Over welvaart en onbehagen

Meer dan de helft van de Nederlanders heeft overgewicht, we leiden een zittend leven en spannen ons nauwelijks in, we hoeven immers geen moeite te doen om eten te bemachtigen en we hoeven ook niet ieder moment klaarstaan om bij bedreiging op de vlucht te slaan.

‘Het leven is te goed voor ons,’ zei ik laatst tegen een patiënt die kennelijk het idee had dat hij zich moest verontschuldigen voor zijn overgewicht. Overgewicht is geen ziekte, maar een symptoom. Het echte probleem is dat we te wel varen, dat onze maatschappij onze behoeften is voorbijgestreefd. De mens was in den beginne een jager, dat wil zeggen dat hij grote maaltijden in een keer verorberde om dan een hongerperiode door te komen. Maar die hongerperiode die kennen we niet meer. Dat overgewicht zo’n enorm probleem is geworden, bewijst dat we niet gebouwd zijn op de welvaartsmaatschappij waarin we leven.

Objectief gezien hebben we het allemaal prima voor elkaar, we leven lang en gezond, maar we zijn er niet gelukkiger op geworden. We ruziën over politiek, we staan op de tribunes te schreeuwen naar een scheidsrechter omdat hij op zijn fluitje blaast of dat juist nalaat, we verwensen elkaar op twitter en trekken alles wat we horen in twijfel. Hoe meer de discussies verharden, hoe minder ik geloof dat de kampen werkelijk van elkaar verschillen. Er is vooral veel boosheid, de onwil de vrede te bewaren is wat de mensen bindt en wat ze verdeelt. Als je over het verschijnsel onenigheid nadenkt, zonder je er inhoudelijk mee te bemoeien, is de enige mogelijke conclusie dat het ons juist te doen is om de stampei. Als we een rimpelloos wateroppervlak zien, zoeken we een steentje om de sereniteit te verstoren.

Ook die neiging hebben we meegekregen van onze verre voorouders. Als jagers hebben we dat scheutje adrenaline nodig, we zijn verslaafd aan de jacht, en omdat we ons eten voorgeschoteld krijgen, is de jacht een metafoor geworden. We ontwikkelen extremistische ideeën om de spanning te creëren die de jacht ooit deed, we doen dingen om te choqueren, we hebben de sensatie van gevaar en overwinning nodig om het welvaartsleven aan te kunnen. Door hem te bezitten hebben we de graal ontheiligd, en zo zetten we onze rooftocht door.

Grazers zijn redelijke dieren, ze zijn gebaat bij een gematigd klimaat, ze verkiezen een landschap dat groen genoeg is om hun honger te stillen en genoeg beschutting biedt tegen predatoren. Van spanning moet de grazer niets hebben. Maar de mens is anders, als zijn honger gestild is, wordt hij al snel onrustig. De mens is een jager, zijn handelen wordt ingegeven door driften die hij zelf niet begrijpt. Hoe kan iemand die alles heeft vervallen tot alcoholisme? Hoe kunnen mensen zich tégen Europa keren, tegen de democratie, hoewel het tegen hun belangen ingaat? Hoe kan een zo welvarende samenleving zoveel onbehagen opwekken? Is het werkelijk zo dat we ongelukkig worden als het geluk compleet is?

Arm en rijk

(dit artikel verscheen op opiniewebsite Joop)

‘Lyme is geen ziekte, want je gaat er niet aan dood,’ poneert Tom Doherty provocerend halverwege zijn lezing over tropische infectieziekten. Als een Nederlandse huisarts zich dat zou laten ontvallen, zou je het hem kwalijk nemen, maar dat doe je niet als een oude rot als hij dit zegt. Zijn stelling is gekleurd door een leven lang tropenervaring, waarbij het redden van levens vaak het enige is dat telt, en bovendien is zijn stelling gericht aan artsen die van plan zijn de wereld in te trekken om Ebola, tuberculose en malaria te bestrijden. Wat brengt de tegenstelling tussen geneeskunde in de tropen en die in het rijke Westen beter tot uitdrukking dan wat ik Doherty’s definitie van ziekte ben gaan noemen: een medische conditie waar je mogelijk aan dood gaat?

