Johan Cruijff en zijn moordenaar

In 1991 overleed Queen-zanger Freddie Mercury aan aids, ten gevolge van Hiv-infectie. Dat betekende een keerpunt in de geschiedenis van de ziekte, want ineens raakte ze het hart van de westerse samenleving, terwijl aids voordien voornamelijk een ziekte was van Afrika en van minderheden waarmee de gemiddelde westerling zich niet identificeerde. Vanaf dat moment heeft de sociale acceptatie en de aanpak van hiv en aids grote sprongen gemaakt, waarvan het effect bekend is. Hiv is een behandelbare ziekte geworden en inmiddels daalt het aantal nieuwe infecties wereldwijd.

In 2016 overlijdt Johan Cruijff aan longkanker. Zonder op de hoogte te zijn van de details van zijn ziekte, is er voldoende reden om aan te nemen dat zijn moordenaar Tabak heet. Dat wordt echter in de media verzwegen omdat men bang is de indruk te wekken dat longkanker een kwestie van ‘eigen schuld’ zou zijn. Dat is onterecht, want het lijden aan een ziekte is nooit een morele kwestie. Soms hebben we daar iemand als Freddie Mercury of Johan Cruijff voor nodig om dat in te zien. Hoewel een roker gemiddeld ongeveer tien jaar aan levensduur inboet en daarnaast ook nog eens veel vaker ernstig invalideert, is dat niet waar de roker voor gekozen heeft. De roker kiest voor roken, niet voor de schadelijke gevolgen ervan.

Johan Cruijff was ooit een fervent roker, maar als hij in 1991, het jaar dat Freddie Mercury overlijdt, een bypassoperatie moet ondergaan vanwege kransslagaderverkalking, is dat voor hem reden om te stoppen met roken. Hij neemt deel aan een antirookcampagne, waarin hij zegt: ‘Ik ben Johan Cruijff. Ik ben aan twee dingen verslaafd geweest. Roken en voetbal. Voetbal heeft me alles gegeven in het leven. Roken heeft me bijna het leven gekost.’ De Spaanse versie van de reclame eindigt met de zin Fumar te mata (roken is dodelijk).

Als arts op de longafdeling in een ziekenhuis in Finland word ik dagelijks geconfronteerd met de verschrikkelijke gevolgen van roken. Als ik op de sociale media tabak aanwijs als de moordenaar van Cruijff wordt dat me echter niet in dank afgenomen. Het zijn vooral rokers die het onkies vinden, en als reactie schrijven dat er ‘zoveel in het leven ongezond’ is. Doordat tabak als doodsoorzaak in de taboesfeer wordt gehouden, beseffen mensen niet hoe schadelijk het roken is. Bijna iedere roker gelooft zelf aan de dans te ontspringen daarmee is het roken een lugubere loterij.

In Finland rookte in de jaren ’50 maar liefst tachtig procent van de mannen, tegenwoordig is dat nog maar vijftien procent en bij de vrouwen ligt dat percentage op bijna hetzelfde niveau. De regering heeft een rookvrij Finland als doel gesteld, waarbij het streefpercentage rokers onder de vijf procent ligt. Ook in Nederland is het aantal rokers gedaald, maar het percentage rokers ligt nog altijd boven de twintig procent.

Mede door de sterke tabakslobby sterven in Nederland jaarlijks naar schatting tienduizenden mensen aan de gevolgen van roken. Daarmee is de tabakslobbyist gevaarlijker dan een gemiddelde terrorist. Toch wordt roken niet als een veiligheidsrisico beschouwd. Als reactie op de terroristische aanslag in Brussel schreef Arnon Grunberg op 23 maart in zijn voetnoot: ‘Terrorisme is zelden een reële bedreiging voor staten. Op het hoogtepunt van de Tweede Intifada, toen er elke week een of meer aanslagen in Israël plaatsvonden, merkte een Israëlische minister terecht op dat er nog altijd meer verkeersdoden in Israël vielen dan dat er mensen stierven aan terrorisme.’ Grunberg had even goed met tabaksdoden kunnen vergelijken.

De roker beschouwt het recht op roken soms als een vrijheid, maar als arts stel ik vast dat roken te vaak zijn gevangenis wordt. De keuze om te gaan roken is meestal niet een keuze van rationele afwegingen en dus voldoet die keuze niet aan werkelijke vrijheid, waarbij de consequenties idealiter worden overzien. Ik zie mensen, soms al op jonge leeftijd, lijden en sterven aan tabak. De eerste keer dat ik in Nederland euthanasie meemaakte, was bij een vijfendertigjarige vrouw die vanwege hoofdpijn bij de dokter kwam, wat het gevolg bleek van uitgezaaide longkanker. In enkele weken tijd waren de duizeligheid en pijnen zo hevig dat slechts euthanasie haar uit het lijden kon verlossen. Nu hebben we ook een van onze grote nationale helden aan de tabak verloren. Ik meen dan ook dat ik in de naam van Johan Cruijff zijn moordenaar aan te mogen wijzen: Fumar te mata.

