Een eenzaam protest

Terwijl in Parijs honderdduizenden mensen samenstromen, begeef ik me naar het marktplein van Posio, ons dorp in Fins Lapland. Het is ruim twintig graden onder nul, maar de wind van de afgelopen dagen is gaan liggen. Met drie broeken over elkaar is het vandaag goed te doen. Dwars over het plein, dat bedekt is door een halve meter sneeuw, is een baan sneeuwvrij gemaakt. Ook bij de papier- en vuilniscontainers is de sneeuw geruimd, maar aan de andere kant van het plein liggen er grote bergen van aangeschoven sneeuw. Het houten theater, op de hoek van het plein, is gesloten – zoals altijd.

Het is al donker. Het plein is niet verlicht, maar de weg aan de zijkant ervan wel. En er zijn sterren. Er is de Grote Beer en de Poolster en er zijn nog tal van sterren die zich buiten constellaties lijken te bevinden maar dat komt omdat de avond nog vroeg is. Ik loop op en neer over de sneeuwvrije baan op het plein. Af en toe speur ik de hemel af op een spoor van de poollichten, dan weer dwaalt mijn blik over de berken aan de rand van het plein met de dikke sneeuwklodders op hun takken.

Een vleugje wind snijdt me in het gezicht. Mijn lippen en wangen zijn bevroren. Ik trek de muts dieper over het hoofd en vraagt me af wat ik hier eigenlijk doe. Was ik onderweg naar de supermarkt, aan de andere kant van het plein? Dan mag ik wel haast maken want die sluit op zondag om zes uur. Of ben ik hier uit saamhorigheid, om te demonstreren voor vrede en tegen terrorisme? In dat laatste geval ben ik hier de enige. Zojuist kwam er wel een oud vrouwtje langs, maar zij is dementerend en heeft geen idee in welke tijd we leven, weet ik, want ze is laatst nog op mijn polikliniek geweest.

Had ik me dan naar Helsinki moeten begeven? Dat ligt duizend kilometer zuidelijker en daar hebben zich niet meer dan tweehonderd mensen verzameld. In elk geval valt daar wat te neuken, en daar is het de meeste demonstranten natuurlijk om te doen. Demonstreren in de schaduw van de verschrikkelijke geschiedenis en dan neuken uit saamhorigheid. Dat geldt vast niet voor iedereen, want ik kan me niet voorstellen dat Hollande en Merkel, …, nee, die hebben vast en zeker politieke bijbedoelingen.

Wat zou ik nou bij een demonstratie te zoeken hebben? Ik kom thuis niets tekort en Posio is trouwens de meest vreedzame plek die ik me kan indenken. In de winter blijven de mensen zoveel mogelijk binnen, en in de zomer is men zo blij met de zon die wekenlang niet ondergaat, dat men helemaal geen benul heeft van de geschiedenis die zich voorbij de horizon afspeelt.

Politiek is typisch iets voor het stadsvolk, voor mensen die te dicht op elkaar wonen en daar zo zenuwachtig van worden, dat ze elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Hier in Posio vind je een kerkje maar geen moskee of synagoge. Ik ben atheïst en woon ongetrouwd samen maar daar heb ik nog niets kwaads over gehoord. Posio is een heel tolerant dorp. Cartoonisten, terroristen en schreeuwende politici kennen we hier niet. Wel was er laatst een journalist, maar die kwam vanwege een gift. Op de begrafenis van een overleden patiënt was door familieleden geld ingezameld en daarvan kochten ze een televisiescherm voor op de afdeling van het gezondheidscentrum. Dat was een mooie gelegenheid om het lokale krantje van enige inhoud te voorzien.

