weerszijden van de straat buigen hoog boven me naar elkaar toe, als om de mensen bescherming te bieden. Hoewel oktober op zijn eind loopt, zijn de gigantische bomen nog steeds grotendeels groen. Een meelbes even verderop vlamt op in de ochtendzon. Aan de voet van een Londense lantaarnpaal zit een vrouw op een kleedje, haar gezicht is zo uitdrukkingsloos als het gezicht van een Roemeense maar kan zijn. Ik heb geen geld op zak en mompel een groet die verloren gaat in het stadsgeluid. Dag in dag uit zit ze daar, van ’s ochtends vroeg tot ik me in de avond naar huis begeef. Nog nooit heb ik haar geld gegeven.

Hoe lukt het ons om weg te kijken van leed, vraag ik me af wanneer op de cursus tropengeneeskunde een epidemioloog over malaria vertelt. Vierhonderdvijftigduizend mensen per jaar, vooral kinderen, die compleet onnodig overlijden. De ziekte is immers te voorkomen en prima te behandelen. Vierhonderdvijftigduizend, reken ik uit, dat zijn er meer dan duizend per dag.

Hoe lukt het ons om weg te kijken van leed, denk ik opnieuw als ik in de avond aan een kampvuur naar Veronica luister. Door het Mexicaanse accent klinken haar woorden scherp als granaatscherven. Terwijl de vlammen aan de takken likken, vertelt ze over een man ergens in West-Afrika die zijn twee zoons niet wilde laten gaan toen het leger kwam om ze te rekruteren. De vader werd voor het oog van zijn zoons doodgeschoten, de jongens werden meegenomen. Moorden en roven werd voor hen de enige manier om te overleven. Een van de zoons werd op zijn achttiende gered door een kogel in zijn zij: op last van een dokter mocht hij als geïnvalideerde het leger verlaten. Gesteund door een vrijwilligersorganisatie kon hij naar school. Later zou hij zelfs als arts afstuderen. Nu werkt hij bij Artsen zonder Grenzen, als collega van Veronica.

Ze vertelt over haar missie in Zuid-Soedan, waar ze met eigen ogen meer leed en onrecht heeft gezien dan ze ooit voor mogelijk had gehouden. Terwijl ze praat, raken haar vingers af en toe mijn arm aan, alsof ze houvast zoekt. Ze is niet meer de persoon die ze eerder was. Haar vrienden vinden dat ze radicaal is geworden in hoe ze over de wereld denkt. Na haar missie in Zuid-Soedan is ze maandenlang depressief geweest. Nog steeds kan ze niet genieten, ze wordt boos als iemand een stuk brood weggooit, het onbezorgde leven in Londen is onwerkelijk. Veronica is getraumatiseerd, maar ook is ze vastbesloten om terug te gaan.

Hoe hou je jezelf als mens staande als je kinderen ziet doodgaan door honger of door malaria, problemen die er eigenlijk niet meer zouden mogen zijn? Is het voor een moeder in Afrika minder verdrietig om haar kind te verliezen dan voor een moeder in Nederland? En is hun probleem ook ons probleem?

Het is koud geworden. De takken in het vuur zijn veranderd in gloeiende blokjes, de vlammen doven uit. Is het gerechtvaardigd om weg te kijken van leed, vraag ik me af, om te doen alsof het niet bestaat? Hoe kan ik voorbijlopen aan een bedelaar in de straat? Het is zo verleidelijk om te geloven in vooruitgang, om te denken dat we op leed en onrecht geen invloed hebben en dat het zich allemaal vanzelf wel oplost. Alleen zo kunnen we voor een paar euro een biertje drinken, wetend dat een kinderleven ergens in Afrika hetzelfde kost. Maar als je er middenin zit, kun je het leed niet meer ontkennen.

‘Voor de meeste mensen bestaat die donkere werkelijkheid niet,’ zeg ik tegen Veronica. ‘Mensen kijken weg, of ze denken dat het een andere wereld is, een parallel universum ofzo. Een kleine minderheid voelt zich betrokken, nog minder mensen zijn bereid zelf wat in te leveren om het leed van anderen te verlichten. Hoe kan er dan ooit iets wezenlijks veranderen?’

‘Kijk,’ zegt Veronica, en ze wijst de oktobernacht in, ‘wat zie je daar?’

Ik volg haar vinger en tel de sterren.

‘Het is bijna allemaal dark matter, daarbuiten,’ fluistert ze, ‘de sterren maken samen nog geen procent van alle massa uit. Toch zijn het juist de sterren die we zien.’

***

Thijs Feuth is arts en schrijver en hij woont in Fins Lapland. Bij De Arbeiderspers verschenen van hem ‘Zwarte Ogen’ en ‘Achter de rug van God. Een vreemdeling in Lapland’. Momenteel bereidt hij zich in Londen voor op een periode in Malawi.

Mijn bolwerk

Een vermolmde boomstam is zacht en warm, dat zit beter dan een rotsblok ook al is die met mossen bekleed. Je zou ze moeten zien, grijs en groen en zwart en bruin bevlekt, met zilver aangezet en bekleed met bronzen dennennaalden die altijd gepaard zijn, met een zwarte knot aaneen gebonden. Het geruis door de bomen zou je gemakkelijk voor een snelweg kunnen houden, als je uit Nederland kwam, waar geen plek buiten gehoorsafstand van het wegennet ligt. Er klinkt ook gekauw en gekraai en getjilp, maar wel met mate. Je vraagt je af waarom ze die geluiden maken, om de beurt, de een laat de ander zijn deuntje rustig uitzingen. Plegen ze overleg, zijn ze in een soort vogeldiscussie verwikkeld waar wij met ons verstand niet bij kunnen, of is het de afspraak om geen stilte te laten vallen, een verbond tegen de eenzaamheid van het bos? Maar nee, eenzaamheid kun je dit niet noemen, zelfs als je de vogels wegdenkt. Het heeft eigenlijk wel wat gezelligs, als een bruine kroeg, de zachte kleuren van de naderende herfst, het roodverkleurend blad van de bessen, het antieke tapijt van mossen en de zilveren franje van het rendiermos. De boomstronken en keien liggen her en der verspreid, uitnodigend als tafels en stoeltjes. Jugendstil, maar dan echt, levend en dood. Hier kan ik vrij denken en dichten, dit is mijn bolwerk. Alleen de kranten ontbreken, de kranten op de leestafel, en een kopje koffie met een speculaaskoekje.