De exodus van de moraal

Dit artikel verscheen op opiniewebsite Joop.nl

Afgelopen weekend verscheen in het NRC Handelsblad een artikel over de vluchtelingencrisis van de hand van Paul Scheffer, hoogleraar Europese Studies aan de universiteit van Tilburg. In het apocalyptisch aandoend opiniestuk spreekt Scheffer van een ware exodus en waarschuwt hij voor een alsmaar toename van de aantallen vluchtelingen, die de samenleving handenvol geld gaat kosten. Scheffer ontkracht vier veelgehoorde argumenten die onbeperkte vluchtelingenopvang bepleiten om zo tot de conclusie te komen dat vluchtelingen slechts mondjesmaat moeten worden opgevangen. Daarmee zouden we ons ontslaan van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van vluchtelingen die we buiten de grens houden. Opvang in de regio is het toverwoord, wat toch gezien de huidige stand van zaken natuurlijk weinig nieuws toevoegt.

Is migratie schadelijk?

Zijn hele betoog gaat ervan uit dat een groot aantal vluchtelingen slecht is, maar in plaats van dat aan te tonen verwijst hij losjes naar veertig jaar migratiegeschiedenis. Dit is voor een hoogleraar een vreemde conclusie. Want waaruit blijkt in hemelsnaam dat immigratie slecht is? Ondanks de migratie is het bruto nationaal product in de laatste veertig jaar explosief gestegen. Nederland kent minder armoede, meer vrijheid en de samenleving wordt steeds veiliger. Het gaat dus alleen maar beter in plaats van slechter.

Volgens de statistieken doen migranten en tweede generatie allochtone Nederlanders het inderdaad iets minder goed dan autochtone Nederlanders, maar hoewel er aldus een associatief verband is, is het nooit overtuigend aangetoond dat migratie of slechte integratie hier volledig verantwoordelijk voor is. Uiteraard zadelt migratie het individu op met een maatschappelijke drempel, maar in een land met een degelijke sociale voorzieningen dient sociaaleconomische achterstand binnen een of twee generaties te worden uitgewist. Dat dit vaak niet het geval is, en etnische ongelijkheid over generaties blijft bestaan, is een maat voor falen van de staat op sociaaleconomisch vlak. Een goed voorbeeld is de Verenigde Staten, waar etnische gelijkheid nog steeds ver te zoeken is hoewel de slavernij al honderdvijftig jaar geleden is afgeschaft. Behalve sociaaleconomisch falen van de staat is ook openlijk racisme en onbewuste discriminatie hier waarschijnlijk debet aan.

De opvatting dat migratie schadelijk is, is dus nooit bewezen. Paul Scheffer is er waarschijnlijk in gaan geloven door de aanhoudende nationalistisch-fascistische propaganda van Wilders, waarin Scheffer bevestiging vindt van het beeld dat hij in zijn artikel ‘het multiculturele drama’ begin 2000 schetste – een artikel dat overigens leest als een horoscoop. Sinds 11 september 2001 heeft de moslim, en ‘dus’ de migrant van alles de schuld gekregen, en zo is het multiculturele drama tot stand gekomen, maar men zou evengoed de bankdirecteurs of extreemrechts de schuld van ‘alles’ kunnen geven, wat dat alles ook is.

De moraal

Een belangrijk bezwaar tegen het betoog van Paul Scheffer is dat hij de moraal in de vluchtelingencrisis reduceert tot de vraag of we de vluchtelingenstroom hadden kunnen zien aankomen, en dat laatste restje moraal schuift hij dan ook gemakkelijk terzijde. Met Webers onderscheid tussen overtuigingsethiek en verantwoordelijkheidsethiek houdt Scheffer ons voor dat we moeten waken voor de gevolgen van vluchtelingenopvang en daarbij sluit hij de ogen voor de gevolgen van onze politieke keuzes die buiten de grenzen van Europa, wat mogelijk een beroepsdeformatie is van de hoogleraar Europese Studies.

De morele vraag zou in de eerste plaats moeten zijn in hoeverre wij, Europa, de plicht hebben om onschuldige burgers uit conflictgebieden veiligheid te bieden en wat het mag kosten. Ja, wat kost het eigenlijk, die primaire opvang van vluchtelingen? In hoogtijweken in september beraamde Jeroen Dijsselbloem de kosten op ‘richting de miljard’, wat hoog klinkt maar in werkelijkheid slechts ongeveer 0,1% is van het bruto nationaal product (880 miljard euro in 2014).