De kou dringt langzaam door de kledinglagen heen en ik heb er genoeg van. Stel nu dat je helemaal niet wilt neuken en ook geen politieke bijbedoelingen hebt, waarom zou je dan gaan demonstreren, vraag ik me af. Je kunt toch ook prima tegen terrorisme zijn en voor vrede, zonder aan demonstraties mee te doen? Moest je de kranten nou eens zien! Op internet maakte het NRC een waar feest van de aanslagen in Parijs. ‘Drie dagen angst. Wat weten we nu?’ kopte de krant vanochtend nog op het internet. Al drie dagen lang vulde Parijs de voorpagina van de website, en nog steeds was alles live te volgen, alsof het de Tour de France betrof. Al die sensatiegeilheid en het gebruik van termen als ‘angst’ zijn koren op de molen van de terrorist. Juist door zulke kranten en door aandacht op sociale media bereiken de terroristen precies wat ze willen. Invloed. Maatschappelijke chantage. Het internet is misschien wel het sterkste wapen van het moderne moslimterrorisme.

Het is trouwens nog maar de vraag of moslimterrorisme een goede term is. Veel moslims vragen uitdrukkelijk om het terrorisme los te zien van hun geloof. Dat wil ik best doen, maar ik vraag me af of het terecht is. Men zou de moslim namelijk ook kunnen antwoorden: jij kiest toch zelf voor dat geloof? Natuurlijk wil ik ‘de moslim om de hoek’ (fictief, hier in Posio), niet de schuld van de terrorist in de schoenen schuiven, want ieder mens is slechts verantwoordelijk voor zijn eigen daden. Als God zou bestaan, zou Hij zeker ter verantwoording moeten worden geroepen, maar in mijn perceptie is het geloof in God een abstractie vermenigvuldigd met een niet-bestaandheid – het behoeft wel enorme kunstgrepen om aan zo iets dergelijks iets op te hangen. Aan de andere kant vormen religies en stromingen binnen religies sinds mensenheugenis al een belangrijke factor in allerlei conflicten en bovendien zijn het juist de terroristen die geweld aan hun religie koppelen. Misschien moeten we dan maar pragmatisch zijn: je zou kunnen veronderstellen dat we met het ontkoppelen van geweld en het geloof, de kwaadwillende moslim moreel ontwapenen.

Als het kwaad niet in de religie zit, waardoor komt het dan dat in de zeer recente geschiedenis juist moslimjongeren ontsporen? Geen lastige vraag, bedenk ik me terwijl ik de huissleutel opdiep uit een zakje in de onderste broek: sinds Pim Fortuyn hebben de moslims van alles de schuld gekregen, net als de joden in de eerste helft van de vorige eeuw. Terrorisme is een van de vele manieren om tegen zulke morele onderdrukking in het verweer te komen – gelukkig laten de meeste moslims zien dat het ook op andere manieren kan.

Binnengekomen neem ik mijn langlaufski’s en stokken in de arm en dan vertrek ik voor een koude en eenzame vredesmars door het bos. Een echte demonstratie wordt het niet, want ik weet niet waarvoor of waartegen ik eigenlijk demonstreer. Via internet zijn we dan wel getuige van de geschiedenis, maar zijn we er ook deelgenoot van? Is de geschiedenis misschien een kwaadaardig monster waarbij je maar beter uit de buurt kunt blijven? De moraal is wat ons mens maakt, maar vrede lijkt soms wel voorbehouden aan de plekken waar de mens zich niet vertoont. Is de moraal dan een brouwsel van giftige ingrediënten? Is vrede niet gewoon dat je de ander laat begaan, ook als hij iets doet wat in strijd is met jouw moraal?

Vrijheid van religie is trouwens een leugen, niet door gebrek aan tolerantie, maar doordat mensen hun religie niet bewust uitgekozen hebben, meen ik, als ik me tegen de zwaartekracht in langs een steile helling naar boven werk. Nu werk ik, maar straks mag ik glijden. Meestal is religie met de paplepel ingegoten, in andere gevallen is het misschien een kwestie van hersenspoeling of psychiatrische ziektebeelden. Verleden jaar had ik op de afdeling een jongeman die ‘tot religie was gekomen’ zoals je dat in het Fins zegt. Ook had hij hoofdpijn. Ik vertrouwde het niet en haalde de neuroloog erbij. Die liet een MRI-onderzoek verrichten en zo werd hersentumor gediagnosticeerd.

