De Kemirivier

De rivier stroomt en kolkt met donkere golven, onrustig, alsof ze veel sneller gaat dan ze eigenlijk zou willen. Sinds ze open brak, een goede week geleden, draagt ze ijsbrokken mee, platen en schotsen, afscheidskusjes van de winter. Stroomafwaarts worden ze opgelikt door de zon, die dagelijks aan kracht wint en van de vroege ochtend tot laat in de avond aan de hemel staat.

Naarmate de rivier tot wasdom komt, wordt ze wilder, en daarin verschilt ze van de mens, die trager wordt, rigide, zijn hart verzwakkend. Ik sta aan de oever en tel haar golven. Ik zou me met haar willen verenigen, me in haar baden en misschien laten meesleuren met haar driften, met haar woelen en worstelen, mijn noodkreet ongehoord, in haar woede gesmoord, ik zou mijn buik op een ijsplaat drukken en de zon op mijn rug voelen schroeien.

Pilkintä
Pilkintä op de Kemirivier

Alles is in beweging, niet alleen het water, maar ook het bos en de luchten, nadat alles zo lang heeft stilgestaan, gestold, in ijs of in ijzer gegoten. Nu mengt het luidruchtig gewoel van de rivier zich met het geraas van een vrachtwagen over de oude stalen brug, verlicht door het geschreeuw van meeuwen, sternen en uit de berken het getjilp van vogels, die ondanks alles zijn teruggekeerd. De berken zijn nog kaal, maar het bos kleurt groen van de pijnbomen, die in de winter zwart waren, met wit aangekleed. Het is nauwelijks voor te stellen dat je een week of twee geleden nog veilig over het ijs kon gaan. De vissers boorden hun gaten en hesen om de haverklap met hun korte pilkki-hengel vissen uit de diepte.

Zo wordt haar lichaam gevormd en gekneed door de tijd, het jaar en zijn seizoenen, net als ik, bemerk ik als ik bij thuiskomst in de spiegel zie dat de golven van de rivier zich in mijn voorhoofd aftekenen. Iedere keer als de rivier open breekt zullen zich nieuwe rimpels vormen en zullen de oude dieper worden. Ooit zal ik door de stroom worden meegesleurd, oplossen in het niets, en dat is een gedachte die me hoopvol stemt.

De wreedheid van april

April is the cruellest month, breeding

Lilacs out of the dead land, mixing

Memory and desire, stirring

Dull roots with spring rain.

From: The Waste Land, T.S.Eliot

Bij Rovaniemi is het ijs op de Kemirivier nog dik genoeg om overheen te lopen, maar de zomer staat voor de deur. In de stad en op de zuidelijke hellingen van de heuvels is de sneeuw grotendeels verdwenen. De dagen lengen rap, over zeven weken zal de zon beginnen aan haar toer van dertig rondjes aaneen boven de horizon.

Een week of twee geleden hoorde ik een klank die deed denken aan koperen kerkklokken en zilveren trompetten. Onmiskenbaar: de zangzwaan was terug. En er zijn meer vogels, je hoort ze overal sjilpen en kwetteren. Kort geleden was de specht nog de enige vogel die ik hoorde als ik ’s ochtends naar mijn werk liep. Aan de straat langs de rivier hakten ze in op de zinken kappen van de straatlantaarns, de speelse percussie wekte de serene witheid tot leven. De spechten zaten in vier of vijf straatlantaarns en hielden zich stil tot je onder ze doorliep. Ochtend na ochtend klonk hetzelfde galmende spel, ze moesten zich kosteloos hebben vermaakt om de mensen die onder hen voorbij kwamen en verwonderd opkeken.

De wegen en paden die tot voor kort nog als gefreesde groeven door het landschap liepen, zijn inmiddels vrij van sneeuw. Op verschillende plekken in het land hebben ze te maken met overstromingen, een krachtige lenteschoonmaak. De beren zijn al ontwaakt en de mens lacht, meer dan anders.  Maar de bloesem, de bloemen en het groen laten nog even op zich wachten. Iedere dag ziet er anders uit, alles is onderhevig aan verandering. Waar de winter eindeloos duurt, is de lente vluchtig. Daarin schuilt zowel wel de schoonheid als de wreedheid  van april.

