Parels in de zorg

Vanwege een besmettelijke vorm van tuberculose wordt Helmi enige weken in isolatie verpleegd. Dagelijks steek ik me in de groene beschermende kleding om haar te bezoeken. Muts op, plastic bril en een speciale mondkap. Iedere morgen zwaai ik even door het raam voordat ik me in die kleding steek, om haar te laten zien dat ik een echt mens ben en geen buitenaards wezen. Dat is geen overdrijving, want behalve tuberculose lijdt Helmi ook aan Alzheimer. Maar misschien is ‘lijden’ niet het juiste woord: de ene dag lijdt ze wel, maar de andere dag is ze dolgelukkig.

Hoewel de medische noodzaak om haar dagelijks een bezoekje te leveren verwaarloosbaar is, neem ik altijd even de tijd voor haar. Ik vraag haar hoe ze zich voelt en wat ze die ochtend heeft gedaan. Haar antwoorden kunnen verrassen.

Begin deze week vertelde ze dat ze de Schepper had gezien. Dat maakte haar verdrietig, een beetje paniekerig zelfs, ze was bang om dood te gaan. Ik vertelde haar dat ze op de longafdeling was en dat ze de beste zorg van de wereld kreeg, omdat ze dat verdiende. L’oreal voor bejaarden. Ze was de parel van de afdeling, vertelde ik haar. Dat laatste was een halve leugen: ze was niet dé parel, maar een van de parels. Dat is namelijk wat zorgverleners op de been houdt. De ellende van kanker, ernstig invaliderende longziektes, sterfgevallen en soms slopende diensten is alleen te dragen omdat ‘de mens’ als patiënt ertegenover staat. De zorg is waar alle mensen samenkomen, het is een vangnet voor iedereen, wel met een oververtegenwoordiging van mensen met sociaaleconomische achterstand en mensen op leeftijd.

Helmi’s tuberculose heeft ze te danken aan haar jeugd. Destijds kwam tuberculose veel meer voor dan nu, ze raakte besmet maar decennialang heeft ze de bacil op eigen kracht onderdrukt. Een van de kenmerken van ouderdom is dat het immuunsysteem langzaam verzwakt. Daar wacht de tuberculosebacil op, in een holte die hem beschermt tegen de afweer van zijn gastheer. Tuberculose is opgekropt kwaad. In Lapland zijn de meeste tuberculosepatiënten ouderen zoals Helmi, maar de ziekte komt ook voor bij mensen met afweeronderdrukkende medicatie of emigranten uit arme landen waar tuberculose vaak nog welig tiert.

De volgende dag vertelt Helmi me dat ze ’s ochtends broodjes had gebakken. Ze is in een goede bui en biedt me ook wat broodjes aan. We praten even, ik luister naar haar longen en vertel haar welke dag het is. Wanneer ik afscheid van haar neem, tilt ze haar rechterarm met de linkerhand op, om mij de hand te schudden. In haar vingers heeft ze normale kracht, maar in de spieren daarboven niet. Die verlamming is het gevolg van poliomyelitis die ze in haar jeugd heeft doorgemaakt. Behalve een parel, is ze dus ook een infectiologisch museumstuk.

Misschien meer als schrijver dan als dokter vraag haar hoe het haar lukt om broodjes te bakken met de verlamde arm. Neemt ze die verlamming mee in haar fantasie over wat ze die ochtend had gedaan?

‘Ach,’ zegt ze, ‘je leert ermee leven. Kijk, mijn vingers kan ik gewoon bewegen, en voor de rest heeft die arm alleen een steuntje nodig. Iedereen heeft zijn ongemakken, maar door een ongemak hoef je je nog niet te laten beperken. Mij hoor je over mijn arm niet klagen.’

Wat me nog meer raakt dan haar woorden, is de bescheiden uitdrukking op haar gezicht waarmee ze haar verlamming bagatelliseert. Dit is geen confabulatie meer, dit is hoe ze in haar leven haar lichamelijke ongemak een plek heeft gegeven.