Maar dat zegt niets over de moslim die als moslim geboren is, die gelooft omdat hij niet anders kan en misschien wel niet anders kan omdat er mensen zijn die hem het geloof af willen nemen. Het geloof als verdedigingsbolwerk, om niet moreel te worden geëxploiteerd. Zo zijn de cartoonist en de moslim morele bondgenoten, want het enige wat ze verlangen is werkelijk vrij te zijn, denk ik, en ik realiseer me plotseling dat ik het ondanks de kou warm heb gekregen.

Kerstgedachte

Wonend in Lapland, dichtbij de poolcirkel, is het me wel duidelijk wat er met kerst te vieren valt. Even voor kerst is de kortste dag van het jaar, de zon ontstijgt de horizon nog geen halve graad. Vanaf de kerst lengen de dagen in rap tempo, tot over een half jaar de langste dag drie weken duurt.

In Nederland hield ik niet zoveel van de kerst. In mijn kindertijd hadden we een kerstboom en een doos vol kerstspullen. Van al die blinkende sieraden in de doos vond ik de piek het mooiste, maar om onbegrijpelijke redenen moest de piek in de doos blijven, de kerstboom bleef piekloos. Voor de rest associeer ik de kerst met verdrietige kerstverhalen zoals De Kerststal van Knötelö, door Aart Staartjes ingesproken op LP, en met onbenullige onenigheden bij het kerstdiner. Voor de gelovigen is er tenminste nog het heilige schijnsel van de geboorte van Jezus, maar ik ben schoon van geloof opgevoed en kan me aan die Goddelijkheid niet warmen.

Maar stel nu, dat ik op een dag zou besluiten in God te geloven. Tot welke God moet ik me dan wenden? Ik moet alle Heilige boeken lezen om de juiste keuze te maken. Voor zover religie los staat van tradities, gaat het over geloof, dus zal ik het meest geloofwaardige Boek uitkiezen.

Na het lezen van de Boeken is het me al gauw duidelijk dat er één God is, want daar zijn de Koran, de Bijbel en de Thora het over eens. De Boeken laten verrassend weinig los over de aard van God, en op de achterflap ontbreekt een afbeelding waardoor we zouden kunnen zeggen: kijk, Allah heeft flaporen, Jaweh kijkt een beetje scheel en de christelijke God heeft een kromme neus. God laat zich slechts definiëren naar zijn werk, als een kunstenaar die geen interviews geeft; God is de schepper van de wereld, zeggen de Boeken, er is één wereld, en dus is Jaweh God, God is Allah en Allah is Jaweh.

Met deze drieëenheid lijkt de Godskwestie opgelost. Joden, Christenen en Islamieten aanbidden dezelfde God, namelijk de God van Abraham. Toch brengen de Boeken me enigszins in verwarring, want waarom laat één en dezelfde God drie verschillende Boeken na die verdeling (vergeef me dit eufemisme) zaaien?

Het is moeilijk om een keuze te maken voor een van de Boeken. Voor elk van de Boeken valt wel iets te zeggen, maar er valt evenveel tegenin te brengen, want ze handelen niet alleen over liefde, maar ook over geweld en onderdrukking met een neiging naar verbanning van andersdenkenden. De keuze zou misschien niet zorgvuldiger maar wel gemakkelijker zijn, als een religie me met de paplepel was ingegoten, of als Hij op een Heilig Moment zou verschijnen om me te wijzen welk Boek het juiste is.

Maar zo een Heilig Moment is slechts uitverkorenen gegund, en tot hen behoor ik blijkbaar niet. Ik lees alleen verhalen waar mijn verstand niet bij kan en wetten die in strijd zijn met die van mijn hart. Na het lezen van de Boeken schud ik slechts in verwarring mijn hoofd. Maar wat nu, denk ik opeens, als juist die verwarring mijn Heilige Moment is? Liet Hij ons de Heilige Boeken na om ons iets duidelijk te maken? Het verstand en het hart kregen we immers ook van Hem. Het verstand zegt me, dat het bestaan van drie verschillende Heilige Boeken slechts de bedoeling kan hebben om de mens te duiden dat we in Boeken geen wijsheid moeten zoeken, het geschreven woord is een leugen. Zonder de Boeken kan men een zuiver leven leiden, zonder hart en verstand niet.