Om ons geweten te sussen pleit Paul Scheffer voor vluchtelingenquota, wat erop neerkomt dat hij sommige vluchtelingen welkom heet en anderen terug wil sturen naar landen waar de bommen je om de oren vliegen. Het ene leven veiligstellen verleent volgens hem dus voldoende excuus de ander in nood te laten. Blijkbaar leeft professor Paul Scheffer in zijn academische ivoren toren en heeft hij het laatste jaar geen krant opengeslagen, of hij vindt verdrinkende vluchtelingen gewoon niet zijn of ons probleem.

En dat is het wel, want je moet wel een enorm bord voor je kop hebben om te menen dat het Westen niet mede verantwoordelijk is voor het machtsvacuüm en de oorlogen in het Midden-Oosten. Bovendien is er actieve participatie van Westerse strijders in de Syrische burgeroorlog. Rechts ziet hierin de bevestiging van het gevaar van de Islam, maar het vergt geen overdreven inbeeldingsvermogen om hierin juist het gevaar te zien van anti-islamisering van de westerse maatschappij, waardoor gefrustreerde jongeren door middel van een Heilige oorlog op zoek gaan naar een manier bestaansrecht te verwerven voor hun culturele identiteit.

Het alternatief: moraal en denken in kansen

Als ik een oplossing had voor de conflicten in het Midden-Oosten, was ik niet in de pen geklommen maar had ik aan de lijn gehangen met Washington en Moskou. Wel heb ik een driedelige oplossing voor het multiculturele drama en voor de vluchtelingencrisis. Het eerste onderdeel van de oplossing is allereerst uit te gaan van onze trotse Westerse normen en waarden, en die niet alleen op ons, Europeanen, te betrekken, maar ook op hen die van buiten komen en zelfs op hen die buiten de Europese grenzen blijven. Als we blijven vinden dat het allemaal niets mag kosten, is onze moraal geen knip voor de neus waard.

Een tweede oplossing is om vluchtelingen zo snel mogelijk te laten participeren, bijvoorbeeld door het creëren van gesubsidieerde banen en door verkorte opleidingen die gericht zijn om zo snel mogelijk te kunnen participeren door het elders uitgeoefende beroep hier uit te kunnen oefenen. Stages zijn daarin essentieel, want het bevordert niet alleen de arbeidsspecifieke kennis, maar ook integratie en zelfs het taalvermogen.

Een derde oplossing ligt uiteraard in het bijdragen aan een veilig land van oorsprong. Misschien moeten we ons daartoe over onze meer dan terechte bezwaren tegen leiders als Bashar al-Assad en Vladimir Poetin heen zetten en in plaats daarvan inzetten op een stabiliteit in plaats van democratie.

Doping en de boodschapper

Slechts nieuws voor Dafne Schippers: statistisch gezien* is de kans dat ze doping gebruikt levensgroot. Ten eerste heeft de geschiedenis bewezen dat de 100m sprint een van de vuilste sporten is, met als bekende dieptepunt de Olympische finale van 1988, waar 6 van de 8 finalisten bewezen doping heeft gebruikt.  Volgens een enquête van antidopingbureau WADA zou 29% van de deelnemers aan WK atletiek van 2011 naar eigen zeggen doping hebben gebruikt in 2010, het jaar voorafgaand aan de kampioenschappen. De lijst van geschorste atleten is dan ook niet te overzien. Voorts is iedere uitzonderlijke prestatie per definitie verdacht en een blonde meerkampster in de sprintfinale is nu eenmaal vrij uitzonderlijk. Recent kwam er nog een statistisch feitje bij: de helft van de atleten die Nederland dit jaar naar de WK atletiek zal sturen, heeft verdachte afwijkingen in bloedtests. Ten slotte heeft de Atletiekunie een dubieuze houding ten aanzien van dopingbestrijding: in het recente verleden werden dopingaffaires in de doofpot gestopt en werden dopingzondaars doodgeknuffeld. Laatste wapenfeit van de Atletiekunie is van nog geen twee weken geleden, toen de Jamaicaanse dopingzondaar Yohan Blake als special guest de Nederlandse kampioenschappen werd binnengehaald.

Met in het achterhoofd de verse herinneringen aan de dopingaffaires in het wielrennen, is het dus geen verassing dat men de nieuwste onthullingen, de verdachte afwijkingen in bloedtests, met argusogen bekijkt. In Duitsland zijn atleten de lakse houding van de IAAF zat, maar in Nederland niet. Nederlandse atleten beklagen zich niet over de IAAF, maar over de kritiek van buitenaf. ‘Ik train er zo hard voor,’ zei Dafne Schippers. Dat zij geen doping gebruikt wil ik graag geloven, maar ook dopinggebruikers trainen natuurlijk hard. Van een atlete die meedraait met de wereldtop had ik eerlijk gezegd een professionelere reactie verwacht, het zal toch niet de eerste keer zijn dat ze het woord ‘doping’ hoort. Ook collega arts en hardloper Tom Wiggers toonde zich ontstemd: juist die voorbarige conclusies zijn schokkend, volgens hem

Het zijn bizarre, wereldvreemde reacties en… voorbarig. We hebben zoveel gezien, zoveel gehoord. De Noordzee is nog steeds zout van de tranen van de wielrenners, en dan zulke reacties vanuit de atletiek, waar doping nog altijd een taboe is. Verdenkingen mag je hebben, maar niet publiekelijk uiten. In Engeland is het zo mogelijk nog erger. IAAF, bij monde van toekomstig voorzitter Sebastian Coe, noemde de onthullingen een oorlogsverklaring.