Moon and melted river at Vanttauskoski

De roep van de kraanvogel

Om kwart voor vier werd ik wakker. Het was al licht en ik dreef in een zee van sluimerend bewustzijn toen de luidkeelse roep van kraanvogels over het meer klonk. Ik sprong overeind en keek uit het raam, maar er hing zulk een dichte mist boven het meer dat ik de vogels niet kon zien. De avond tevoren wel, toen bevond ik me op de onverharde weg die langs de moerassen en het meer naar Särkelä voert en ik stond even uit te hijgen van het hardlopen. Ik hoorde dezelfde roep, een krachtig geluid van jongvolwassen kraanvogels die vastberaden zijn aan een reis van duizenden kilometers te beginnen. Met trage maar krachtige vleugelslagen stegen ze op en vertrokken in zuidelijke richting. Met de roep van de kraanvogel werd de herfst ingeluid. In de middag trokken donkere wolken over de moerassen en de mensen vertelden me dat het gedaan was met de zomer. Komt de zomer werkelijk niet meer terug, vroeg ik bezorgd. Zeker wel, maar niet voor het volgende jaar, zo luidde het antwoord. Vanaf nu worden de dagen korter en over een maand of twee komt de sneeuw. Lapland kent vier seizoenen: lente, zomer, herfst en winter en de seizoenen liegen hier niet. Ik wilde nog wat vragen, maar toen ik om me heen de instemmend knikkende gezichten zag, slikte ik mijn vraag in. In de avond begon het te regenen en vanochtend werd ik wakker van getik tegen het raam.

Het moeras
Het moeras


De velden van Tapio

Oosterse Sterhyacint (Scilla Siberica)
Oosterse Sterhyacint (Scilla siberica)

Van de vele hardlooproutes vanaf ons huis, is die door Luolavuori verreweg de mooiste.Via parken en rustige straatjes is het zo’n twee kilometer naar het pad dat door de ruige natuur kronkelt, over pittige maar niet al te hoge heuvels, naar de rand van de archipelo. Daar, aan de oever van de zee, is de bodem van het bos bezaaid met bloemen. Het is de zonnige zijde van een heuvel, en dus de juiste habitat voor de bosanemoon. In het veld van bekoorlijk wit fonkelen paarse diamanten van het leverbloempje. Even verderop ontvouwt de Oosterse Sterhyacint haar bloem zodra ja haar haar duitse naam toefluistert, Sibirischer Blaustern, als een vrouw die haar prille volwassenheid ontdekt. Dan draait het pad weg van de zee, het land weer in, door het oeroude bos waarvan de rotsen zijn bekleed met een grauwgroen mostapijt en waar zwarte poelen hun geheimen koesteren. De roep van de koekoek wordt beantwoord door het geroffel van de specht. Dit zijn de velden van Tapio, de oude bosgod, die hier nog altijd rondwaart. Hij is het, die je ‘s ochtends met de lokroep van de vinkenslag wekt en je uitnodigt zijn paden te verkennen.

Lente

Aan de schaduwkant van de heuvels liggen her en der nog tot ijs geperste sneeuwresten als korsten van de winter, maar verder is de sneeuw verdwenen. Moeder aarde is tevoorschijn gekomen, nog bedekt met half verdorde bladeren van de afgelopen herfst: die zijn in de kou goed geconserveerd. De lijsters kwinkeleren je de oren van de kop, en het is licht van vijf uur ‘s ochtends tot na tienen in de avond. Een paar honderd meter verderop is de Aura-rivier, tot voor kort een witfluwelen ijstapijt, veranderd in een kolkende massa op weg naar zee. Het is slechts aftellen tot het ontluiken van de bosanemoon!