Drie maanden lang luisteren we van negen tot vijf naar experts die ons bijpraten over allerlei exotische aandoeningen met moeilijke namen, over virussen, bacteriën en parasieten die ontelbare slachtoffers maken maar waar de doorsnee Nederlander nog nooit van heeft gehoord. We brengen lange dagen door in het laboratorium, waar we de malariaparasiet en andere ziekteverwekkers met de microscoop bestuderen. We worden onderwezen in ondervoeding en leren hoe te handelen bij een plotse uitbraken van dodelijke infectieziekten.

In de avonduren vullen we het programma aan met lezingen over armoede of wereldpolitiek, en vanzelfsprekend eindigen heel wat avonden in de pub. Ook de experts die ons onderwijzen schuiven graag aan voor een paar pints, want Londen is Londen en aangezien de wereld niet te redden is, kun je de zorg voor je eigen ziel beter maar niet vergeten.

‘Dit wordt de tijd van je leven,’ werd ons beloofd toen de cursus aanving. Tot nu toe staat die voorspelling nog altijd overeind. Stop maar eens tientallen gemotiveerde artsen met vaak al jaren ervaring bij elkaar, artsen uit veertig landen uit alle delen van de wereld, die zich buiten het gebaande pad begeven voor iets waarvan ze menen dat het er werkelijk toe doet omdat ze epidemiologische getallen uit de tropen voor hen niet over cijfers gaan maar over mensen. Voed ze, die artsen, voed ze met kennis. Waar onderwijs vroeger nog deels als een verplichting voelde – je hoorde immers te studeren – weten we de kennisoverdracht nu op waarde te schatten en wordt uur na uur, dag in dag uit, iedere spreker met luid applaus beloond.

Londen is een stad van tegenstellingen. Terwijl wij in hartje Londen inmiddels inzien dat er de duizenden manieren zijn waarop een paar euro daadwerkelijk verschil kan maken – veel tropische ziekten zijn immers toe te schrijven aan armoede – gaan op luttele kilometers afstand in het economisch centrum Canary Wharf gigantische bedragen van hand tot hand. Op een vrije avond raak ik in gesprek met een vrouw die bij een hedgefonds dagelijks miljoenen Britse ponden verhandelt. Een uitgesproken kans om mijn economische ideeën te toetsen, denk ik. Want als zovelen houd ik er zo mijn theorietjes op na. Ik geloof dat ik begrijp hoe de wereldwijde ongelijkheid in stand gehouden wordt en ik meen dat met enige goede politieke wil aan armoede een eind kan worden gemaakt. Want dat blijft mijn frustratie: tropische ziekten vormen slechts de top van een ijsberg die armoede heet. Hoe denkt deze miljoenenhandelaar over armoede?

Tot een inhoudelijk gesprek komt het echter niet, want de hedgefondshandelaar doet de HIV-epidemie af als een kwestie van Afrikaanse promiscuïteit. Met armoede heeft het volgens haar niets te maken. Wanneer ik mijn gedachten uiteenzet over mogelijke regulering van de internationale markt om sociale zekerheid in arme landen te waarborgen, doet ze die ideeën af als marxistisch. Is onze samenleving dan ook marxistisch, vraag ik me af, omdat we sociale zekerheid kennen en een pensioen? Ik sta werkelijk perplex. Hoe kan iemand in rijkdom handelen zonder te weten wat armoede is?

Seksualiteit

Naar aanleiding van #MeToo denkt men over strengere regels voor seksuele omgang en zwaardere straffen. Maar of dat ons goed gaat doen?