Het vreemde is dat er helemaal geen mensen direct zijn beschuldigd. De onthullingen zeggen vooral iets over de manier waarop er met verdachte afwijkingen wordt omgegaan: in sommige gevallen wordt er nog eens gecheckt, maar in bijna geen geval leidt het tot een schorsing. Het is een systeem waar ontzettend veel geld in omgaat, maar dat hele systeem lijkt te falen. Sebastian Coe, een man met een vermogen in de (vele) miljoenen, voor 100% verdiend aan de sport, beklaagde zich ook nog eens: atletiek is geen rijke sport. Ook dat is grote onzin. Het probleem is dat dopingbestrijding in het gunstigste geval als kostenpost wordt gezien, in plaats van een absoluut vereiste voor topsport.

Daar gaan de recente onthullingen over: er wordt nauwelijks getest, en als een test een verdachte afwijking oplevert, wordt er niet adequaat mee omgegaan. Duitse atleten voelen zich door de IAAF belazerd, in Nederland is de boodschapper de boosdoener. Al met al is er weinig nieuws onder de zon.

* Statistisch gezien (…): dit moet niet gelezen worden als een suggestie dat Schippers doping gebruikt, maar als een argument dat een kritische houding terecht is.

Europa?

Is Europa een continent dat we moeten verdedigen tegen gelukszoekers en gewelddadige gelovigen, of is Europa een ideologie? Antwoord je mij het eerste, dan steek ik je een dolk tussen de ribben, want mijn antwoord is het tweede: Europa is een ideologie, en ik zal die ideologie verdedigen met alles waarover ik beschik. Europa is een ideologie, jij bent degene die dat Europa bedreigt en het woord is mijn dolk.

Europa, de ideologie,  bloeit op een vruchtbare bodem van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Wat stel jij daar tegenover? Angst. Niets dan angst. Je bent bang je vermogen te zien slinken en met die angst vergiftig je de grond, de vruchtbare grond die zoveel voorspoed bracht.

Europa, de ideologie, kan geen mensen gebruiken die hun centen tellen en niets liever doen dan dat. Zoek dan een klein eilandje in de stille oceaan, waar het goud blinkt onder de tropische zon en waar niemand je zal zoeken. Maar blijf met je tengels van Europa af, van mijn Europa, de ideologie.

Europa, de ideologie, biedt de gelukzoeker geluk. Europa, de ideologie, biedt de vredezoeker vrede. Ze biedt de vrijheidszoeker vrijheid, de gelijkheidszoeker gelijkheid en de broederzoeker broederschap. In Europa, de ideologie, mag je iedere kerk bezoeken, iedere god vereren, of hem doodverklaren. Je mag je kleden zoals je wil, je mag liefhebben wie je wil. Dat is Europa, de ideologie.

Europa, de ideologie, is geen omheind weitje voor angsthazen.

Europa, de ideologie, is ook geen vruchtbaar eilandje omringd door een muur van water, door een bloedrode zee.

Europa is een idee.

Het failliet van Europa

Aan de voet van de Olympus vindt de dramatische implosie plaats van een ideologisch verbond. De Goden zullen er wel om lachen, om dat arme volk dat gebukt gaat onder een schuld die ze door de banken is toegeschoven. Maar die staatsschuld van de Grieken is het grootste probleem niet: de staatsschuld, die hoeft alleen maar kwijtgescholden te worden. Dat mag dan wel ongelukkig klinken, maar volgens de economen is er gewoon geen andere oplossing voor de economische kant van het probleem.

Varoufakis had een inhoudelijk verhaal. Met hem had Griekenland waarschijnlijk de meest deskundige en integere minister die maar denkbaar is aan de onderhandelingstafel, maar hij was zo ontzettend overtuigd van zijn zaak, dat het politieke probleem er alleen maar groter door werd. Zijn deskundigheid en overtuiging leidden er namelijk toe dat de overige spelers niet konden toegeven zonder het risico te lopen door het electoraat als verliezer te worden beschouwd. Omwille van de beeldvorming is hij opzij geschoven. Met die zet gaf Tsipras zijn tegenspeler Dijsselbloem de mogelijkheid zich uit de lastige positie te redden waarin hij zichzelf had gedrongen. Toegeven aan de Grieken zou voor hem politieke zelfmoord zijn, maar met volharden in zijn opstelling van vóór het Griekse referendum, nee = grexit, zou Dijsselbloem de complete Europese economie op het spel zetten. Met het vervangen van zijn minister hoopte Tsipras Dijsselbloem de politieke ruimte te verschaffen om te bewegen in de richting van de enige oplossing die mogelijk is, en die nota bene Varoufakis hem heeft voorgeschoteld.

