Lente

De lente klopt niet netjes op de deur, zoals de herfst dat doet, maar beroert geruisloos de klink, opent hem op een kiertje en glipt naar binnen zonder dat je er erg in hebt. Na verloop van tijd merk je dat het tocht, dat er beroering is in de witheid waarin de eeuwigheid verankerd lag. Van onder de deklaag van ijs komen wegen tevoorschijn, en een smal strookje berm. Het smeltwater wordt afgevoerd via de brede geulen langs de weg, op zonnige dagen smelt het zo hard dat her en der de weg blank staat. Het duurt weken tot alle sneeuw gesmolten is, en zelfs tijdens dat proces zijn er dagen dat alle kleur uit het bos verbannen wordt als er opnieuw sneeuw valt.

Soms klinkt het druppelen van de smeltende sneeuw door de regenpijp gemoedelijk, het gestaag aftellen tot de zomer, maar er zijn ook dagen dat het openbreken van het pak sneeuw geweldda­dig aandoet. De beken, waarin zwart bloed vloeit, vormen diepe sneden in de blanke huid van de winter, de zuidelijke zijden van de heuvels worden met een schaaf aangetast.

Al het bloed is vruchtbaar, ook het zwarte bloed. Daar waar de stroom niet te sterk is, verschijnen zwanen, hun halzen snijden als sikkels door de mist. In een afwachtend stilzwijgen klimmen ze uit het water op de rand van het ijs. Daar waar zij vandaag nog staan, drijven ze morgen.

Tegelijkertijd verdwijnen de nachten, en daarmee de sterren en het noorderlicht. Ze veranderen in getjilp en geschetter van meesjes en spreeuwen. Wij noorderlingen zijn die lichtzinnig­heid niet meer gewend, maar ze doet ons goed.

(uit: Achter de rug van God)

Singer-songwriter Serge Epskamp bewerkte de tekst en maakte er een lied van:

https://bandcamp.com/EmbeddedPlayer/track=13111743/size=large/bgcol=ffffff/linkcol=0687f5/minimal=true/transparent=true/

De pestvogel

Iets na elf komt de zon op om tweeënhalf uur lang over de horizon te balanceren voordat hij weer ondergaat. Puur technische cijfers zijn dat, want zelfs als het niet bewolkt zou zijn, dan zou de zon niet boven de bosrand aan de andere kant van het moeras uitkomen. Maar toch: daglicht. En nog beter: aanhoudende kou, waardoor aan het eind van een week tussen de vijftien en twintig onder nul alle bomen wit zijn van een dikke laag rijp. Vandaag heb ik een vrije dag en ik heb me voorgenomen op zoek te gaan naar de pestvogel. Het getjielp dat ik deze week tijdens het hardlopen hoorde, heeft me hongerig gemaakt.

Naar buiten hoef ik niet eens, zie ik als ik de gordijnen openschuif. Een heel squadron pestvogels is neergestreken in de lijsterbes. Ónze lijsterbes. Tientallen zijn het er, ik kan mijn geluk niet op. Daar zitten ze met hun felle kleuren en hippe kuifjes, ze fladderen van tak naar tak, rukken aan de trossen en bezorgen elkaar zo een sneeuwdouche. Hoe de pestvogel aan zijn Nederlandse naam komt, is me een raadsel. In het Fins heet hij Tilhi, en die naam van hem zingt hij graag. De dikste van hen zit op een goede meter afstand van mij. Ik knip het licht uit, zodat ze zich niet aan me zullen storen en grijp de camera. Een tiental foto’s schiet ik van die prachtige vogel, maar dan vind ik het genoeg. De driedubbele laag glas van het raam tussen ons in is me te veel. Ik moet naar buiten, ik wil het gefladder horen en hun hoge, schriele zang.

Buiten schiet ik vlug nog een foto en dan vertrek ik voor mijn wandeling, om geen vogel meer te zien, geen kleuren ook. Alles is wit, alles is bevroren en stil. De sneeuw is nog vers, witter dan je je kunt voorstellen en de hemel, met flinterdunne bewolking, kleurt langzaam paars en blauw.