Seksualiteit hoort bij de nacht en gesloten gordijnen. Seksualiteit is intimiteit, en eigenlijk altijd emotioneel beladen. Het is vaak heel gewild, maar kan ook juist totaal ongewenst zijn. Seksualiteit is ja maar ook nee, soms tegelijkertijd maar ja en nee kunnen elkaar ook opvolgen of afwisselen. Wil en daad lopen elkaar voorbij. Seksualiteit is ontdekken wat je wilt en gissen naar wat de ander wilt. En dat gaat de taal voorbij. Seksualiteit is een leerproces, dat ook. Leren wat goed is en wat slecht, leren waar de grenzen liggen. Maar seksualiteit is ook spijt hebben en schaamte. Seksualiteit is respect en verachting, net zoals seks lekker is en vies, teder en grof. Juist die onzekerheid over wat je zelf en wat de ander wilt, maakt seks ook zo spannend. Wie geen negatieve seksuele ervaringen heeft of nooit fouten heeft gemaakt, is nog maagd. Seks is nooit onschuldig, maar daardoor hoeven we seks nog niet in het verdoemhoekje te laten zitten.

Gestoorde seksualiteit kán ook een misdrijf zijn, maar ik denk dat dat vrij uitzonderlijk is. Vaker berust het op een misverstand, op het niet begrijpen wat de ander wil, een discrepantie tussen intentie en perceptie, een kortsluiting in het seksuele leerproces.

Ik denk dat vanwege #metoo onze verwachtingen van justitie te hoog zijn. Wil en onwil zijn immers moeilijk te bewijzen en de sporen van de daad zijn snel verdwenen terwijl de psychische gevolgen juist in de loop van de tijd kunnen toenemen. Het is vaak woord tegen woord, en daar staat de rechter machteloos tegenover.

Laten we #metoo dus vooral aangrijpen voor een stap in onze persoonlijke seksuele ontwikkeling. Verdiep je beter in wat de ander wilt en vooral in wat hij of zij niet wilt. Besef ook dat je je eigen grenzen moet bewaken, en dat het niet ok is als iemand die passeert. Juist door grenzen te respecteren, kan seks ook bevrijdend zijn. En als dat in de slaapkamer lukt, achter gesloten gordijnen, kunnen we het geleerde ook daarbuiten toepassen.

Zwarte stemmen

Een onderzoek gepubliceerd door Fireside Fiction en besproken in The Guardian bevestigt wat we eigenlijk al lang weten: de zwarte stem is in de literatuur ernstig ondervertegenwoordigd. Onderzoeker Ethan Robinson telde hoeveel verhalen in (voornamelijk Amerikaanse) literaire tijdschriften geschreven zijn door donkere auteurs. Dat waren 38 van de 2039 verhalen (1,9%) gepubliceerd in 63 tijdschriften – omwille van de leesbaarheid van dit stuk ga ik die verder de ‘zwarte verhalen’ noemen. Statistici berekenden dat de kans nagenoeg nul is dat dit lage percentage op toeval berust indien het percentage aangeboden zwarte manuscripten evenredig zou zijn aan donkere proportie van de bevolking (13,2%). Zelfs indien het percentage gepubliceerde zwarte verhalen gelijk zou zijn aan het percentage aangeboden zwarte manuscripten, zijn de verschillen tussen tijdschriften alsnog opvallend groot. Dat zou erop wijzen dat bepaalde tijdschriften meer of minder geneigd zijn donkere schijvers te publiceren.

Is dat wel zo?

Als wetenschapper dien ik eerst de studie kritisch door te lezen. Helaas wordt er niet serieus naar een andere verklaring dan racisme gezocht. Daarnaast wordt in het artikel veel nadruk gelegd op het aantal nullen achter de komma wat betreft de kans dat de gevonden verschillen op toeval berusten. Die nullen mogen voor de leek misschien indrukwekkend zijn, maar in feite betekenen ze slechts dat het verschil tussen 1,9% zwarte verhalen en 13,2% zwarte bevolking niet op toeval berust. Veel belangrijker zou het zijn om te benadrukken dat een zwarte inwoner in de Verenigde Staten een zeven maal kleinere kans heeft een verhaal te publiceren in een literair tijdschrift dan een niet-zwarte inwoner. Dat is een enorm verschil.