Misschien is ze toch dé parel van de afdeling, denk ik als ik de kamer uitga, de beschermende kleren uitdoe en mijn handen was. Ondanks haar vergevorderde dementie, haar algehele zwakte, de verlamming, het feit dat ze feitelijk opgesloten is op de afdeling en ondanks de naderende dood, is ze het leven nog niet verleerd.

Hoe ik van rokers leerde houden

Mevrouw Zwanenmeer kwam twee maanden geleden op mijn polikliniek om de uitslag van de CT-scan te horen. Longkanker. Lymfekliermetastasen.

‘Dus ik ga dood,’ liet ze vallen.

Bij haar moest je niet om de dingen heen draaien, besefte ik. Ze was haar hele leven schoonmaakster geweest. Van smerige dingen zag ze in een oogopslag of het nog op te poetsen viel, of dat het beter kon worden weggegooid. Haar door kanker aangetaste lichaam behoorde tot die laatste categorie.

Vorige week viel me op dat ze moeilijk liep, en een paar uur later moest ik haar vertellen dat ze uitzaaiingen had in het brein.

‘Dan hebben we beiden slecht nieuws,’ zei ze, doelend op haar kamergenoot die eerder die dag een nare diagnose had gekregen.

Weer die nuchterheid! Het deed me perplex staan. Hoe krijg je het voor elkaar om je eigen leed binnen een seconde in perspectief te plaatsen?

Later die dag kwam ik haar op de benedenverdieping tegen toen zij onderweg was naar het rokershuisje om een sigaret op te steken. Ik kwam uit de kleedkamer, in korte broek en mouwloos shirt, klaar om door de bossen naar huis te rennen. De korte groet die volgde, voelde als een intiem moment, alsof we twee acteurs waren die achter de coulissen uit hun rol waren getreden.

Ik was een jaar of zeventien toen ik zelf mijn eerste pakje kocht. Het was een bewuste stap naar volwassenheid. Mijn vrienden rookten, en ik deed met ze mee. Met mijn bijbaantje verdiende ik ondertussen zo veel geld dat ik behalve cd’s ook wel mijn eigen sigaretten kon betalen en dus niet meer hoefde te bietsen bij anderen. Direct nadat ik de eerste sigaret had gerookt, stak ik een tweede op. Dat was immers de vrijheid die ik mezelf kon veroorloven. Drie sigaretten rookte ik op binnen een uur. Maar toen ik de vierde opstak, ging ik ineens over mijn nek, alsof de rook me een acute vergiftiging opleverde. Bij drie-en-een-halve sigaret is het gebleven. Ik gooide het pakje weg en zag dat er nog een andere manier was om volwassen te worden.

Tijdens mijn geneeskundestudie leerde ik dat roken verwerpelijk was. De sigaret is een van de grootste boosdoeners in de geneeskunde, of je het nu over kanker hebt of hart-en-vaatziekten. Roken was niet alleen schadelijk, maar ook een vorm van schuldig gedrag.

Dat wijsvingertje ben ik kwijtgeraakt. Mettertijd ben ik steeds meer van rokers gaan houden. Eerst ging de aangeleerde boosheid over in een gevoel van medelijden. Rokers waren slachtoffers, al zagen ze het zelf niet altijd zo. Rokers waren stuk voor stuk verslaafd, je moest ze tegen zichzelf in bescherming nemen.

Maar ook dat standpunt heb ik verlaten. Zeker, er zijn slachtoffers onder, mensen die liever niet hadden gerookt, maar dat geldt lang niet voor allemaal. Ik ben erachter gekomen dat er eigenlijk heel veel mensen zijn die zomaar kunnen stoppen als ze het daar tijd voor vinden. Roken is voor hen een gewoonte die ze maakt zoals ze zijn, een routine die het leven in een vorm giet, zoals hardlopen door het bos dat doet voor mij. Wie ben ik om iemand te vertellen hoe hij of zij moet leven? Zou ik stoppen met hardlopen als het me levensjaren zou kosten? Ik weet het niet.

