Ik ben boos

Op maandag bezwijkt een pasgeboren meisje aan tetanus.

Op dinsdag overlijdt een zwangere vrouw en haar tweeëntwintig weken oude foetus ook. Oorzaak onbekend.

Op woensdag gaat een jongen van vijf onderweg van de eerste hulp naar de afdeling dood.

Op donderdag hoor ik een vrouw kermen om haar man. Die sterft op de afdeling in het ziekenhuis zonder door een arts te zijn gezien.

En op vrijdag stel ik zwijgend de dood vast bij een jongeman van vierentwintig, na een paar dagen koorts.

Nee, dit is niet het zoveelste zielige verhaal uit Afrika. Ik ben de stations van verdriet en medelijden allang gepasseerd. Dit is een boze brief.

Ik ben boos omdat dit een willekeurige greep is uit talloze onnodige sterfgevallen, die stuk voor stuk voortkomen uit armoede. Ik ben boos omdat dit geen nieuws is maar als vanouds. Een j’accuse heeft een momentum nodig, maar mijn Dreyfus zal nooit komen. Het onrecht van wereldwijde ongelijkheid is de actualiteit van dag in dag uit.

Ik ben boos omdat een bevriende docent zevenentwintig duizend kwacha per maand verdient, omgerekend ongeveer een euro per dag. Net genoeg om te overleven als je je eigen mais en groenten verbouwt en zolang je maar geen tegenslagen kent. Hoe kan hij zich toeleggen op zijn vak en de perspectieven van zijn leerlingen veiligstellen?

Op het platteland zijn de mensen bijzonder kwetsbaar. Geld voor transport naar het ziekenhuis is moeilijk op te brengen en de akkers kunnen hun boer niet missen. Vaak is het ziekteproces al onomkeerbaar als men eindelijk komt. Medisch gezien is het dan te laat, maar voor velen is het te vroeg om naar de dokter te gaan zolang er nog kans is op spontaan herstel. Ik ben boos omdat een eenvoudige bewoner van het Afrikaanse platteland nooit bij Jinek aan zal schuiven.

Ik ben boos omdat de ellende grotendeels terug te voeren is op problemen die met de juiste wil al lang zouden zijn opgelost. Onderwijs, infrastructuur, een veilig leefgebied en basale gezondheidszorg. We hebben de werkelijkheid van landen als Malawi in het schemergebied van ons bewustzijn geparkeerd. Hoe groot is onze samenleving? Waar houdt het gemeenschapsgevoel op, en hoe ver reikt de verantwoordelijkheid van een welvarende staat? Toen een groep Nederlandse artsen ons ziekenhuis onlangs bezocht, begreep ik uit hun geschokte gezichten dat men zich eerder niet had gerealiseerd wat extreme armoede impliceerde. Met deze brief raak ik mijn woede kwijt. Gelukkig maar, want een goede arts is hard van binnen en zacht van buiten. Maar ik hoop dat deze brief iets ontketent, in u, in een van u.

(deze tekst is op 29 januari 2019 verschenen op opiniewebsite Joop.nl)

Duurzaam geluk

Met een lampje schijn ik in Catherine’s ogen. De zwarte speldenknopjes vertonen geen enkele reactie. Voorzichtig maak ik de bovenste knoop van haar shirt los en leg ik mijn stethoscoop op haar glanzende huid. Ik luister naar het vertrouwde geruis door de luchtwegen, dat me doet denken aan de branding van de zee, maar sneller is, veel sneller, en hoger van toon. De spierreflexen in haar armen en benen zijn afwezig. Onder haar linkerborst, waarin melkklieren in ontwikkeling zijn, roffelt haar hart met meer dan honderd slagen per minuut.

Een collega smeert gel op de onderbuik en stelt vast dat het hartje van de kleine vrolijk klopt. Op de echo zijn er geen foetale afwijkingen te zien, de bevindingen zouden passen bij een ongecompliceerde zwangerschap van zo’n tweeëntwintig weken.