Integriteit is een eigenschap die we bij politici nauwelijks meer terugzien. Toegegeven, het intelligente brilletje van Dijsselbloem, de korte zwarte krullen met een grijzende glans, de wenkbrauwen die zijn fronsen benadrukken wekken de schijn van integriteit. Maar werkelijke integriteit is een eigenschap die we eerder bij academici dan bij politici treffen. Als politicus was professor Varoufakis dus niet echt op zijn plek. Het had geweldig kunnen werken, als men met integriteit nog raad wist. Maar nee, de Belg Verhofstadt scheen vanmorgen bijvoorbeeld te menen dat de privileges voor reders en de Grieks-Orthodoxe Kerk aan de huidige crisis ten grondslag liggen. Een lachertje natuurlijk, want welk land je ook onder de loep neemt, je vindt altijd wel iets bijzonders waar je je om kunt opwinden.

Het economisch effect van de privileges van de Grieks-Orthodoxe kerk mag dan wel marginaal zijn, het effect van Verhofstadts opmerking moet niet worden onderschat. Want de beeldvorming van Europa, en daarmee ook de besluitvorming, komt tegenwoordig bijna alleen met lachertjes tot stand – maximaal honderdveertig tekens. In politiek en ook in de journalistiek is er bijna geen plaats meer voor relativering. Er is geen journalist die de moeite nam om de opmerking van Verhofstadt in perspectief te plaatsen. In plaats daarvan noemt de NOS hem ‘geëmotioneerd’, wat de lezer dan maar mag interpreteren als ‘oprecht’. Maar zijn die zogenaamde emoties van politici werkelijk oprecht?

Jarenlang gaat de Griekse bevolking reeds gebukt onder hevige bezuinigingen en zogenaamde her- of vervormingen die nauwelijks of zelfs averechts werkten. In Europa heerst er ondertussen boosheid over de Griekse pensioenen. Maar waarom zou je in hemelsnaam de pensioenleeftijd verhogen als er niet eens werk is om mensen bezig te houden? Om te begrijpen waarom de Europese leiders om de problemen heen praten, althans ten overstaan van de media, dient men zich te realiseren dat ze in werkelijkheid niet tegen de Grieken praten, maar tegen hun eigen volk. De onderbuikgevoelens worden zoveel mogelijk uitgebuit ten behoeve van het stemkapitaal. Elke sneer richting de Grieken levert bussen stemmen op. Denk aan Ruttes verkiezingsbelofte: geen cent meer naar de Grieken. Maar in die tijd wist Varoufakis (toen nog professor) al, dat het dieptepunt nog lang niet was bereikt en zelfs Europa uiteen kon drijven.

Zo wordt de democratie uitgehold door lege oneliners die de voorpagina halen – mede dankzij intellectueel onvermogen van een legioen journalisten die enthousiast meetypen met iedere treffende onliner. Voor werkelijke democratie is oprechtheid van politici en kritische houding van journalisten even belangrijk als de vrijheid om te stemmen.

Maar wat bezielt Tsipras undertussen om de clown uit te hangen terwijl zijn volk ligt te creperen? Het antwoord is heel simpel: hij hangt de clown helemaal niet uit. Het is hem en het Griekse volk menens. Tal van economen zijn het erover eens dat nog meer bezuinigen alleen maar averechts werkt. De enige werkelijke oplossing ligt bij andere landen, die moeten de Griekse staatsschuld ten minste deels kwijtschelden. Maar dat gaat er niet van komen, want als de Europese leiders zouden toegeven, gaan de duimen van het electoraat omlaag. Oud-minister Varoufakis schreef hier een sterk stuk over: Merkel heeft twee knoppen: een rode en een gele. Eén van de knoppen redt zowel de Grieken als Europa. Dat weet Merkel, maar die knop zal ze niet drukken. Dat heeft ze zichzelf namelijk onmogelijk gemaakt.

Als we over de Grieken spreken, hebben we het over een volk in de periferie, met zo een tien miljoen koppen. De staatsschuld per persoon is vergelijkbaar met die van Nederland. Het grootste verschil zit ‘m in de inkomsten. Want de gemiddelde Griek verdient nog niet half van wat een Nederlander verdient. De huidige werkeloosheid is dan ook moordend en deels te wijten aan de bezuinigingen die van Europa en het IMF zijn opgedrongen. De opmerkingen van Tsipras, die stelt dat Griekenland vijf jaar een proeflaboratorium is geweest, zijn dus helemaal niet uit de lucht gegrepen. De Griekse crisis is een Europees probleem, zegt hij. Daar heeft hij tenminste ten dele gelijk in: de afgelopen vijf jaar zijn de banken overeind gehouden, en daarmee is het geld uiteindelijk vooral bij de Duitsers terecht gekomen. En wat dan nog, al zou het een Grieks probleem zijn. Wat kan een Griek eraan doen dat hij in Griekenland geboren is? En een willekeurige Nederlander, jij of ik, hebben wij werkelijk invloed op het relatief gunstig economisch klimaat van de laaglanden, of zijn wij slechts parasieten, net als de Grieken?