De verschillen tussen tijdschriften onderling zijn  lastig te interpreteren, door het lage percentage zwarte verhalen en relatief weinig verhalen per tijdschrift die de statistiek bemoeilijken. De rethoriek doet het onderzoek ook al geen recht, zo wordt een aangepaste vraagstelling voor de statistiek bijvoorbeeld toegelicht met ‘which is the most charitable to whiteness as possible‘, waarmee impliciet inhoudelijke kritiek wordt afgedaan als een vorm van whiteness. Het grootste gebrek van de studie is echter de tunnelvisie met betrekking tot de interpretatie van de getallen. De conclusie dat de literatuur racistisch is, wordt onvoldoende ondersteund.

Hebben we een probleem?

De beperkingen van deze studie leiden zo helaas af van het belang van de eenduidige bevinding dat zwarte of donkere schrijvers sterk ondervertegenwoordigd zijn. Dat toont de studie namelijk wel overtuigend aan. Hoe komt het, is het kwalijk en valt er iets aan te doen? – dat zijn  de vragen waar ik me met de beperkingen van een blanke mannelijke middenklasse schrijver wil wagen.

Natuurlijk zou hardcore racisme door een blanke elite die koste wat het kost de literaire macht aan zichzelf wil houden een verklaring kunnen zijn, maar zo iets is moeilijk om aan te tonen en zou daarom een uitsluitingsdiagnose moeten zijn: eerst moeten we zoeken naar andere verklaringen en die bevestigen of ontkrachten, voordat we stellen dat het ‘dus’ om racisme gaat. Zware beschuldigingen lokken immers defensieve reacties uit, nuancering draagt bij aan de welwillendheid om problemen te herkennen en aan te pakken.

Sex appeal en conservatisme

Als onlangs gedebuteerd schrijver ken ik de weg van de schrijftafel naar de lezer . De schrijver biedt manuscript aan bij de uitgever, en als die het boek maar sexy genoeg vindt geeft hij het uit. Als een boek wordt uitgegeven, is het echter nog niet bij de lezer. De boekenwinkelier kijkt misschien nog wel meer dan de uitgever met een marktoog naar het product, waar welliswaar geen houdbaarheidsdatum op staat maar dat vooral niet te lang op de schappen mag staan te wachten op zijn klant. Ook moet het boek zo sexy zijn dat het de recensenten zich laten verleiden en op hun beurt kunnen de sex appeal van het boek kunnen vermeerderen. Als het boek maar sexy genoeg is en zowel bij uitgever, winkelier, recensent als klant in de smaak valt, breidt de roem van het boek zich uit en bestaat er de kans dat het boek gekocht en gelezen wordt. Er zijn dus nogal wat schakels waar het, door racisme of door andere factoren, mis kan gaan.

In een tijd van moordende literaire concurrentie over de gehele keten is voor de sex appeal van een boek het commerciële aspect steeds belangrijker geworden. De uitgever en winkelier zullen niet alleen literaire of maatschappelijke waarde van het boek laten wegen, maar ook de vraag hoeveel drukken het boek gaat opleveren.

Aangezien recensenten ook maar mensen zijn, kan het zo zijn dat zij moeite hebben boeken buiten hun eigen referentiekader op waarde te schatten. Helaas is het recensenvak al even blank, mannelijk, hoogopgeleid en hoofdstads als het schrijversvak en uitgeversvak, wat de diversiteit van literatuurland vanzelfsprekend niet ten goede komt. Kortom, benauwde percepties over wat een goed boek is en commerciële overwegingen kunnen bijdragen aan een enigszins conservatief speelveld. Dat een groot aandeel van de huidige Nederlandse literatuur zich afspeelt in Amsterdam, en dat daarin vaak hoogopgeleide middenklasse blanke karakters een hoofdrol spelen, is daar een symptoom van.