Ik ben er sterk voor om het roken zo veel mogelijk te ontmoedigen, en zeker bij jonge, beïnvloedbare mensen. Maar de plannen om roken op straat te verbieden, vind ik erg ver gaan. We doen onze vrijheid geweld aan als we er niet meer in geloven. Ook al is de bedoeling om het roken tegen te gaan, zullen veel rokers het zien alsof niet hun gewoonte maar zijzelf worden afgekeurd, dat het sigarettenverbod net zoiets is als het hoofddoekverbod in verschillende Europese landen, waarbij veiligheidsargumenten worden misbruikt om bevolkingsgroepen te onderdrukken.

Sinds ik het roken heb ontdaan van het morele jasje waarmee het op de universiteit werd aangekleed, lukt het me beter om het roken met patiënten constructief te bespreken. Ik vertel dat ze voor mij absoluut niet hoeven te stoppen, maar dat ik het wel belangrijk vind dat ze zelf een keuze maken waar ze achter kunnen staan, en in die keus wil ik ze steunen als ze dat nodig hebben.

Voor mevrouw Zwanenmeer betekent dat, dat ze blijft roken tot de dood haar die mogelijkheid ontneemt. In termen van overleving is dat geen verstandige keus, maar de krachtige wijze waarop zij de dood in de ogen kijkt en het angstaanjagende ervan met een geroutineerde veeg heeft afgenomen, als stof op een tafelblad, en zoals alleen een schoonmaakster dat kan, geniet mijn bewondering.


Thijs Feuth (1981) is schrijver, marathonloper en werkt als arts in Fins Lapland. Zijn recentste boek is Achter de rug van God, dat in 2017 bij De Arbeiderspers verscheen.

Aan de rand van de wereld begint het echte leven. De Nederlandse arts Thijs Feuth vertrekt met zijn Finse geliefde Laura naar Posio, een dorp diep in Lapland. In Achter de rug van God onderzoekt hij het contrast tussen de wereld waarin hij zich heeft gevestigd en de woelige wereld die hij achter zich heeft gelaten en die nog slechts via de (social) media tot hem komt. De natuur, de mensen van het dorp, het isolement en de strenge winter roepen grote en kleine vragen op over het leven, de maatschappij en zijn verhouding met Laura. De Finse mythologie, heemkundige zaken, hardlopen en langlaufen helpen de schrijver bij zijn zoektocht naar hoe te leven.

De geur van regen

Eerst rolde de donder over het door hitte en droogte uitgeputte land. Dreigende stapelwolken hingen bewegingloos in de lucht. Het duurde nog uren voordat de regen viel, en met een korte plensbui was het ook meteen gedaan. Toch was dat meteen voldoende om de poriën van het bos te openen.

Kruidige dampen dringen zich op als ik in de avond een wandeling maak door het bos. Heeft het dit jaar eigenlijk al eens geregend? Sinds het smelten van de sneeuw in mei wachtte ik op de geur van de moerasrozemarijn, een geur die zo vol is, vloeibaar haast, dat je het gevoel krijgt dat je op de lucht kan drijven, maar die geur, waar vorig jaar iedere dag in te drogen hing, was nergens te bekennen. Tot nu dan, nu ruik ik de moerasplant eindelijk, maar het is niet het enige dat in de lucht hangt. Alle planten zijn op hetzelfde idee gekomen, ze vieren de eerste regen van de zomer met de sterkste luchtjes waarover ze beschikken, en al die geuren mengen zich met petrichor dat opstijgt uit de grond.

Zijn het de geuren die me het gevoel geven dat alles is zoals het wezen moet? Is dit een of ander biochemisch proces dat zijn oorsprong vindt in de oertijd, waarin we direct van de weersomstandigheden afhankelijk waren?