Mijn bolwerk

De geur van regen

Eerst rolde de donder over het door hitte en droogte uitgeputte land. Dreigende stapelwolken hingen bewegingloos in de lucht. Het duurde nog uren voordat de regen viel, en met een korte plensbui was het ook meteen gedaan. Toch was dat meteen voldoende om de poriën van het bos te openen.

Kruidige dampen dringen zich op als ik in de avond een wandeling maak door het bos. Heeft het dit jaar eigenlijk al eens geregend? Sinds het smelten van de sneeuw in mei wachtte ik op de geur van de moerasrozemarijn, een geur die zo vol is, vloeibaar haast, dat je het gevoel krijgt dat je op de lucht kan drijven, maar die geur, waar vorig jaar iedere dag in te drogen hing, was nergens te bekennen. Tot nu dan, nu ruik ik de moerasplant eindelijk, maar het is niet het enige dat in de lucht hangt. Alle planten zijn op hetzelfde idee gekomen, ze vieren de eerste regen van de zomer met de sterkste luchtjes waarover ze beschikken, en al die geuren mengen zich met petrichor dat opstijgt uit de grond.

Zijn het de geuren die me het gevoel geven dat alles is zoals het wezen moet? Is dit een of ander biochemisch proces dat zijn oorsprong vindt in de oertijd, waarin we direct van de weersomstandigheden afhankelijk waren?

Ook het groen is beduidend feller dan de afgelopen weken, het bos heeft een instagramfilter op zichzelf toegepast. Al het blad is schoongespoeld, de bessenstruiken die de grond bedekken, dragen op ieder blad een druppel, en in de berm schitteren duizenden parapluutjes van de bospaardenstaart die met diamantendruppels zijn besprenkeld.

Zou dit vocht voor de bessen en moerasbramen voldoende zijn om zich vol te zuigen, om op te zwellen met vitaminerijk sap?

De stapelwolken, die nog steeds triomfantelijk in de lucht hangen, als zegevierende oorlogsschepen na een zeeslag, krijgen een roze gloed. Ook dat is een teken dat de zomer over haar hoogtepunt heen is, want dat betekent dat de zon ’s nachts niet meer bovenlangs de noordelijke horizon scheert, maar eventjes onderduikt.

Met deze ene regenbui verdwijnt dat de angst dat deze hittegolf een meteorologisch Apocalyps zou blijken, dat een acute verergering van het broeikaseffect de kou voorgoed van onze planeet zou doen verdwijnen en we langzaam, heel langzaam, gegrild zouden worden op de barbecue van mythologische goden waarvan wij dachten dat we ze die met de rede verslagen hadden.

Het geloof in de rede, of beter gezegd in onze redelijkheid, ben ik de afgelopen jaren langzaam kwijtgeraakt, maar dat we nu op de gril van die goden belanden, blijkt niet waar.

Nog niet.

Lente

De lente klopt niet netjes op de deur, zoals de herfst dat doet, maar beroert geruisloos de klink, opent hem op een kiertje en glipt naar binnen zonder dat je er erg in hebt. Na verloop van tijd merk je dat het tocht, dat er beroering is in de witheid waarin de eeuwigheid verankerd lag. Van onder de deklaag van ijs komen wegen tevoorschijn, en een smal strookje berm. Het smeltwater wordt afgevoerd via de brede geulen langs de weg, op zonnige dagen smelt het zo hard dat her en der de weg blank staat. Het duurt weken tot alle sneeuw gesmolten is, en zelfs tijdens dat proces zijn er dagen dat alle kleur uit het bos verbannen wordt als er opnieuw sneeuw valt.

Soms klinkt het druppelen van de smeltende sneeuw door de regenpijp gemoedelijk, het gestaag aftellen tot de zomer, maar er zijn ook dagen dat het openbreken van het pak sneeuw geweldda­dig aandoet. De beken, waarin zwart bloed vloeit, vormen diepe sneden in de blanke huid van de winter, de zuidelijke zijden van de heuvels worden met een schaaf aangetast.

Al het bloed is vruchtbaar, ook het zwarte bloed. Daar waar de stroom niet te sterk is, verschijnen zwanen, hun halzen snijden als sikkels door de mist. In een afwachtend stilzwijgen klimmen ze uit het water op de rand van het ijs. Daar waar zij vandaag nog staan, drijven ze morgen.

Tegelijkertijd verdwijnen de nachten, en daarmee de sterren en het noorderlicht. Ze veranderen in getjilp en geschetter van meesjes en spreeuwen. Wij noorderlingen zijn die lichtzinnig­heid niet meer gewend, maar ze doet ons goed.

(uit: Achter de rug van God)

Singer-songwriter Serge Epskamp bewerkte de tekst en maakte er een lied van:

https://bandcamp.com/EmbeddedPlayer/track=13111743/size=large/bgcol=ffffff/linkcol=0687f5/minimal=true/transparent=true/