Cultuur

Ook kunnen culturele verschillen bijdragen aan het feit dat het aandeel donkere schrijvers klein is. In de muziekindustrie is de relatieve oververtegenwoordiging van zwarte muzikanten in o.a. rap-, blues- en jazzscene overduidelijk gerelateerd aan culturele verschillen. Zou het zo kunnen zijn dat donkere bevolkingsgroepen zich meer toeleggen op expressievere vormen van kunst?

Opvallend is dat zowel binnen Nederland als internationaal schrijvers met een Arabische achtergrond een steeds belangrijkere literaire rol vervullen, terwijl de ‘zwarte’ inbreng achterblijft. Of het aandeel van de Arabische inbreng gelijke tred houdt met de migratie (met te verwachten vertraging van enige decennia vanwege de taalbarrière) weet ik niet, maar ik denk dat we ons geen ernstige zorgen hoeven te maken om Arabische participatie in de Nederlandse literatuur.

Uit het korset

Of de ondervertegenwoordiging van zwarte schrijvers nu met hardcore racisme te maken heeft of niet, het lijkt me van evident belang dat de literatuur baat zouden hebben bij participatie van alle bevolkingsgroepen, inclusief vrouwen en etnische minderheden. Iedere bevolkingsgroep heeft zijn eigen verhalen met eigen context. Fictie is er omwille van de literaire transcedentie, om via het woord uit de eigen belevingswereld te treden. In verhalen vereenzelvigen we ons met fictieve karakters, bewegen we ons in een wereld waarin andere wetten heersen. Zo oefenen we ons in het inleven en in het aanpassen aan een veranderende wereld. Vandaag de dag weet men zich ontzettend goed in te leven in zichzelf en in de eigen bevlokingsgroep. Het inleven in de ander zou best wel eens het medicijn voor onze tijdgeest kunnen zijn.

Als het commerciële argument doorslaggevend blijft in publicatie en beoordeling van boeken, zal de scoop van onze boekenplank zich steeds meer vernauwen, want de markt heeft nu eenmaal de neiging de goede wil te onderdrukken. Daar moeten we dus van af. We hebben voortrekkers nodig, donkere schrijvers die hun manuscripten insturen, uitgevers die hun nek durven uit te steken en maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen, of nee: uitbreiden, we hebben recensenten nodig die hun grenzen kunnen en durven te verkennen, winkeliers die nieuwe klantengroepen willen werven in plaats van hun oude klantengroep vasthouden, tijdschriften en literaire happenings die meer gaan inzetten op de maatschappelijke rol die de literatuur zou kunnen spelen. Ook welverkopende auteurs zouden solitair moeten zijn en geen percentages van de opbrengst eisen die leiden tot commerciële druk die de literatuur in zijn nauwe korset dwingt.

Wat u, als lezer kunt doen, is duidelijk. Lees Toni Morrison, lees Astrid Roemer, lees boeken die uw blikveld verwijden.

Johan Cruijff en zijn moordenaar

In 1991 overleed Queen-zanger Freddie Mercury aan aids, ten gevolge van Hiv-infectie. Dat betekende een keerpunt in de geschiedenis van de ziekte, want ineens raakte ze het hart van de westerse samenleving, terwijl aids voordien voornamelijk een ziekte was van Afrika en van minderheden waarmee de gemiddelde westerling zich niet identificeerde. Vanaf dat moment heeft de sociale acceptatie en de aanpak van hiv en aids grote sprongen gemaakt, waarvan het effect bekend is. Hiv is een behandelbare ziekte geworden en inmiddels daalt het aantal nieuwe infecties wereldwijd.