Waak voor Russofobie

In de Nederlandse schaatsploeg heerst twijfel: moet men naar Rusland afreizen voor de EK Allround, of is het beter van niet? Coach Jan van Veen heeft alvast een keuze gemaakt, hij laat de EK aan zich voorbij gaan vanwege de rol die Rusland speelt op het internationale toneel.

Dat is een verademing. In de sport is het namelijk lange tijd de mode geweest om de moraal opzij te schuiven. Dat kun je de sporter moeilijk kwalijk nemen, want topsport is individualisme pur sang en bovendien is topsport nauw verweven met nationalisme: topsporters kunnen daardoor internationaal bruggen bouwen als politici niet meer met elkaar kunnen praten.

Maar als een leider kampioenschappen naar zich toetrekt om het nationalisme verder te voeden, dient men voorzichtig te worden, want dan dreigt de sporter een politiek wapen te worden. Dat is het statement van schaatscoach Van Veen: sport is politiek. Het is dus goed dat er sporters zijn die bereid zijn om hun eigen sportieve belang opzij te zetten in dienst van het maatschappelijk belang.

Aan de oprechtheid van de schaatsers twijfel ik niet. Coach Van Veen noemde de buitenlandse politiek van Rusland als reden om van het reisje Rusland af te zien. Marijn de Vries noemde in haar column een andere reden: het geïnstitutionaliseerde gebruik van doping om Russische sporters op het wereldtoneel te laten presteren.

Er zijn genoeg redenen voor een kritische houding jegens Rusland en zijn leider Poetin, maar de Finse premier Alexander Stubb waarschuwde onlangs voor overdreven Russofobie. En daar zit wat in: de ‘foute zaken’ in Rusland krijgen in de Westerse kranten onevenredig veel aandacht, terwijl de positieve zaken, zoals bijvoorbeeld het politiek asiel van Edward Snowden, met louter scepsis worden ontvangen.

Er is het een en ander af te dingen op de kritiek jegens Rusland. In het Westen was bijvoorbeeld recent veel aandacht voor de invoering van een wet die homo- ‘propaganda’ verbiedt, omdat die wet kan worden misbruikt om homoseksualiteit zelf te bestraffen. Dit is vooralsnog echter nog niet gebeurd – slechts een handvol mensen is tot een geldboete veroordeeld na pro-homoseksuele uitingen in de media. Homoseksualiteit is in Rusland niet verboden, maar wel in tal van andere landen, waaronder Qatar, waar in 2022 het WK voetbal zal plaatsvinden.

De Russische betrekkingen met Oekraïne zijn uiteraard zorgelijk, maar ik begrijp niet goed waarom Europa niet instemt met verkiezingen in Oost-Oekraïne over eventuele onafhankelijkheid. Met een beetje moeite moeten zelfs daar toch wel eerlijke verkiezingen zijn te organiseren? Als het land werkelijk zo gespleten is, waarom moeten we de boel dan met geweld bij elkaar houden? Of gaat het ons helemaal niet om de Oekraïners, maar om de Europese invloedssfeer? Is het dan een banale krachtsmeting tussen Rusland en Europa over de ruggen van de bewoners, met schuld aan beide kanten?