De charme van sneeuw

Sneeuwkegels in de lijsterbes

De trossen van de lijsterbes zijn bekroond met sneeuwkegels van wel twee vuisten hoog. Het ziet er feestelijk uit, maar ik ben bang dat de kegeltjes de kerst niet halen. Een moment van dooi of een baldadig windje, en het hele kunstwerk valt uit elkaar.

Bezoekende Zuid-Finnen spreken graag hun bewondering uit over onze Lapse winter. Ihana, kaunis, en door al die sneeuw is het hier veel minder donker. Wel ja, met al ruim vijftig centimeter lopen we inderdaad voor op schema, maar als de bewondering ons genoeg is, is er altijd wel iemand die opmerkt dat het voor bezoekers best wel mooi kan zijn, maar die mogen dan ook wel blij zijn dat ze niet dag in dag uit sneeuwruimwerk hoeven te doen. Dan volgen de verhalen over het gevoel dat ons bekroop op het moment dat de gordijnen werden opengeslagen, en dat er door al dat sneeuwruimen geen tijd was om te ontbijten. En vervolgens, bij thuiskomst…

Dichteres Heli Laaksonen schreef in Zuidwest-Fins dialect een vermakelijk stukje over de betrekkelijke charme van sneeuw: Ihana talvi. In dagboekvorm verandert de prachtige sneeuw van 1 januari in een week tijd gradueel in Saatana, 12 perkelee sentti uutta vitu lunt ja vitu ränttä ja vitu jäät, waarvan ik de vertaling liever achterwege laat.

Toch geloof ik dat de meeste noorderlingen er eigenlijk wel verknocht aan zijn. In de zomer hangt de winter nog als het zwaard van Damocles boven ons hoofd, want zodra de laatste sneeuw gesmolten is, is de zon alweer zo’n beetje op zijn retour. Maar als het dan eindelijk oktober is, de dagen kort en koud, de natuur bruin en uitgeleefd, dan vormt sneeuw de enige denkbare verlichting van de misère. En dus zijn we blij met die eerste vlokken, hebben we oog voor de schoonheid van ons land om vervolgens af en toe te vloeken op alweer twaalf centimeter sneeuw zich haast niet weg laat schuiven en die de wegen onbegaanbaar maakt.

Behalve dat dubbele gevoel van charme en ongemak, bezorgen sneeuw en kou me vaak een gevoel van opluchting met betrekking tot de klimaatverandering, alsof één koude nacht betekent dat het opwarmingsproces ineens is omgekeerd, alsof het ijs van de noordpool zich dan weer gaat uitbreiden en uitgehongerde ijsberen weer op zeehonden kunnen jagen. Onzin natuurlijk, de wetenschappers zijn het erover eens dat het proces onomkeerbaar is, en telkens weer blijkt het allemaal sneller te gaan dan voorspeld. Sneller zelfs dan gevreesd. Het wordt warmer en de zeespiegel zal flink stijgen, en de wereld zoals die nu is, zal spoedig geschiedenis zijn, net als de sneeuwkegels op de lijsterbestrossen. Het is zaak om al het mooie goed in je op te nemen, want alle schoonheid is vergankelijk.

(deze column verscheen in Noorderlicht, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging in Finland)

Winter light

Ruska

In Finland, the colourful phase of autumn is called ruska. In one month time, all nearly all leaves change colour. In Rovaniemi, a town located on the polar circle in Finnish Lapland, the onset is in early September, when birches  rapidly turn yellow. Simultaneously, poplars burst out in burning red flames, and soon also the rowans, already carrying bunches of blood red berries, change into orange and red.

Those who have walked through the forests and watched out over the hills during the vividly coloured phase of full blown ruska, will forever be enchanted by Lapland.

Tapio is the mythic keeper of the forest.

Rosebay willowherb can be found throughout the boreal forests. Because of her abundance, her beauty can easily be overlooked. But then, during ruska, the street girl shows her beauty!

As suddenly as they have come, the colors fade away at the end of the month. Most birches are naked and deprived, other still carry some golden coins. But the sadness of this phase of the autumn has its own beauty. In the next picture, I tried to catch the mood of October.