In 2016 overlijdt Johan Cruijff aan longkanker. Zonder op de hoogte te zijn van de details van zijn ziekte, is er voldoende reden om aan te nemen dat zijn moordenaar Tabak heet. Dat wordt echter in de media verzwegen omdat men bang is de indruk te wekken dat longkanker een kwestie van ‘eigen schuld’ zou zijn. Dat is onterecht, want het lijden aan een ziekte is nooit een morele kwestie. Soms hebben we daar iemand als Freddie Mercury of Johan Cruijff voor nodig om dat in te zien. Hoewel een roker gemiddeld ongeveer tien jaar aan levensduur inboet en daarnaast ook nog eens veel vaker ernstig invalideert, is dat niet waar de roker voor gekozen heeft. De roker kiest voor roken, niet voor de schadelijke gevolgen ervan.

Johan Cruijff was ooit een fervent roker, maar als hij in 1991, het jaar dat Freddie Mercury overlijdt, een bypassoperatie moet ondergaan vanwege kransslagaderverkalking, is dat voor hem reden om te stoppen met roken. Hij neemt deel aan een antirookcampagne, waarin hij zegt: ‘Ik ben Johan Cruijff. Ik ben aan twee dingen verslaafd geweest. Roken en voetbal. Voetbal heeft me alles gegeven in het leven. Roken heeft me bijna het leven gekost.’ De Spaanse versie van de reclame eindigt met de zin Fumar te mata (roken is dodelijk).

Als arts op de longafdeling in een ziekenhuis in Finland word ik dagelijks geconfronteerd met de verschrikkelijke gevolgen van roken. Als ik op de sociale media tabak aanwijs als de moordenaar van Cruijff wordt dat me echter niet in dank afgenomen. Het zijn vooral rokers die het onkies vinden, en als reactie schrijven dat er ‘zoveel in het leven ongezond’ is. Doordat tabak als doodsoorzaak in de taboesfeer wordt gehouden, beseffen mensen niet hoe schadelijk het roken is. Bijna iedere roker gelooft zelf aan de dans te ontspringen daarmee is het roken een lugubere loterij.

In Finland rookte in de jaren ’50 maar liefst tachtig procent van de mannen, tegenwoordig is dat nog maar vijftien procent en bij de vrouwen ligt dat percentage op bijna hetzelfde niveau. De regering heeft een rookvrij Finland als doel gesteld, waarbij het streefpercentage rokers onder de vijf procent ligt. Ook in Nederland is het aantal rokers gedaald, maar het percentage rokers ligt nog altijd boven de twintig procent.

Mede door de sterke tabakslobby sterven in Nederland jaarlijks naar schatting tienduizenden mensen aan de gevolgen van roken. Daarmee is de tabakslobbyist gevaarlijker dan een gemiddelde terrorist. Toch wordt roken niet als een veiligheidsrisico beschouwd. Als reactie op de terroristische aanslag in Brussel schreef Arnon Grunberg op 23 maart in zijn voetnoot: ‘Terrorisme is zelden een reële bedreiging voor staten. Op het hoogtepunt van de Tweede Intifada, toen er elke week een of meer aanslagen in Israël plaatsvonden, merkte een Israëlische minister terecht op dat er nog altijd meer verkeersdoden in Israël vielen dan dat er mensen stierven aan terrorisme.’ Grunberg had even goed met tabaksdoden kunnen vergelijken.