Ook het groen is beduidend feller dan de afgelopen weken, het bos heeft een instagramfilter op zichzelf toegepast. Al het blad is schoongespoeld, de bessenstruiken die de grond bedekken, dragen op ieder blad een druppel, en in de berm schitteren duizenden parapluutjes van de bospaardenstaart die met diamantendruppels zijn besprenkeld.

Zou dit vocht voor de bessen en moerasbramen voldoende zijn om zich vol te zuigen, om op te zwellen met vitaminerijk sap?

De stapelwolken, die nog steeds triomfantelijk in de lucht hangen, als zegevierende oorlogsschepen na een zeeslag, krijgen een roze gloed. Ook dat is een teken dat de zomer over haar hoogtepunt heen is, want dat betekent dat de zon ’s nachts niet meer bovenlangs de noordelijke horizon scheert, maar eventjes onderduikt.

Met deze ene regenbui verdwijnt dat de angst dat deze hittegolf een meteorologisch Apocalyps zou blijken, dat een acute verergering van het broeikaseffect de kou voorgoed van onze planeet zou doen verdwijnen en we langzaam, heel langzaam, gegrild zouden worden op de barbecue van mythologische goden waarvan wij dachten dat we ze die met de rede verslagen hadden.

Het geloof in de rede, of beter gezegd in onze redelijkheid, ben ik de afgelopen jaren langzaam kwijtgeraakt, maar dat we nu op de gril van die goden belanden, blijkt niet waar.

Nog niet.

Het is goed

Lig je net, word je eruit gebeld. Lichtelijk geïrriteerd ben ik, vooral omdat de verpleegkundige aan de telefoon niet duidelijk kon maken wat nou precies het probleem was. Ik weet dat het niet goed is, geïrriteerd zijn, maar in de lift naar boven heeft niemand er last bij. Tweeënzeventig uur draai ik deze week, waaronder twee nachten, en dat rechtvaardigt mijn irritatie, vind ik. Maar dat is háár schuld natuurlijk niet, denk ik als de lift tot stilstand komt. Als een verpleegkundige je belt, heeft die daar altijd een goede reden voor.

Bij de stroke-unit bekijk ik het hartfilmpje. Linkerbundeltakblok. Een oude bevinding, zie ik als ik het vergelijk met het vorige hartfilmpje. En niet eens pijn op de borst, begrijp ik van de verpleegkundige. Waar was ik dan voor nodig?

‘Wil je hem toch heel even bekijken?’ vraagt de verpleegkundige. ‘Even naar zijn hart of longen luisteren ofzo? Gewoon íéts doen. Hij is zo bang dat hij doodgaat.’

Het gaat om een man van vijfentachtig die door een herseninfarct halfzijdig verlamd is. Als ik naar hem toeloop, schreeuwt hij het bijna uit. ‘Help me, dokter, help!’

Hoewel deels verlamd, is zijn lichamelijke toestand stabiel. De angst op zich is nu het probleem, en zo ziet hij dat zelf ook. Maar of het de dood is, waarvoor hij bang is, weet ik niet.

Wanneer ik vijfentachtig ben, hoop ik dáár in elk geval niet bang voor te zijn. Bij een boswandeling met Eeva hadden we het daar vanmiddag toevallig over. De afgelopen jaren heb ik vaak het gevoel gehad dat ik vroeg zal overlijden. Binnen een paar jaar, zeg maar. Maar beangstigend is die gedachte niet. Integendeel, het lucht me op. De mogelijkheid van een vroege dood ontslaat je van alle verantwoordelijkheid die het leven met zich meebrengt. Als ik morgen dood neer zou vallen, zou het voor mij in orde zijn. Maar als Eeva dat zou doen, sterven, dan niet. Dat zou ik juist heel erg vinden. Egoïstisch eigenlijk, om zo over je eigen dood en dus andermans verdriet te denken. Ik sprak er met Eeva over in de hoop dat het haar ook gerust zou stellen, alvast. Dat áls ik zou doodgaan, dat ze het dan niet zielig zou hoeven te vinden.

En tegelijkertijd vermoed ik dat ik alleen zo over mijn dood kan denken omdat ik weet dat die vroege dood de odds tegen heeft. Met de dood in de ogen, zal ik vast anders piepen.