In Brussel spreekt men over de euro, over geld en schulden, maar nauwelijks over de morele waarden van een Europees verbond. De crisis in Europa is dan ook slechts voor een klein deel een economische van aard. De inhoudelijke democratie staat op het spel, want de beeldvorming, de volksverlakkerij en grote woorden omwille van het electoraat onderwerpen de rede. Waar is de Europese solidariteit? Grieken zijn mensen als jij en ik: ze moeten eten en willen een dak boven het hoofd. Ze werken of zijn op zoek naar werk. Ze hebben zich een loer later draaien door leuchenachtige leiders, net als wij. Op dit moment hebben de Grieken een vriend nodig – maar wij draaien hen de rug toe. Ik zal toch niet de enige zijn die liever een maandsalaris inlevert om de Grieken te helpen hun last te verlichten (en, als we dan toch bezig zijn, nog eens een maandsalaris om vluchtelingen uit oorlogsgebieden een kans te geven in veiligheid een bestaan op te bouwen). Maar politici zijn doof voor idealen, het denken is steeds meer gericht op, de de klank van de munt. Moedeloos zien we toe hoe politici Europa moreel om zeep helpen.

Pleidooi voor het lezen in een andere taal

Meyrueis, Lozère, 26 juni 1977. Warm, bewolkt weer. Ik pak mijn spullen uit mijn auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.

Aan die laatste zin moest ik denken toen ik het pleidooi van Jan van Mersbergen las om van buitenlandse boeken alleen de Nederlandse vertaling te lezen, en ik wil u uitleggen waarom. Van Mersbergen voert verschillende redenen aan om in het Nederlands te lezen. Reden één tot en met drie vormen zijn gebrekkige beheersing van andere talen. Een prima reden, zou ik zeggen, het is precies de reden dat boeken worden vertaald – maar daar laat Van Mersbergen het niet bij. Hij haalt venijnig uit. Zo zegt hij dat niet alleen hij, maar alle Nederlanders die Engels lezen die taal niet voldoende beheersen. Bovendien is het geen onschuldige daad, volgens Van Mersbergen: ze verloochenen hun taal, zegt hij, en dat doen ze voor de status. Die stellingen brengen me bij het terrasje in Meyrueis, Lozère, 26 juni 1977. De Renner van Tim Krabbé. Een van de mannen op het terrasje is Jan van Mersbergen. Hij stoot zijn kameraden aan en wijst naar de wielrenner. ‘Wat een idioot, vinden jullie ook niet? Denkt een beetje stoer te zijn, in zijn wielrennerspakje. Maar weet je wat, wij nemen straks een taxi, dat scheelt een hoop gezweet.’

Zou de renner werkelijk het idee hebben dat hij stoer is? Onzin. Net zo min lezen mensen boeken in het Engels omdat aanzien geeft. Dat houd je misschien een hoofdstuk vol, maar geen heel boek. En zelfs al zouden mensen Engels lezen om stoer te doen, laat ze dan lekker stoer zijn, zou ik zeggen, en lees zelf de vertaling als je dat liever doet.

Maar dat doet Van Mersbergen niet, want Nederlanders nemen nu eenmaal sinds mensenheugenis zichzelf als maatstaf, een reden voor Slauerhoff om niet in Nederland te willen sterven. Bij ons in het dorp was lezen trouwens voor mietjes. Aanzien kreeg je van een mooie auto en het was stoer om een veel grotere kerel een mep te verkopen – verstandig was dat overigens niet.

Zonder mezelf als maatstaf te willen stellen, kan ik u lezen van harte aanbevelen. Lees wat u wilt en hoe u wilt. Maar als schrijvers u gaan vertellen dat u iets niet moet lezen wat wellicht te moeilijk voor u is, dan wil ik u toch een hart onder de riem steken.

Ten eerste wil ik u aanraden het onbekende niet te schuwen. Er zijn hele handige naslagwerken beschikbaar, zogenaamde woordenboeken, die de mystiek van een vreemde taal helpen doorgronden. Natuurlijk blijft het soms behelpen, zeker als u zich nog maar net aan een nieuwe taal waagt, maar oefening baart kunst.