De roker beschouwt het recht op roken soms als een vrijheid, maar als arts stel ik vast dat roken te vaak zijn gevangenis wordt. De keuze om te gaan roken is meestal niet een keuze van rationele afwegingen en dus voldoet die keuze niet aan werkelijke vrijheid, waarbij de consequenties idealiter worden overzien. Ik zie mensen, soms al op jonge leeftijd, lijden en sterven aan tabak. De eerste keer dat ik in Nederland euthanasie meemaakte, was bij een vijfendertigjarige vrouw die vanwege hoofdpijn bij de dokter kwam, wat het gevolg bleek van uitgezaaide longkanker. In enkele weken tijd waren de duizeligheid en pijnen zo hevig dat slechts euthanasie haar uit het lijden kon verlossen. Nu hebben we ook een van onze grote nationale helden aan de tabak verloren. Ik meen dan ook dat ik in de naam van Johan Cruijff zijn moordenaar aan te mogen wijzen: Fumar te mata.

De exodus van de moraal

Dit artikel verscheen op opiniewebsite Joop.nl

Afgelopen weekend verscheen in het NRC Handelsblad een artikel over de vluchtelingencrisis van de hand van Paul Scheffer, hoogleraar Europese Studies aan de universiteit van Tilburg. In het apocalyptisch aandoend opiniestuk spreekt Scheffer van een ware exodus en waarschuwt hij voor een alsmaar toename van de aantallen vluchtelingen, die de samenleving handenvol geld gaat kosten. Scheffer ontkracht vier veelgehoorde argumenten die onbeperkte vluchtelingenopvang bepleiten om zo tot de conclusie te komen dat vluchtelingen slechts mondjesmaat moeten worden opgevangen. Daarmee zouden we ons ontslaan van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van vluchtelingen die we buiten de grens houden. Opvang in de regio is het toverwoord, wat toch gezien de huidige stand van zaken natuurlijk weinig nieuws toevoegt.

Is migratie schadelijk?

Zijn hele betoog gaat ervan uit dat een groot aantal vluchtelingen slecht is, maar in plaats van dat aan te tonen verwijst hij losjes naar veertig jaar migratiegeschiedenis. Dit is voor een hoogleraar een vreemde conclusie. Want waaruit blijkt in hemelsnaam dat immigratie slecht is? Ondanks de migratie is het bruto nationaal product in de laatste veertig jaar explosief gestegen. Nederland kent minder armoede, meer vrijheid en de samenleving wordt steeds veiliger. Het gaat dus alleen maar beter in plaats van slechter.

Volgens de statistieken doen migranten en tweede generatie allochtone Nederlanders het inderdaad iets minder goed dan autochtone Nederlanders, maar hoewel er aldus een associatief verband is, is het nooit overtuigend aangetoond dat migratie of slechte integratie hier volledig verantwoordelijk voor is. Uiteraard zadelt migratie het individu op met een maatschappelijke drempel, maar in een land met een degelijke sociale voorzieningen dient sociaaleconomische achterstand binnen een of twee generaties te worden uitgewist. Dat dit vaak niet het geval is, en etnische ongelijkheid over generaties blijft bestaan, is een maat voor falen van de staat op sociaaleconomisch vlak. Een goed voorbeeld is de Verenigde Staten, waar etnische gelijkheid nog steeds ver te zoeken is hoewel de slavernij al honderdvijftig jaar geleden is afgeschaft. Behalve sociaaleconomisch falen van de staat is ook openlijk racisme en onbewuste discriminatie hier waarschijnlijk debet aan.

De opvatting dat migratie schadelijk is, is dus nooit bewezen. Paul Scheffer is er waarschijnlijk in gaan geloven door de aanhoudende nationalistisch-fascistische propaganda van Wilders, waarin Scheffer bevestiging vindt van het beeld dat hij in zijn artikel ‘het multiculturele drama’ begin 2000 schetste – een artikel dat overigens leest als een horoscoop. Sinds 11 september 2001 heeft de moslim, en ‘dus’ de migrant van alles de schuld gekregen, en zo is het multiculturele drama tot stand gekomen, maar men zou evengoed de bankdirecteurs of extreemrechts de schuld van ‘alles’ kunnen geven, wat dat alles ook is.