Persoonlijk maak ik me net zoveel zorgen om Rusland, als om de anti-Russische eensgezindheid van de Westerse media. De Russische kranten schrijven wat Poetin wilt lezen, de Europese kranten schrijven wat wij willen lezen. Kritiek op Rusland scoort, een zelfkritische houding in het Russisch-Europees conflict kan op weinig sympathie rekenen. Zo hebben wij in Europa geen censuur nodig – die leggen we onszelf wel op. Zo was er bijvoorbeeld nauwelijks kritiek op de sancties tegen Rusland, die toch weinig democratisch zijn te noemen. Waarom ontbreekt bijvoorbeeld de naam van Roman Abramovitsj op de zwarte lijst Russen? Hij is een van de welvarendste en invloedrijkste Russen en een vertrouweling van Poetin. Het is een interessante, maar geen moeilijke vraag, want Abramovitsj is tevens eigenaar van de Engelse voetbalclub Chelsea. Tel maar na wat een boycot voor maatschappelijke impact zou hebben – ook het brave Europa gebruikt de sport dus als politiek wapen.

Europa zondigt bovendien nog meer: de grenzen zijn voor vreemdelingen hermetisch afgesloten, zodat jaarlijks duizenden mensen sterven in een poging Europa over zee te bereiken- we menen dat het onze verantwoordelijkheid niet is, maar wiens schuld is het dan wel? In de Verenigde Staten is de doodstraf, die in Rusland al lang is afgeschaft, nog steeds dagelijkse praktijk. Onlangs werd duidelijk dat de Verenigde Staten gebruik maakt van verschrikkelijke martelmethoden. Toch verwacht ik niet dat de Europese leiders hun Amerikaanse collega gaan opbellen om hun zorgen te uiten, laat staan dat we gaan overwegen om de Verenigde Staten te boycotten.

Waar ligt dan de grens? Wat accepteren we en wanneer moeten we een land boycotten? In hoeverre staat sport los van politiek? Twijfel is het beste antwoord op dergelijke vragen, schreef Wilfried de Jong. Ik ben het met hem eens, want in veel gevallen dient de sport prima om culturen te overbruggen en om mensenrechten te verspreiden.

Een van de problemen is, dat in bijna iedere sport kampioenschappen min of meer te koop zijn. Doordat er geen plafond is vastgesteld in wat een kampioenschap mag kosten, is de kandidaat met het grootste budget meestal degene die het kampioenschap mag organiseren. Qatar en Rusland zijn momenteel de landen die bereid zijn flink in de buidel te tasten om kampioenschappen te organiseren. Zouden er redelijke plafonds worden ingesteld, dan zouden sportieve en maatschappelijke belangen een grotere rol gaan spelen in de toewijzing van kampioenschappen en worden sporters niet zo gemakkelijk betrokken in het politieke spel.

Terugkomend bij de schaatsers, omarm ik, net als Wilfried de Jong, hun twijfel. Een kritische houding is altijd goed, er zijn geen gemakkelijke antwoorden in moeilijke kwesties. Twijfel is misschien geen antwoord op een vraag, maar wel de bevestiging ervan.

Open brief aan de voorzitter van de Atletiekunie

Beste Theo Hoex,

met groot ongenoegen heb ik zojuist vernomen dat de internationale atletiekfederatie IAAF heeft besloten dat de WK atletiek in 2019 zullen plaatsvinden in Doha, de hoofdstad van Qatar.

Het kan u niet ontgaan zijn dat Qatar op dit moment openlijk verdacht wordt van het WK voetbal van 2022 op oneigenlijke wijze te hebben bemachtigd. Vandaag verscheen in het nieuws, kort na de bekendmaking van de keuze van de IAAF, bovendien het bericht dat José María Odriozola, voorzitter van de Spaanse atletiekbond RFEA, scherpe kritiek heeft geuit op de toewijzing van de WK atletiek aan Doha, waarbij de WK met zo’n 28 miljoen euro zouden zijn gekocht.

Bovendien werd deze week bekendgemaakt dat Qatar op de vierde plaats van de slaveryindex staat. Er zijn internationaal grote zorgen over de werkomstandigheden van de bouw van de voetbalstadions voor het WK voetbal, er vallen duizenden doden en er zou sprake zijn van onderbetaalde en gedwongen arbeid.

Gezien deze bijzonderheden vind ik het uiterst kwalijk en bovendien verdacht dat de IAAF heeft gekozen voor Doha.

