Wedervraag

Als bladgoud siert het groot dooiermos de kale populieren, maar verder heeft de herfst de kleuren uit het landschap gezogen. Aan de oever van de rivier is al wat groen was in tinten troosteloos bruin veranderd, de resterende blaadjes van de wilg zijn bleek als was die het hele jaar buiten heeft gehangen. Toch kijkt Elias in de drager zijn ogen uit. Vanuit de bosjes klinkt het gekwetter van putters. We beklimmen de rotsen en wandelen door het bos. De beschutting van de naaldbomen geeft me een huiselijk gevoel. De open plekken in het bos fascineren me het meest. Het zijn net huiskamers, met stenen banken die bekleed zijn met mos. De omgeving waarin wij wonen heeft een rijke geschiedenis. Op verschillende plekken zijn overblijfsels uit de ijzertijd te vinden, rotsen waar putjes in zijn gehakt, en er zijn de resten van een kerk uit de 12e eeuw, de oudste van Finland. Een eekhoorn beweegt zich brutaal dwars door onze bos-huiskamer heen en laat zijn sporen na in de natte grond. Ik moet denken aan mijn vorige boek, Achter de rug van God, en de vraag die Väinämöinen me stelt: ‘hoe te leven?’. Als Posio, het dorpje in Lapland, me die antwoorden al verschafte, dan hadden ze een tijdelijk karakter. Uiteindelijk bleef de vraag overeind en nu, een paar jaar later alweer, zijn ze nog altijd niet definitief beantwoord. Misschien is de vraag ‘hoe?’ wel een synoniem voor het leven. Ik vermoedde ergens dat het vaderschap me zou helpen, maar Elias heeft meer iets weg van een wedervraag. Ik druk een kus op zijn wang en pak zijn handjes vast om ze te warmen. Hij dommelt in.

Stilte

De dag begint met een zangzwanenlied en met een hemel die in oranje tinten langzaam oplicht boven het meer. Een dun laagje ijs op de plassen verraadt nachtvorst en ja, het is ook echt een stuk kouder dan de afgelopen week. Ik loop de heuvels op en af en luister naar de stilte.

We hebben het vaak over hoe de mens de wereld verstoort. We hebben het dan over klimaatverandering, uitstervende diersoorten, afval en lichtvervuiling, maar wat we doen met de stilte hebben we het eigenlijk nooit. Ik leerde pas wat stilte was toen ik op mijn achttiende in mijn eentje door de Dartmoors doolde. Later, in Ierland, leerde ik van de stilte te houden. In de jaren dat we in Lapland woonde, begon stilte daadwerkelijk deel uit te maken van mijn leven. Ik raakte er zelfs zo aan gewend, dat ik bij het afdalen naar het Zuiden telkens moeite had met het lawaai dat me van alle kanten bestookte.

In Turku is het een stuk stiller dan in Nederland, maar volledige stilte is er niet te vinden. Pas als we ons terugtrekken in de bossen van Midden-Finland, vinden we de ware stilte terug. Wat dat met je doet, is onbeschrijfelijk. Zo lang we aan het gezoem, geronk en geklaag van de mensenwereld worden blootgesteld, zijn onze hersenen hard bezig dat allemaal te onderdrukken zodat we ons niet echt bewust zijn van het geluid om ons heen. Maar het kost wel inspanning, en zo is het ongehoorde geluid een constante stressfactor die pas wordt uitgeschakeld als we enige tijd in echte stilte doorbrengen. Het is alsof een verborgen spiergroep ergens in je lichaam zich eindelijk ontspant. Ineens ga je dingen horen waar je je normaal gesproken niet bewust van bent, zoals je eigen voetstappen en je ademhaling. Je staat een moment stil en houdt je adem in. Je hoort een takje breken, je hoort een specht die anders onopgemerkt zou zijn gebleven.

De wereld waar de stilte heerst is een goede plek. De gedachte dat je ooit weer terug moet, naar de stad en zijn wegen, probeer je te verdringen. En ook dat maakt de stilte mogelijk, je wordt baas van je eigen gevoel, je kunt dingen vergeten waar je niet aan wilt denken, en dingen oproepen waar je naar verlangt. Misschien is de wereld van de stilte wel een van de werelden buiten de ons bekende dimensies. Misschien is stilte wel de wonderpil waar wetenschappers al decennia naar zoeken. Hoe dan ook is stilte spiritueel.

I can’t breathe

Bij racisme denk ik in de eerste plaats aan Hassan, een jonge man van vijfentwintig, vader van twee. Ik zie het zweet nog over zijn koortsende lichaam druipen en kan me nauwelijks verweren tegen de wanhoop in zijn ogen. Je gaat het redden, vertelde ik hem, maar in de nacht zie ik hem terug in mijn droom, en de volgende morgen is hij dood. I can’t breathe: al sprak hij ze niet uit, het hadden zijn laatste woorden kunnen zijn. De tuberculosemedicijnen kwamen voor hem te laat. Met zijn dood valt het inkomen weg van het gezin.  