Over angst vertelde Eeva dat, in hun kindertijd, de grootste angsten van haar broertje konden worden verholpen door hem bij de hand te houden. Dan was hij ineens een held, die nergens meer bang voor was.

Ik moet denken aan meneer V., die met de ambulance een rit van drie uur met de ambulance maakte om in mijn armen te sterven. Althans, dat had zijn vrouw mij achteraf gezegd. Een paar weken eerder had hij op mijn afdeling gelegen met uitgezaaide longkanker. En na een paar weken thuis, kwam hij dus opnieuw naar de eerste hulp. Voor ons beiden was het een emotionele reünie. Hij zat overeind in bed en hapte naar adem. Maar vooral was hij bang, doodsbang.

Met mijn hand op zijn arm ontspande hij. ‘Het is goed,’ zei ik, hoewel ik niet eens wist of er wel iets goed was, en wat dat goede dan was. Maar het kwam aan. Hij had geruststelling nodig, een paar woorden die niets maar tegelijkertijd een hele hoop behelsden. Ik gaf hem zuurstof en wat morfine, en in minder dan een uur was het allemaal voorbij. Zijn vrouw, die hem had nagereisd, kwam aan net nadat hij gestorven was. Ze viel me om de hals en zei dat haar man haar had gezegd dat hij naar Matti moest (zo heet ik voor veel Finnen).

Ik was enorm dankbaar dat ik toevallig op dat moment dienst had op de eerste hulp. Het lot had op dat ene moment mijnheer V. en mij samengebracht. Medisch gezien had ik niets voor mijnheer V. kunnen betekenen, en toch voelde de zorg aan mijnheer V. als een van de belangrijkste dingen die je als arts kon doen. Toch had willekeurig welke arts in mijn plaats kunnen staan, want ik geloof niet dat ik daarin nu beter ben of dat ik liever voor patiënten ben dan een ander. Als er maar iemand was die zich om hem bekommerde. We hebben gewoon allemaal iemand nodig. Door het leven heen kan dat een partner zijn, maar er kunnen best momenten zijn waarop je iemand anders nodig hebt. Een arts, een hulpverlener, of een willekeurige passant.

De herinnering aan mijnheer V. schiet in een moment door me heen als ik op de stroke-unit aan het bed van deze half verlamde patiënt sta. Wederom doodsangst, daar heb je geen stethoscoop of hartfilmpjes voor nodig. Hij praat op luide toon en onrustig. Alleen door stevig te wrijven over zijn schouder en arm, komt hij enigszins tot bedaren. ‘Het is goed,’ probeer ik, zoals toen bij mijnheer V.. De uitwerking van die woorden is niet zo sterk als destijds, maar iets doet het wel. Het is drie uur en de nacht is donker, ook op de stroke-unit. Tijd om te slapen. De eenzaamheid van de nacht kan een oude man in een angstig kind veranderen. Ik pak zijn hand, zoals Eeva bij haar broertje deed, en blijf een paar minuten bij hem staan en wrijf hem alleen maar over zijn arm. En dan sluip ik stilletjes weg.

Seksualiteit

Naar aanleiding van #MeToo denkt men over strengere regels voor seksuele omgang en zwaardere straffen. Maar of dat ons goed gaat doen?

Seksualiteit hoort bij de nacht en gesloten gordijnen. Seksualiteit is intimiteit, en eigenlijk altijd emotioneel beladen. Het is vaak heel gewild, maar kan ook juist totaal ongewenst zijn. Seksualiteit is ja maar ook nee, soms tegelijkertijd maar ja en nee kunnen elkaar ook opvolgen of afwisselen. Wil en daad lopen elkaar voorbij. Seksualiteit is ontdekken wat je wilt en gissen naar wat de ander wilt. En dat gaat de taal voorbij. Seksualiteit is een leerproces, dat ook. Leren wat goed is en wat slecht, leren waar de grenzen liggen. Maar seksualiteit is ook spijt hebben en schaamte. Seksualiteit is respect en verachting, net zoals seks lekker is en vies, teder en grof. Juist die onzekerheid over wat je zelf en wat de ander wilt, maakt seks ook zo spannend. Wie geen negatieve seksuele ervaringen heeft of nooit fouten heeft gemaakt, is nog maagd. Seks is nooit onschuldig, maar daardoor hoeven we seks nog niet in het verdoemhoekje te laten zitten.