Een ongecompliceerde zwangerschap, behalve dan dat Catherine hoge koorts heeft en in coma ligt. In diepe coma, en we weten niet waarom. In ons ziekenhuis zijn de mogelijkheden tot aanvullend onderzoek uitgeput en verwijzing wordt door het universitair ziekenhuis herhaaldelijk afgewezen. Deze vrouw, van amper vijfentwintig jaar oud, gaat sterven, en haar kindje ook. Er is niemand meer die nog gelooft in een goede afloop.

Dit is het verhaal van een vrouw met HIV en epilepsie, die buiten bewustzijn was aangetroffen in het veld. Maar vooral is dit het verhaal van een vrouw ergens in Malawi, een van de armste landen van de wereld. ‘Aanvullend onderzoek’ is in dit geval een eufemisme voor een malariatest, een paar standaard laboratoriumtesten en de genoemde echoscan. Geen scan van het brein, niet eens een longfoto of een bloedkweek.

Er zijn veel dingen ten goede veranderd sinds ik tien jaar geleden als coassistent voor het eerst in Malawi was. De sterfte aan malaria is zo’n beetje gehalveerd, de HIV-epidemie lijkt onder controle te komen en ook de kindersterfte is flink afgenomen. Toch zijn er nog altijd veel mensen die buiten de boot vallen, die geen geld hebben om naar het ziekenhuis te komen (waar de zorg overigens gratis is) of bij wie de ziekte in het ongewis blijft of niet op behandeling reageert. Nog steeds gaan er veel te veel mensen onnodig dood.

In de nacht zie ik een patroon van groene en rode kronkelende lijnen en bewegende stippen en hoor ik stemmen. Rechts van me fluistert Faithless dat hij geen slaap kan krijgen, links schreeuwt een zwangere vrouw om hulp. Is dit een droom, of ben ik aan het hallucineren van de malariaprofylaxe? Dan doven de beelden en stemmen uit als een kaars in de wind die regen tegen de ramen en op de aluminium dakplaten slaat. Ik voel me leeg, ik ben het midden van de nacht, een klamme nacht die gevangen is in een muskietennet.

Wat is mijn rol, in het ziekenhuis, in dit land? Doe ik wel het goede? Is het werk dat ik verricht wel effectief en duurzaam? En ben ik niet een beetje schuldig aan de armoede om me heen? Wie als westerling in Afrika aan de slag gaat, krijgt hoe dan ook met zulke vragen te maken. Ben je het zelf niet die je die vragen stelt, dan vallen anderen je er wel mee lastig. Maar zijn die vragen eigenlijk relevanter dan de vraag of je gelukkig bent?

Ik sla het laken van me af en staar naar het punt waarmee het net aan het plafond is bevestigd, midden boven het bed. Dat is mijn poolster op het zuidelijk halfrond. Plotseling realiseer ik me dat mijn zelfkritische vragen worden ingegeven door het idee dat je thuishoort in het land waar je geboren bent. Thuis zijn betekent geen rekenschap af te hoeven leggen over je aanwezigheid. Maar geldt dat ook voor mij? Ik voel me overal ter wereld gemakkelijker thuis dan in mijn vaderland.

Natuurlijk kan het geen kwaad om jezelf zo nu en dan de vraag te stellen of je het goede doet. Als ik voor mezelf spreek: ik kan niet duurzaam gelukkig zijn zonder het welzijn van de ander erin te betrekken. Zorg dragen voor de ander maakt onderdeel uit van zorg voor jezelf. Starend naar het zenit van mijn muskietennet dwaal ik in gedachten door de dorpsstraat, waar het leven zich in al zijn vitaliteit voltrekt, en dan door mijn Nederlandse dorpsstraat op Twitter, waar ondanks de weelde waarin ze leven mensen altijd weer een reden vinden om ontevreden te zijn. Misschien is een vroege dood wel minder erg dan nooit echt te leven, denk ik, en met die schuldige gedachte val ik in slaap.