Andere talen dan de moedertaal kunnen lastig zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat het ongezond is, dat u een ernstige vorm van kanker krijgt of u eerder doodgaat, zoals bij het roken van een sigaret. Nee, het lezen van vreemde talen is volstrekt veilig, en dat vertel ik u als dokter. Sterker nog, er zijn zelfs aanwijzingen dat meertaligheid gezond is. Het zou de levensduur kunnen verlengen en het ontstaan van dementie vertragen.

Schrijvers als Vladimir Nabokov bewijzen overigens dat je een vreemde taal heel goed eigen kunt maken. Hij schopte het zelfs tot professor en tot grootste taalkunstenaar ooit, misschien wel juist omdat hij migreerde en in een andere taal ging schrijven. Een andere grote taaljongleur is Salman Rushdie, eveneens migrant. Daarnaast zijn er tal van toonaangevende schrijvers die migreerden of in verschillende talen communiceerden, hetgeen te denken geeft dat het beheersen van vreemde talen wat literatuur betreft helemaal geen kwaad kan en zeker niet beperkend werkt.

Nu hoeft u zelf geen Vladimir Nabokov te zijn, want de Nederlandse taal is het kleine broertje van zowel de Engelse en de Duitse taal. Als u bij een Duitse tekst de ogen een beetje toeknijpt, lijkt het net of het in het Nederlands geschreven is. Voor Engels geldt min of meer hetzelfde. Als wij Nederlanders moeilijk gaan lopen doen over Engels, hoeven we ook niet van onze immigranten, veelal afkomstig uit een totaal ander taalgebied, te verwachten dat ze ooit onze taal gaan leren.

Een belangrijk voordeel van het lezen in vreemde talen, is dat uw horizon verbreedt. Vanwege het veel grotere aanbod aan schrijvers, artikelen en boeken, wordt er in het Engels, maar ook in het Duits, veel meer geschreven, en is de kwaliteit van stukken die boven komen drijven vaak veel hoger dan die in de Nederlandse taal. Natuurlijk worden de meest succesvolle boeken (niet per se de beste) naar het Nederlands vertaalt, dus kunt u ze ook in uw eigen taal lezen. Er zijn echter ook tal van artikelen en essays, die nooit vertaald zullen worden. Lees bijvoorbeeld eens wat verslagen van voetbalwedstrijden op de website van The Guardian, dan zul je begrijpen dat de Nederlandse sportverslaggeving (Voetbal International) slechts bruikbaar is om je reet mee af te vegen – iets waartoe normaal wc-papier trouwens veel beter is en nog goedkoper ook. Of mag ik verwijzen naar het essay ‘Why are you still here’ van James Meek over het lot van het Engelse vissersplaatsje Grimsby, in London Review of Books. Misschien heeft u van Grimsby nooit gehoord, maar dat doet er niet toe. Het is een prachtige vertelling dat model staat voor het algemeen wantrouwen jegens de Europese Unie en waar ik u verder niet over ga vertellen want u u kunt het ook gratis lezen op internet.

Je horizon zal niet alleen verbreden doordat er meer en beter te lezen valt in vreemde talen, maar ook omdat het denken in een andere taal ertoe kan leiden dat men gebeurtenissen vanuit een ander perspectief ziet. Dat is waarschijnlijk deels toe te schrijven aan verschillen in grammatica, maar ook doordat in vreemde landen vanzelfsprekend andere kwesties actueel of relevant zijn.

Een andere reden om in de oorspronkelijke taal te lezen, indien je die taal min of meer beheerst, is dat een vertaling altijd zijn beperkingen kent. Niet alleen vanwege nuanceverschillen in betekenis van bepaalde woorden, maar ook doordat schrijvers niet enkel de taal gebruiken om een verhaal te vertellen, maar juist de taal zelf verheffen. Zelfs de beste vertaler kan er niet aan ontkomen zijn eigen interpretatie en smaak mee te geven aan zijn werk – dat ligt niet aan hem.

Maar of u nou puur voor de ontspanning leest, of om de schrijver te leren kennen of om wijzer te worden, uiteindelijk doet u het voor uzelf. Er zijn net zoveel manier om boeken te lezen als manieren om een berg te beklimmen. De renner kiets voor het weggetje met de haarspeldbochten, een luie toerist neemt de auto. Die laatste mag dan wel het beste uitzicht hebben, maar daar heeft de klimmer waarschijnlijk geen boodschap aan.

Lees dus vooral lekker wat en hoe u wilt, laat u inspireren, maar niet ontmoedigen. Wat betreft Jan van Mersbergen wil ik u meegeven: lees hem bij voorkeur in het Nederlands. Hij is de moeite meer dan waard.

Angst

Misschien komt het door de wind die sneeuw brengt, misschien door de kou die in de botten is gekropen of het is de beklemmende duisternis die zijn wurggreep nu wel verzwakt maar zelf zijn we inmiddels ook futloos, moegestreden. Eind januari is de week van de angst. Je had het weerbericht van New York, je had de Groningse politie die een verwarde man onder schot nam en in Hilversum werd groot alarm geslagen toen een student met amper dons op zijn kin maar bewapend met een namaakgeweer met geluidsdemper het journaal probeerde te halen.