Gestoorde seksualiteit kán ook een misdrijf zijn, maar ik denk dat dat vrij uitzonderlijk is. Vaker berust het op een misverstand, op het niet begrijpen wat de ander wil, een discrepantie tussen intentie en perceptie, een kortsluiting in het seksuele leerproces.

Ik denk dat vanwege #metoo onze verwachtingen van justitie te hoog zijn. Wil en onwil zijn immers moeilijk te bewijzen en de sporen van de daad zijn snel verdwenen terwijl de psychische gevolgen juist in de loop van de tijd kunnen toenemen. Het is vaak woord tegen woord, en daar staat de rechter machteloos tegenover.

Laten we #metoo dus vooral aangrijpen voor een stap in onze persoonlijke seksuele ontwikkeling. Verdiep je beter in wat de ander wilt en vooral in wat hij of zij niet wilt. Besef ook dat je je eigen grenzen moet bewaken, en dat het niet ok is als iemand die passeert. Juist door grenzen te respecteren, kan seks ook bevrijdend zijn. En als dat in de slaapkamer lukt, achter gesloten gordijnen, kunnen we het geleerde ook daarbuiten toepassen.

Luiheid

Ik gooide steentjes naar een adder en nadat die zich uit de voeten had gemaakt, wat slangen bij voorkeur spreekwoordelijk doen, schrok ik op bij ieder ritselend blad. Toch dommelde ik in, tot een wurgslang zich om mijn nek drapeerde, wat gelukkig maar een droom was. Daarmee is mijn dag wel zo’n beetje samengevat. Ja, ik heb vanochtend een stukje hardgelopen en vanavond opnieuw, maar ik kwam niet in de buurt van de vijfendertig kilometer die ik voor vandaag in gedachten had. Nog definieer mezelf nog steeds als iemand die minstens honderdvijftig kilometer per week loopt, ook al zijn zulke weken inmiddels een zeldzaamheid.

Wat maakt het uit? Ik heb geen sponsor, geen baas en geen supporters die verhaal komen halen als ik geen deuk in een pak boter loop. Mijn enige ambitie als hardloper is om hard te lopen, en hoewel de kilometeraantallen tegenvallen win ik nog steeds wedstrijden, twee weken geleden zelfs een hele marathon.

Maar wees nou eens eerlijk vent, kijk in de spiegel. Die marathon is het zand dat je de mensen in de ogen strooit en waar je je kop in steekt. Geef toe dat je dat zogenaamde baardje van je alleen groeit om niet te hoeven te zien dat je wangen niet meer ingevallen zijn. Jaren geleden was tweehonderd kilometer in de week je norm, een week van honderdvijftig was een rustweek. Aan het eind van zo’n rustweek liep je je beste wedstrijden. Een uur zeven op de halve, met twee vingers in je neus. Dat was nog maar het begin, zei je, maar verder ben je nooit gekomen. Je liep twee uur drieëntwintig op de marathon terwijl je minstens een minuut aan de kant had gestaan met een krampende maag. Je keek op je horloge en realiseerde dat je nog minuten onder je persoonlijk record zat en dat je nog maar een paar kilometer hoefde uit te sjokken. Twee drieëntwintig, daar haalde je je neus niet voor op, maar daar is het uiteindelijk wel bij gebleven. Dat was alles wat je te bieden had.