Ik wil u hierbij vragen om namens mij, en waarschijnlijk vele andere Nederlandse atleten

  • er bij de IAAF op aan te dringen dit besluit terug te draaien vanwege de bijzondere omstandigheden hierboven benoemd.
  • onderzoek te laten doen naar de vraag op welke manier dit besluit van IAAF tot stand is gekomen, aangezien er op het eerste gezicht een sterke verdenking op omkoping is.
  • indien ondanks bovenstaande bezwaren de keuze voor Doha gehandhaafd blijft, erop toe te zien dat de werkomstandigheden van arbeiders die bij de voorbereidingen van de wereldkampioenschappen betrokken zijn, zodanig zijn, dat er geen onnodige slachtoffers zullen vallen en er geen gebruik wordt gemaakt van onderbetaalde of gedwongen arbeid, zodat onze atleten met een zuiver geweten kunnen deelnemen aan de kampioenschappen.

Een nieuw wereldrecord – doping?

Dennis Kimetto in Berlin
Dennis Kimetto in Berlin, picture http://www.IAAF.org

In Berlijn liep Dennis Kimetto een klinkend wereldrecord, met 2:02’57 bijna een halve minuut sneller dan het oude record dat sinds 2013 op naam stond van Wilson Kipsang. Oud marathonloper Luc Krotwaar (2u10’13 in 2003) zet openlijk zijn vraagtekens bij het nieuwe record. Volgens hem is er 10% kans dat het record dopingvrij is. Terecht?

De beschuldiging komt natuurlijk niet uit het niets. Het is nog niet zo lang geleden dat de complete wielrentop aan de doping zat. Marathonlopen is tevens een duursport, dus zouden bepaalde methoden (EPO, bloeddoping) ook in de marathonsport effectief kunnen zijn. Bovendien staat het anti-dopingbeleid van Kenia ter discussie. De afgelopen jaren zijn tal van Kenianen op doping betrapt en in oktober 2013 tikte de WADA (wereldwijde anti doping agentschap) de Keniaanse atletiekbond nog op de vingers vanwege tekortkomingen in controle en bestrijding van dopinggebruik. Volgens Luc Krotwaar wordt in de trainingsperioden van atleten nauwelijks op doping getest omdat er geen laboratorium binnen bereik is. Atletenmanager Gerard van de Veen stelt echter dat Dennis Kimetto meer dan tien keer gecontroleerd is binnen één jaar. Doping is onzin, zegt hij. Ook anderen bestrijden dat er in Kenia niet of onvoldoende wordt getest.

Wie heeft er nu gelijk? Op de insiders atletiekwebsite Losseveter krijgt Luc Krotwaar er hard van langs: hij heeft geen concrete aanwijzingen en speculeren over dopinggebruik is schadelijk voor iedereen. Kortom, de toon en argumentaties zijn hetzelfde als in de periode dat iedere wielrenner ‘s nachts aan het infuus hing en critici verbaal werden afgetuigd. Sedertdien is iedere topprestatie per definitie verdacht en zolang doping niet aangetoond is, heerst er twijfel. Van Armstrong hebben we bovendien geleerd dat een negatieve dopingtest helemaal niet betekent dat een prestatie schoon is en zelfs bij een positieve test wil een betrapte atleet ons doen geloven dat er sprake is van een zogenaamde fout-positieve test. Kortom, zekerheid bestaat niet.