Op mijn poli had ik er ook een aantal, angstgevallen, beduidend meer dan anders. Er was angst voor kanker, angst voor de dood en angst voor de man die nog niets wist van de zwangerschap die door kunstmatige inseminatie was ontstaan en inmiddels al zo ver gevorderd was (en het hartje klopte, zo snel!).

Het lijkt of de hele wereld bang is en er is vast en zeker rede toe, maar een ding weet ik zeker: hier doe ik niet aan mee. Er mogen hele redacties overhoopgeschoten worden, er mogen vliegtuigen van de radar verdwijnen, er mogen verwoestende epidemieën uitbreken, ze mogen elkaar met raketten bestoken, de kelen doorsnijden of ze verkrachten de vrouw en laten het kind, dat alles moet toezien, het bloed van zijn vader drinken, maar de angst zal mij niet vatten.

Begrijp me niet verkeerd, ik ben namelijk geen held. Kort geleden nog stond ik met bevende knieën bovenaan de heuvel. De loipe strekte zich voor me uit, met een mooie, golvende lijn naar beneden en daar, in de verre diepte, draaide die naar links. Het is een lastige bocht waar je met een duizelingwekkende snelheid doorheen raast en je moet diep naar links hangen om je evenwicht te bewaren.

Daar stond ik. Het dal lag doodstil onder mij, als een linnen lijkwade zo wit. De schemering zweeg achter een grauw wolkendek en mensen waren er niet. Een raaf vloog traag door de lucht en verdween achter de witte kolommen van het besneeuwde naaldbos. Ik kwam uit de loipe en ging dwars op het pad staan. Met een voet deed ik een pas opzij, in de richting van het dal. Even later volgde de andere voet. Stap voor stap daalde ik zijwaarts van de helling. Ik begon vaart te maken met de passen, maar het mocht niet baten, bovenaan de heuvel verscheen Esa. Snel haalde ik mijn camera tevoorschijn om te doen alsof ik bezig was om foto’s te maken van de sneeuwhaas die over het pad was geschoten en ik zwaaide naar hem. Hij zwaaide terug.

Na de steilste fase van de helling liet ik me alsnog in de loipe glijden en een paar tellen later gleed ik soepel door de bocht. De angst had plaatsgemaakt voor schaamte. Al was ik de hele dag niet gevallen en had ik er een training van drie uur opzitten toen ik thuiskwam, voldoening gaf het niet. Ik was geestelijk afgemat. Ik kookte een eitje en probeerde me in een boek te verdiepen, maar niets kon die dag meer goedmaken.

De volgende dag deed ik het rondje over. Bovenaan de heuvel was van de angst van de dag tevoren niets overgebleven, slechts de schaamte restte. Ik deed of ik de helling niet zag en liet me door de knieën zakken. Met een zachte ‘g’ gleden de latten door de loipe. Ik vouwde mijn handen voor mijn borst en drukte de stokken langs mijn zij, zodat ze achter me in de lucht staken. Naarmate ik aan snelheid won deed de koude lucht meer pijn aan mijn wangen. De bocht kwam dichter en dichter op me af. Ik dacht aan de sneeuwscooters die ik eerder had gezien, precies in de bocht kruist hun route die van mij, wist ik. Van de loipe zou daar nog maar weinig zijn overgebleven, maar ik had geen tijd om daarbij stil te staan, de bocht naderde als een komeet. Geforceerd helde ik naar links, zo probeerde ik tegenwicht te bieden aan de snelheid en de bocht die me naar rechts trokken. Met mijn rechterbeen drukte ik hard naar buiten tegen de opstaande rand van de loipe en ik verschoof mijn zwaartepunt nog iets verder naar links.

Opeens maakte ik een driedubbele rol. De latten kwamen daarbij in onmogelijke knoop met mijn benen. Ik had een enorme klap gemaakt maar het deed geen zeer. Een man kwam net door de bocht omhoog, hij had me zien vallen. Ik klopte de sneeuw van me af en mompelde een groet. Een kleine honderd meter verderop hield ik even stil om op adem te komen. Ik keek om en zag hoe de man van daarnet halverwege de helling omkeerde en beheerst door de bocht draaide. Meewarig schudde ik het hoofd.

De pijn van de val kwam pas een dag later. Het was pijn van beurse spieren en het was de pijn van roekeloosheid. Gedurende twee dagen kon ik mijn arm nauwelijks heffen, maar het was een pijn die me tevreden stelde, want het is tien maal beter om keihard te vallen dan aan de angst toe te geven en sierlijk door de bocht te glijden.

Schemering op de Kirintövaara
Schemering op de Kirintövaara