(deze column is gepubliceerd op opiniewebsite Joop.nl)

De laatste man

De mens wordt voor een belangrijk deel gevormd door het landschap waarin hij leeft. Vanuit die overtuiging bedenk ik mijn romanpersonages, dus zou ik er eigenlijk niet van moeten opkijken dat ze ook werkelijk bestaan op de plek waar het verhaal zich afspeelt. Voor mijn volgende roman ben ik bij een getijdeneiland aan de Ierse kust. Mensen die ik spreek, komen met het verhaal van Pascal op de proppen, de laatste bewoner van het eiland. The last man standing is ruim een jaar geleden overleden, enkele maanden voor zijn geest zich duizenden kilometers verderop opdrong in mijn gedachten. Pascal woonde jaren min of meer een kluizenaarsbestaan in een caravan op het uiterste puntje van het eiland. Hij was op het eiland geboren en keerde er terug na een carrière als stuntman voor hollywoodfilms, die hij abrupt afbrak nadat zijn kameraad bij een stunt was omgekomen.

Een lange wandeling brengt mij bij zijn caravan. Een van de ramen is opengebroken, en er ligt een vergane roeiboot voor het hek. De caravan kijkt uit over een baai waar de oceaan in trage golven zijn ouderdom uittelt. Konijnen schieten over het veld en verdwijnen in een ondergronds netwerk van gangen. Hoe vaak heeft Pascal hier gestaan, op deze rots, roepend naar zijn hond die de branding te lijf gaat? Hoe vaak heeft hij de huilende wind vervloekt, en hoe vaak heeft hij de wereld zien inkrimpen en uitdijen in de zeemist?

Ik haast me terug naar de zandplaat tussen eiland en vasteland. In de nabijgelegen pub hoor ik de mensen uit over mijn held, en ik maak er kennis met iemand die zich voorstelt als de koning van Claddaghduff, maar die verder geen kapsones heeft. Als ik genoeg weet, wandel mij roman uit, terug naar het dorp waar ik verblijf en onderweg regen ik nat en waai ik droog. Alles verloopt dus volgens plan, thuisgekomen in Cleggan vind ik bij de open haard mijn andere romanpersonage. Alles heeft zo moeten zijn, zoals dat in boeken en in het leven gaat.

Thuis maar anders

Na drie maanden Londen, vanwege een tropencursus, en met binnenkort vier maanden Malawi voor de boeg, ben ik even thuis in een oud vissersdorpje aan de oceaankust van Ierland. Net als Lapland is de Connemara een afgelegen streek, woest en verlaten, door de schrijver Tim Robinson getypeerd als the last pool of darkness.

Omdat ik geloof dat het karakter van de mens voor een groot deel bepaald wordt door de omgeving waarin hij leeft, ben ik in de streek waar mijn volgende roman zich afspeelt. Ik wil me in het karakter van mijn hoofdpersoon verdiepen door zijn landschap te verkennen. Ik spreek met zijn mensen, bewandel zijn paden en adem zijn lucht.

De Connemara wordt gedomineerd door de bergketen Na Beanna Beola, die volgens de mythologie is ontstaan toen een reus van de nabijgelegen Aran eilanden zijn slapende collegareus Beola probeerde te wekken door hem rotsblokken toe te werpen. Het woesteland met zijn moerassen, heuvels en meren heeft veel weg van Lapland. Het grote verschil zit hem in de nabijheid van de oceaan, die regen en wind brengt. Misschien is het wel de wind die de Ierse tongen zo los maakt. Ik was vergeten hoe het huilen van de wind klonk, en hoe je diep voorover boog om weerstand te bieden tegen de wind, want in Finland waait het eigenlijk nooit. Ik herinner me de opwinding over een naderende sneeuwstorm toen ik net in Finland woonde. De sneeuw kwam, maar wat ze een storm noemden, was hoogstens een briesje.