De eerste vraag is of de prestatie van Dennis Kimetto zo bijzonder is. In het verleden heeft hij al bewezen enorm hard te kunnen lopen en gezien de optimale omstandigheden in Berlijn (10 graden, geen wind, vlak parcours, 1 tegen 1 strijd tot eind van de race) is de prestatie helemaal niet zo opzienbarend (toegegeven – een opzienbarend statement bij een opzienbarend wereldrecord). Wat ik persoonlijk veel opvallender vind, is dat een tijd onder de 2u05 tot 2006 nog uniek was (Slechts eenmallig voorbehouden aan Paul Tergat en Sammy Korir in Berlijn, 2003) en sindsdien tientallen atleten die tijd hebben beslecht. Een ander opvallend feit is dat sinds 2012 de Ethiopiërs ineens terug zijn in de marathontop, terwijl voordien Haile Gebrselassi de enige Ethiopiër was die onder de 2u05 liep. Dat riekt, nietwaar? Aan de andere kant, als doping zo’n liefhebberij was onder Europese wielrenners, waarom zouden Afrikaanse atleten wel en Europese marathonlopers niet gebruiken?

Zijn er andere verklaringen voor de snelle Afrikaanse progressie dan doping? Michel Butter stelt dat de Keniaanse trainingsmethodes zijn verwesterd en dus beter zijn geworden, wat gezien de armoedelijke staat van het westerse marathonlopen een bijzondere opvatting is. Kamiel Maase, die een semiwetenschappelijke functie bekleed bij NOC-NSF, gooit het (niet al te wetenschappelijk) op de psyche, in zijn ogen gaat het om een mentaliteitsverandering. Van de overige Nederlandse kenners zijn de meesten zo direct in het Keniaanse marathonwereldje verweven, dat hun mening niet als objectief kan worden beschouwd.

Blijft staan de mening van Luc Krotwaar, tenslotte, die stelt dat het laatste wereldrecord waar hij zijn handen voor in het vuur durft te steken, dat van Belayneh Densoma is, die in 1988 2:06’50 liep. Toen was Krotwaar 20 jaar; aangezien een minderjarige niet in staat kan worden geacht om in te schatten waarvoor hij wel en niet zijn handen in het vuur kan steken, gaat het dus om slechts één wereldrecord waar hij in gelooft. Misschien moeten we de verklaring van Luc Krotwaar dan ook anders opvatten, en zegt hij eigenlijk dat hij op twintigjarige leeftijd het vertrouwen in de medemens heeft verloren.

Verdorie, blijven we over met speculaties en onbetrouwbare verklaringen. Wat moeten we daar nu mee? Wel, in mijn ogen staat gezonde twijfel dichter bij de werkelijkheid dan een overtuiging. Twijfel is redelijk en twijfel is bovendien wat de mens tot mens maakt: Puisque je doute, je pense; puisque je pense, j’existe. Met deze onzekerheid moeten we het dus doen. Het is aan de Keniaanse atletiekbond, atletenmanagers en atleten (deze laatsen zijn, indien ‘schoon’, immers gebaat bij schone concurrenten) om met gedegen laboratoriumvoorzieningen en niet-corrupte laboranten de twijfel tot een minimum te reduceren en het is aan ons allemaal om scherp op te letten en niet slechts te geloven wie we willen geloven, want feit is dat voor doping de marathon in potentie een gewillig slachtoffer is. Een dubieuze houding van de Keniaanse atletiekbond kent slechts verliezers.

Kortom: twijfel is altijd gezond en in dit geval zelfs terecht, maar bewijs voor een uitgebreid dopingnetwerk, zoals we dat in het Europese wielrennen kenden, in Kenia en Ethiopië is er nog maar allerminst.

Het Oordeel

Na ruim een halfjaar huiskameroverleg is de Commissie Gelijke Behandeling eruit: bij de Utrecht Marathon werd er verboden onderscheid gemaakt tussen buitenlanders en Nederlanders. In een persbericht valt te lezen dat de Nederlandse nummer één 10.100 euro won en de Keniaanse nummer twee met 80 euro naar huis kon gaan terwijl de Nederlandse nummer drie maar liefst 7.500 dukaten in zijn zak kon steken. Dat klinkt niet eerlijk, dus kan Jan met de pet op zijn vingers natellen dat er sprake was van discriminatie.