De moraal

Een belangrijk bezwaar tegen het betoog van Paul Scheffer is dat hij de moraal in de vluchtelingencrisis reduceert tot de vraag of we de vluchtelingenstroom hadden kunnen zien aankomen, en dat laatste restje moraal schuift hij dan ook gemakkelijk terzijde. Met Webers onderscheid tussen overtuigingsethiek en verantwoordelijkheidsethiek houdt Scheffer ons voor dat we moeten waken voor de gevolgen van vluchtelingenopvang en daarbij sluit hij de ogen voor de gevolgen van onze politieke keuzes die buiten de grenzen van Europa, wat mogelijk een beroepsdeformatie is van de hoogleraar Europese Studies.

De morele vraag zou in de eerste plaats moeten zijn in hoeverre wij, Europa, de plicht hebben om onschuldige burgers uit conflictgebieden veiligheid te bieden en wat het mag kosten. Ja, wat kost het eigenlijk, die primaire opvang van vluchtelingen? In hoogtijweken in september beraamde Jeroen Dijsselbloem de kosten op ‘richting de miljard’, wat hoog klinkt maar in werkelijkheid slechts ongeveer 0,1% is van het bruto nationaal product (880 miljard euro in 2014).

Om ons geweten te sussen pleit Paul Scheffer voor vluchtelingenquota, wat erop neerkomt dat hij sommige vluchtelingen welkom heet en anderen terug wil sturen naar landen waar de bommen je om de oren vliegen. Het ene leven veiligstellen verleent volgens hem dus voldoende excuus de ander in nood te laten. Blijkbaar leeft professor Paul Scheffer in zijn academische ivoren toren en heeft hij het laatste jaar geen krant opengeslagen, of hij vindt verdrinkende vluchtelingen gewoon niet zijn of ons probleem.

En dat is het wel, want je moet wel een enorm bord voor je kop hebben om te menen dat het Westen niet mede verantwoordelijk is voor het machtsvacuüm en de oorlogen in het Midden-Oosten. Bovendien is er actieve participatie van Westerse strijders in de Syrische burgeroorlog. Rechts ziet hierin de bevestiging van het gevaar van de Islam, maar het vergt geen overdreven inbeeldingsvermogen om hierin juist het gevaar te zien van anti-islamisering van de westerse maatschappij, waardoor gefrustreerde jongeren door middel van een Heilige oorlog op zoek gaan naar een manier bestaansrecht te verwerven voor hun culturele identiteit.

Het alternatief: moraal en denken in kansen

Als ik een oplossing had voor de conflicten in het Midden-Oosten, was ik niet in de pen geklommen maar had ik aan de lijn gehangen met Washington en Moskou. Wel heb ik een driedelige oplossing voor het multiculturele drama en voor de vluchtelingencrisis. Het eerste onderdeel van de oplossing is allereerst uit te gaan van onze trotse Westerse normen en waarden, en die niet alleen op ons, Europeanen, te betrekken, maar ook op hen die van buiten komen en zelfs op hen die buiten de Europese grenzen blijven. Als we blijven vinden dat het allemaal niets mag kosten, is onze moraal geen knip voor de neus waard.

Een tweede oplossing is om vluchtelingen zo snel mogelijk te laten participeren, bijvoorbeeld door het creëren van gesubsidieerde banen en door verkorte opleidingen die gericht zijn om zo snel mogelijk te kunnen participeren door het elders uitgeoefende beroep hier uit te kunnen oefenen. Stages zijn daarin essentieel, want het bevordert niet alleen de arbeidsspecifieke kennis, maar ook integratie en zelfs het taalvermogen.

Een derde oplossing ligt uiteraard in het bijdragen aan een veilig land van oorsprong. Misschien moeten we ons daartoe over onze meer dan terechte bezwaren tegen leiders als Bashar al-Assad en Vladimir Poetin heen zetten en in plaats daarvan inzetten op een stabiliteit in plaats van democratie.