En nu? Deze week blijf je steken op honderdnegentien kilometer en je neemt niet eens de moeite om de honderdtwintig vol te maken. Na een dienst van vierentwintig uur jog je over de heuvel naar huis, acht kilometer, en dan ga je de hele dag maffen. Je schrijft en je leest, en je denkt dat als excuus aan te mogen dragen voor het feit dat je een training overslaat. En jij denkt de no-nonsense hardloopmethode te mogen prediken?

Herinner je je nog dat iemand zei dat iedere gezonde vent met een beetje training onder de twee uur twintig kon lopen? OK, je hebt astma, dus je bent niet gezond. Mooi bedacht. Als kind had je astma, maar de laatste aanval van je is alweer jaren geleden en al twintig jaar heb je geen medicijnen nodig gehad. ‘Maar jij wordt toch ook kortademig als je een heuvel op rent,’ vroeg een leeftijdgenoot je laatst. Jij verkneukelde je erom dat hij daadwerkelijk dacht dat kortademigheid bij inspanning hoorde. Weet je nog? Nee sukkel, zonder kortademigheid kun je moeilijk zeggen dat je een astmaticus bent, en dus is dat geen geldig excuus. Je liep nooit onder de twee twintig omdat je er te lui voor bent.

Wat zeg je? Begin je nu over de anderen? Ja, verschuil je maar achter hen, en dat lukt je goed want met een BMI van eenentwintig kun je je achter de eerste de beste gemakkelijk verschuilen. De anderen dus. Inderdaad, het overgewicht van vandaag de dag is ten eerste en bovenal een symptoom van luiheid (taboetje). Wat overigens niet wil zeggen dat dikke mensen luier zijn dan dunnen. Nee, de aanleg tot dikheid is grotendeels aangeboren. Er zijn zat luie mensen met een slank figuur en er zijn evenveel dikke mensen die minder eten en meer bewegen dan gemiddeld. Bovendien slepen dikke mensen nou eenmaal meer gewicht met zich mee. Vul je rugtas dus met lood en dan weet je waar je over praat. De luiheid is wel de belangrijkste oorzaak om de aanleg tot overgewicht tot bloei te laten komen, laat ik het zo uitdrukken, maar dikke mensen zijn niet of niet per se luier dan dunnen. Ook dat excuus van je kan dus in de prullenbak.

De luiheid zit in de natuur van de mens en het is onze luiheid die ons aanzet tot uitvinding na uitvinding. We zitten liever achter de knoppen dan dat we onze handen uit de mouwen steken, we zijn liever slim dan sterk. Vooruitgang, weet je wel. Vooruitgang in de automatische piloot, zonder te zweten. Diezelfde luiheid heeft diëtisten uitgevonden. Ja, paradoxaal genoeg is het hun brood, en omdat ook zij liever hun boterham beleggen verkopen ze hun praatjes duur. Maar dik zijn heeft met een dieet weinig te maken, dat weet je ook wel. Toegegeven, een dieet kan helpen om een beetje af te vallen, denk maar aan die uitgemergelde alcoholisten, maar je wordt er niet veel gezonder van. Diëten is een poging om luiheid te compenseren. Maar als je niet voldoende beweegt worden je botten broos en verandert je hart in een slap en vormloos zakje dat nog het meest doet denken aan een dichtgeknoopte condoom.

Men heeft het over een suikertax om de schuld te geven aan gekoelde halveliterflesjes met bubbeltjes, want de schuld moet altijd buiten onszelf liggen, zeker in deze tijd. Maar die flesjes zijn gevuld met jouw brandstof. Bij je zomerse lange duurloop neem je een paar munten mee om onderweg een flesje cola te kopen, die je in een teug leegdrinkt, waarna je een overtuigende boer laat en vervolgens de overgebleven kilometers verorbert als vormen die samen een ijsdessert. De suikertax is een onrechtvaardige poging van politici om hun eigen luiheid financieel te belonen. Degene die lange duurlopen voltooit heeft immers meer cola nodig.