Maar wie het 8 pagina’s tellende oordeel van de commissie leest kan niet anders dan concluderen dat de commissie niet erg zorgvuldig heeft gewerkt: het document is een orgie van feiten en fouten. De lezer wordt al snel duidelijk dat de commissie niet begrijpt hoe het invitatie- en beloningsbeleid nu precies in elkaar steekt. Was die Keniaanse nummer twee nou wel of niet uitgenodigd? Ook wordt de gehele context van een Keniaanse overheersing van het hedendaagse hardlopen buiten beschouwing gelaten, terwijl die context toch essentieel is voor het beleid van deze marathon.

De grootste verwarring lijkt voort te komen uit een gebrek aan inzicht in het gangbare beloningssysteem in de hardloopwereld. Vrijwel iedere grote wedstrijd keert alleen prijzen uit aan gecontracteerde atleten. Dit systeem heeft ervoor gezorgd dat in de loop van de afgelopen twintig jaar steeds meer Kenianen de weg wisten te vinden naar de lucratieve Nederlandse wedstrijden. Mede hierdoor maakte het Oost-Afrikaanse hardlopen een revolutie door terwijl in het westen het niveau daalde tot een absoluut dieptepunt een kleine 10 jaar geleden.

Reden voor hardlooplievende organisaties om te onderzoeken wat er mis gaat. Gerard Nijboer, in 1980 nog winnaar van zilver op de Olympische Spelen, zou zich tegenwoordig nog maar ternauwernood kunnen kwalificeren voor deelname op het hoogste podium en zou nu ook niet meer dan een bijrol zou spelen op de achtergrond van het Afrikaans loopgeweld, dus ook weinig exposure voor geldschietende sponsoren.

Een andere factor is, hoe raar het ook klinkt, de economische afhankelijkheid van de Nederlanders. Hoewel het inkomen hier vele malen hoger ligt dan in Kenia en niemand van de honger omkomt, zijn de kosten voor basaal leven hoog. Voor minder dan 500 euro kun je nog geen kamer huren om in te wonen, zorgverzekering kost al meer dan 100 euro en ook de andere basale kosten zijn een veelvoud van die in Kenia. Het is voor een Nederlandse hardloper dus bijna ondoenlijk een bestaan op te bouwen als professioneel sporter, en dus besloot de organisatie van de Utrecht Marathon hier een creatieve oplossing op te verzinnen.

Hoewel de hardloopsport het toonbeeld van integratie is besluit de commissie gelijke behandeling de zaak te simplificeren tot het voorbeeld van de nummer 2, die níet gecontracteerd stond en waarschijnlijk afkwam op de alternatieve beloning die door een goedbedoelde actie van een Nederlandse zakenman in het vooruitzicht was gesteld. Helaas voor de goede man verloor hij de wedstrijd.

Om tot een goed begrip van de zaak te komen had de commissie goed gedaan twee zaken los van elkaar te onderzoeken: (1) in hoeverre is een marathonorganisatie verplicht tot het uitnodigen van buitenlandse atleten en (2) mogen gecontracteerde atleten anders worden beloond dan niet-gecontracteerde atleten? Ook had de commissie er goed aan gedaan zich in te lichten via onafhankelijke deskundigen, zoals de Nederlandse atletenmanagers van

Keniaanse hardlopers. Maar in plaats van gedegen onderzoek te doen komt de commissie liever met een stevige conclusie: verboden onderscheid op grond van ras en nationaliteit.

In haar oordeel stelt de commissie dat het doel, het stimuleren van de Nederlandse atletiek, legitiem was, het middel (verschil in beloning) echter buitenproportioneel. Als we dan toch de zaken uit elkaar halen dan kunnen we uit het oordeel lezen dat het niet verboden is slechts Nederlanders uit te nodigen, maar dat de beloning van genodigde lopers niet buitenproportioneel mag verschillen met dat van niet-genodigde lopers. Want, was de nummer twee een niet-genodigde Nederlander geweest in plaats van een Keniaan, dan had hij eveneens kunnen fluiten naar de hogere bonussen. Er kan in dit geval dus nooit sprake zijn van discriminatie op basis van ras of nationaliteit. Het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling kan regelrecht de prullenmand in