In het districtsziekenhuis in Mangochi, Malawi, zijn er dagelijks jonge, overbodige sterfgevallen. Bij de ochtendoverdracht zijn we alert, er moet lering worden getrokken uit de gemaakte fouten en we moeten met zijn allen gemotiveerd blijven, ons uiterste best blijven doen ook al komen we middelen tekort. Het cynisme loert, en ook dat is een gevaar. Voor de sterfgevallen zijn vaak tal van oorzaken aan te wijzen, maar als je maar ver genoeg doorgraaft, kom je bij armoede uit.

Ik vraag me vaak af hoe het mogelijk is dat de wereldwijde ongelijkheid nog altijd onoverbrugbaar is. We zijn solidair met mensen die op ons lijken, die dezelfde taal spreken, naar dezelfde school gaan en hetzelfde geld te besteden hebben. Bij de foto van een blond jongetje op een Syrisch IS-kamp schrikken we: zo’n kind hoort daar niet thuis. Maar andere kinderen dan wel? Hoe verder een ander van ons af staat, in welk opzicht dan ook, des te minder trekken we ons iets van hem aan. We hebben moeite om een eenvoudige Afrikaanse visser met tuberculose als volwaardig mens te zien en hem dezelfde behoeften en rechten toe te dichten als onszelf. Daar bestaat een woord voor, het heet racisme.

Net als het brute politiegeweld in de Verenigde Staten maakt het ziektegeweld dat de ene na de andere Afrikaan door de hel sleept me verdrietig en boos. Want of je nu door een wrede agent je keel wordt dichtgedrukt, of dat je lijdt aan een aan armoede gerelateerde ziekte als tuberculose, het eindigt ermee dat lucht, het enige ter wereld dat nog gratis is en overal om ons heen ruimschoots beschikbaar, je wordt ontnomen.

Het is de hoogste tijd om het wegkijken van het Afrikaanse continent bij de ware naam te noemen. Het is een vorm van racisme die jaarlijks miljoenen levens eist en een veelvoud aan mensen klein en machteloos houdt, de toegang tot onderwijs ontzegt en hen verdoemt tot het hebben van een toekomstvisie die niet veel verder reikt dan tot het volgende regenseizoen. Het is hoogste tijd om Black Lives Matter in een breder perspectief te zien, om onze relatie tot onze zuiderburen te herzien en de mens overal ter wereld en in alle situaties in de eerste plaats als medemens te zien. Vanbinnen zijn we allemaal hetzelfde.


Deze column verscheen op opiniewebsite Joop.nl

De koelbloedigen

‘Geen asperges vandaag,’ zei de stem, ‘u kunt kiezen uit pizza, soep of brood. Alle gerechten zijn vegetarisch.’

Hij was zo iemand die niet opgaf, al wist hij dat je geen biefstuk of groenten kon verwachten. Als je ergens op wilde bijten moest je dat op je nagels doen. De rest was zacht, het smaakte prima als je maar bereid was te vergeten dat het kunstmatig was, zoals al het andere.

De schaduwen waren allang verdwenen, buiten dan, want achter de meeste ramen was het donker. Vierentwintig lichten brandden er nog, achter vierentwintig gesloten gordijnen bewoog zo nu en dan een schaduw. Dat was dan meer per vergissing, want de mensen was op het hart gedrukt bij de ramen weg te blijven. Maar bij hem had de angst het nooit van de nieuwsgierigheid gewonnen.

Volgens het scherm was het zestien april, maar dat was wel vaker zo. De volgorde van de dagen was verraderlijk. Hij was opgehouden aan zichzelf te twijfelen en had zich er maar bij neergelegd. Een man op de dertiende rij van boven, negende raam van links, had dat niet gedaan, hij had gewuifd en gesprongen, hij had geroepen maar zijn stem was niet te horen geweest, en die man was de eerste wiens licht was uitgegaan. In het begin ging dat snel, het uitgaan van lichten. De achtste van onder, vijftiende van links was hem gevolgd met een tussenpoos van enkele dagen, hoewel in die enkele dagen de klok op het scherm voor het eerst een sprongetje had gemaakt. In die dagen hing het gevaar nog nadrukkelijk in de lucht, er werd nergens anders over bericht. De mensen werd vriendelijk maar met klem verzocht voor enkele dagen binnen te blijven, het voedsel zou aan de deur worden bezorgd. In die dagen zaten daar nog groenten bij en vlees. Vegetarische opties volgden al snel, maar na verloop van tijd was het alleen nog maar vegetarisch wat de pot schafte. Het aanbod verschraalde, de consistentie van het voedsel vereenvoudigde maar de smaken en kleuren werden steeds gevarieerder. De gerechten kregen exotische namen die op den duur nergens meer tot te herleiden waren. Pizza de bravoure bijvoorbeeld, het gerecht dat nu werd binnen geschoven door het luikje bij de deur.