De bosnimf

Hier zit ik dan, op een boomstam bij door stenen omringde verkoolde takken, de overblijfselen van een kampvuurtje. Hier zit ik, midden in het bos dat me lief is, hier zit ik tussen sparren en okergele berken, met koffie uit de thermoscan en een camera geladen met verse ruskafoto’s en beelden van de zangzwaan. Ik zou voldaan moeten zijn, maar in plaats daarvan word ik overvallen door een tergende weemoed, een pijnlijk verdriet. Hoe kan de eenzaamheid waar ik zo vaak naar verlang zich zo meedogenloos nestelen in mijn borst?

Misschien is het de vermoeidheid van de nachtdienst die me kwetsbaar maakt. Misschien is ook wel het karakter van het seizoen, de weemoed die de herfst eigen is. Zeker speelt ook het boek dat ik deze weken lees een rol, Wim Hazeu’s biografie van dichter-scheepsarts Slauerhoff. Veel erin herken ik. De rusteloosheid van de dwalende dichter, zijn eeuwigdurende innerlijke tweestrijd, de afkeer van het (Hollandse) collectivisme en het verlangen weg te zijn, wat Hazeu enigszins eufemistisch Fernweh noemt.

Maar nee, met die term heeft hij het mis. Het is niet alleen een verlangen naar een onbestemd verweg dat Slauerhoff over de zeeën stuurt, maar ook, en misschien wel belangrijker, een sterke afkeer van het vaderland, de onmogelijkheid tot verzoening met zijn geboortegrond. Dat ik dat aantref in zijn biografie vergroot dezelfde gevoelens bij mij, die ik eerder afdeed als sentimenten horend bij het aarden op een nieuwe plek. Nee, die afkeer is niet vaag en onschuldig zoals ik me voorhield. Het is een vorm van haat, half latent maar real. Steeds nadrukkelijker spelen ze op als ik bericht uit Nederland lees, het nieuws of opinies, de social media. Slauerhoff zocht de zee op om het vaderland te ontvluchten, ik zoek het in de Lapse moerassen en bossen.

Op momenten als deze wil ik volstrekt alleen zijn, alleen met mijn afkeer van de mens. Het is trouwens niet zozeer de medemens die ik veracht, nee, het is vooral mezelf. Eerzucht, egoïsme, fatalisme… ik ben een kliko vol verachtelijke karaktertrekken. Al dit vergankelijk vuil bij elkaar noemt zich mens.

Ik slurp de koffie op en pak mijn boeltje bij elkaar. Als ik even later over een bospad wandel, in de richting van huis, wordt de woede heviger en de pijn van verdriet in mijn borst onhoudbaar. Ik ben weerloos en machteloos tegenover mijn zelfhaat. Ik zou zo graag iets anders zijn dan een mens. Zo kan ik niet leven, zeg ik tegen mijzelf, en die woorden blijven rondzingen in mijn hoofd. Zo kan ik niet leven. Hoe? Zo, als mens. Ik wil geen mensen, ik wil zelf geen mens zijn. Mensen zijn verachtelijk. Zo kan ik niet leven.

Ik ben een oktoberkind, de melancholie zit in mijn natuur, maar slechts zelden weet de droefheid me zo te overrompelen. Lijd ik aan acute depressie? Is dit nou een burn-out? Wat moet ik met mezelf aan? Was er maar iemand in de wereld die me helemaal begreep, iemand die me zou vergeven dat ik ben wie ik ben. Een soort mythische prinses, een bosnimf misschien. Een met een bedwelmende schoonheid en luisterend oor. Met zo’n nimf zou ik afdalen naar de hel, als ze me dat vroeg. Als ze me maar verlost van deze tergende wroeging, bijvoorbeeld door me lieve woordjes in te fluisteren. Morgen zal ik me ziekmelden, besluit ik, met de tranen haast in mijn ogen. Ik zal op zoek gaan naar mijn nimf. Ik ga nu alleen nog even naar huis om warme kleren te halen en dan zal ik een week lang van bessen leven in het bos.

Maar als ik thuiskom leg ik de weemoed af alsof het een mantel is die ik alleen voor de wandeling had omgeslagen. De melancholie, die zich af en toe nadrukkelijk manifesteert, is van voorbijgaande aard. Nu barst ik plotseling weer van de energie. Het bos heeft me de kracht gegeven om weer mens te zijn onder de mensen.

Rijkdommen