Net als in Finland, is de manier van leven in de laatste vijftig jaar hier drastisch veranderd. Had je in Rovaniemi de vlotterij, in Cleggan was het voornamelijk de visserij waar men van leefde. Maar niet iedereen verstond de kunst van het leven. Sommigen gingen de oceaan op terwijl er storm op komst was. De regering kwam met plannen om de moordzucht van de oceaan te bedwingen. Ieder bootje moest over apparatuur beschikken om in geval van nood zo snel mogelijk hulp te krijgen. Je moest heel wat vis vangen om dat te bekostigen. De vistechnieken werden geoptimaliseerd, de waarde van vis daalde en er kwamen regels om de visvangst aan banden te leggen. Tegenwoordig moeten de vissers een deel van de vangst overboord gooien.

Hoewel het leven ongetwijfeld beter is geworden, is er ook veel verloren gegaan. Geen landschap dient beter om daarover na te denken dan het woesteland, of dat nu Fins of Iers is.


Deze column verscheen in december 2018 in Noorderlicht, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging in Finland.

De kunst van het leven

Niet iedereen verstond de kunst van het leven. Sommigen gingen de oceaan op terwijl je wist dat er storm op komst was. Je moest beseffen dat er grotere krachten in het spel waren. Als je twee koeien had, moest je ze om de beurt laten kalven. Je moest hard werken en als je een dochter had, was het zaak om haar weerbaar te maken tegen de liefde. Wat had je aan een lieve man die geen fatsoenlijk huis bezat?

Net als overal in Europa veranderde het leven op het Ierse platteland en aan de kust op drastische wijze. Tot een paar decennia geleden had iedereen hier een paar stuk vee en een bootje om te vissen. De regering kwam met een plan om de moordzucht van de oceaan te bedwingen. Ieder vissersbootje moest over apparatuur gaan beschikken om in geval van nood zo snel mogelijk hulp te krijgen. Dat was echter een kostbaar plan, je moest heel wat vis vangen om de boel te bekostigen. De vistechnieken werden geoptimaliseerd, de waarde van vis daalde en er kwamen regels om de visvangst te reguleren. Tegenwoordig moeten vissers een deel van hun vangst weer overboord gooien, vertelt Peadar, een zachtaardige man met een baard zo wit als de schuimkoppen van de oceaan. Veiligheid is een goede zaak, zegt hij, maar het heeft ons teveel gekost. De regulatie is niet te overleven.

Kleine kinderen gaan in het dorp naar school, maar als ze groter worden, moeten ze naar het stadje even verderop. Een paar jaar later gaan ze voor college en universiteit helemaal naar Galway . Daarna vertrekken ze naar Dublin, of verder nog, naar Canada of Australië.

Sommige mensen komen terug, zoals Tina, die achter de bar staat. En er zijn ook mensen als Valery, de blonde, wat versleten vrouw die aan het tafeltje naast de open haard het ene naar het andere glas achterover slaat en mij ervan probeerde te overtuigen dat liefde een leugen is. Haar man deed in vastgoed, en zo is ze vanuit Dublin onbedoeld in deze streek beland. Ze hield van luxe, als ze een mooie jas zag kocht ze er altijd gelijk twee van, en toen ze dertig jaar geleden zwanger werd, was het van een tweeling. Die vent daarboven heeft het beste met me voor, zegt ze. Haar man is enkele jaren geleden overleden. En dat is maar goed ook, want het was een eikel. Ik heb hem vergiftigd, zegt Valery. Dat ging heel gemakkelijk, gewoon wat pilletjes in zijn drankje. Tina, die af en toe haar ogen laat rollen als Valery aan het woord is, lacht hard. Andy, de stille man aan de bar, kijkt mijn kant op en knipoogt.

Michael neem een laatste teug van zijn pint Guinness en vertrekt om zijn bejaarde moeder toe te stoppen. Ook de vrachtwagenchauffeur houdt het ook voor gezien. Valery roddelt nog wat over de mensen hier in de buurt, en die ik de komende dagen zal ontmoeten. Maar mondje dicht, zegt ze, je hebt het allemaal niet van mij.