Gedachteloos sneed hij de koek in stukken, die niets met pizza te maken had, laat staan met bravoure. Weinig had trouwens nog met bravoure te maken; het ging alleen nog maar om tijdverdrijf. De shows op het scherm zorgden voor afleiding. Af en toe werd nog over het gevaar bericht, dat hielp de mensen om de dreiging in het achterhoofd te houden, niet in de buurt van het raam te komen en al helemaal niet aan de deur te voelen.

De verzoeken werden braaf opgevolgd. Dat was maar goed ook, volgens de commentators op het scherm, want nu kwam het aan op solidariteit. Als men zich niet aan de regels hield, zou de ramp zich voltrekken. Er werd daarom dringend beroep gedaan op gemeenschapszin. Voor zolang de dreiging aanhield, was afzondering de regel. Alleen op die manier was het gevaar af te wenden en zou de samenleving uiteindelijk zegevieren.

Vanaf het begin had hij er zijn twijfels bij gehad, maar het was niet het moment geweest om te protesteren. Dat kon je beter achteraf doen, had hij zichzelf voorgehouden. Maar wanneer was achteraf? Zijn argwaan was veranderd in spot, maar terwijl hij vanbinnen de spot dreef met de wereld, en vooral met zichzelf, hield hij zich kalm, want in je eentje viel er niets tegen te beginnen. Of zouden er meer zijn die dagelijks om asperges vroegen? Zou iedereen vanbinnen protesteren, maar zonder het kenbaar te maken om zich de wroeging van het systeem niet op de hals te halen?

Hij gluurde nog even naar buiten en telde de ramen waar nog licht brandde. Het waren er nog steeds vierentwintig. Het getal was al een hele tijd stabiel. Dit waren de koelbloedigen, de mensen die zich niet op stang hadden laten jagen. Als je het systeem wilde bedonderen, moest je dat van binnen doen, terwijl je van buiten de rust bewaarde. Het was juist die rust die hem beklemde, want evenzeer leek het hem van belang de uiterlijke gedweeheid niet naar binnen door te laten sijpelen, want het innerlijk protest was het enige waaraan hij voelde dat hij nog in leven was.

Terwijl hij dat overdacht, telkens hetzelfde riedeltje, was het of een band zich om zijn borst spande. Hij kneep zijn handen samen tot vuisten. Zo had hij vaak gezeten, hij verzamelde zijn krachten en concentreerde die in de uiteinden van zijn lichaam, in zijn handen en voeten. Hij stond op en liep op de deur af. De klink, dacht hij, de klink. Op het laatst trok hij zijn hand terug. Hij moest weer terug naar de woonkamer, zich uitstrekken op de bank. Maar deze keer protesteerde zijn lichaam sterker dan voorheen.

Vierentwintig koelbloedigen, zei hij bij zichzelf, vierentwintig koelbloedigen die zich hebben bedreven in gedweeheid. Maar wat was deze koelbloedigheid eigenlijk nog waard? De boom was een hele tijd kaal gebleven voor hij opeens van het plein was verdwenen. De zon was ingeruild voor een anoniem licht dat overal en nergens vandaan leek te komen. Het enige wat er nog was de tijd, maar zelfs daar werd mee gesteggeld. Dagen die werden overgeslagen, zoals de dertiende van de maand, die ging er het eerste aan, voordat de maandag verdween en na verloop van tijd de dinsdag. De week begon nu bij donderdag, wat betekende dat het altijd weekend was of bijna weekend. Hoe lang zou het duren voor het altijd zondag was, een zondag ergens halverwege april?

Bij die gedachte slaakte hij een kreet. Dat had hij nooit eerder gedaan. Nu had hij zich dus bloot gegeven, maar wat maakte het nog uit? Hij voelde het bloed door zijn aderen stromen, hij voelde hoe zich in alle cellen van zijn lichaam nieuwe krachten ontketenden. Vol energie stapte hij op het raam af. Hij sloeg met volle kracht op het glas, dat onder zijn vuisten zachtjes dreunde, hij schreeuwde en zwaaide. Maar er was daarbuiten geen roering te bespeuren. Geen gordijn kwam in beweging, als er al iemand was die hem hoorde of zag, dan liet die in zijn koelbloedigheid niets merken.

Terwijl hij zo tekeer ging, viel tegelijkertijd de rust over hem. Het was of hij zichzelf binnenstebuiten had gekeerd, of hij vanbinnen eindelijk de kalmte voelde die hij dag in dag uit had tentoongespreid. Hij schoof het gordijn weer dicht en liep naar zijn slaapkamer, maar nog voor hij die had bereikt, doofde het licht.