Je hebt nu drie weken vakantie, kerel, en in die drie weken heb je geen excuus. Als je de vijfentwintig kilometer per dag niet haalt, heb je geen recht van spreken meer. Dat zou betekenen dat je ingewanden al aan het verrotten zijn terwijl het van buiten lijkt dat je nog leeft. Ik zou het je vergeven als je rookte, of als je een overtuigd alcoholist was. Ja, misschien moet je dat maar doen, jezelf doelbewust en met overgave ten gronde richten. Als je niet onder de twee twintig loopt kun je jezelf altijd nog een vent noemen als je tien bier per dag drinkt. Laatst hoorde ik over een Fin die beiden deed. Het viel zijn kameraden op dat hij op een trainingsstage van drie weken zeshonderd kilometer had gelopen en tweehonderd bier verorberde. Vijf na de ochtendtraining en vijf na de avondtraining. Hij sliep er goed op, zeiden ze. Eén dag – dat heb je goed uitgerekend – dronk hij op last van de trainer water in plaats van bier maar dat heeft hij moeten bekopen. Zijn maag lag overhoop. Hij genoot aanzien onder de atleten, en vooral vanwege de drank die hij tot zich nam.

Omdat je een nietsnut bent, die ook nog eens het schrijvertje wilt uithangen, mag je kiezen. Of je zuipt je het leplazarus of je gaat weer eens hardlopend aan de bak. Vijfentwintig per dag. Gemiddeld. Knoop dat in je oren. 

Meid

Ergens in de loop van mijn eerste jaar als arts-assistent werd ik door mijn leidinggevende op het matje geroepen. Een verpleegkundige had geklaagd dat ik haar denigrerend met ‘meid’ had aangesproken. Het gebruik van dat woord klopte, zei ik, maar het was niet denigrerend of seksistisch bedoeld. Op werk bediende ik me vaker van wat amicaal taalgebruik, en ik dacht dat dat kon omdat mensen op de werkvloer me kenden en zulke woorden dan in perspectief konden plaatsen. Mijn excuses en uitleg werden gelukkig direct geaccepteerd, maar het heeft me toen wel aan het denken gezet en alerter gemaakt op hoe taalgebruik op een ander kan overkomen. Had ik hetzelfde woord durven gebruiken tegen iemand die in de hiërarchie boven me had gestaan? Tien jaar later herinner ik me het kleine incident nog steeds en dus is het een belangrijk leermoment geweest.

Nog steeds is mijn houding op de werkvloer waarschijnlijk net wat lichtzinniger dan dat van mijn meeste collega’s, maar klachten daarover heb ik niet meer gehad. Ik vind het belangrijk dat mensen met plezier naar hun werk gaan, en naast vriendelijke en respectvolle bejegening kan ook humor op de werkvloer daaraan bijdragen. Maar de humor moet wel de juiste zijn. Een grapje kan het ijs breken, en daarom sta ik me ook in het contact met patiënten soms een grapje toe. Hoewel Finnen nu niet bepaald bekend staan om hun humor, valt het eigenlijk altijd in goede aarde.

Uit een recente enquête blijkt dat een derde van de jonge vrouwelijke artsen in Nederland te maken krijgt met seksuele intimidatie, vaak door mannelijke collega’s. Ik durf te wedden dat behalve artsen ook vrouwelijke verpleegkundigen zich door artsen seksueel geïntimideerd kunnen voelen. Daar zitten grove incidenten tussen, maar ik kan me ook goed voorstellen dat de dader zich niet altijd bewust is van hoe iets overkomt. Seksueel getinte opmerkingen of geflirt kun je daarom beter maar vermijden, en bij hiërarchische verschillen moet je extra alert zijn op hoe taalgebruik of gedrag overkomt.

Op onze longafdeling zijn alle specialisten vrouw en alle artsen-in-opleiding man. Mijn opleider, een vrouw van vijfenzestig, noemt ons artsen-in-opleiding vaak pojat, jongens. Hoewel het wat denigrerend kan overkomen, is dat op onze afdeling geaccepteerd, althans, wanneer zij dat zegt. Haar noem ik voor de grap wel eens emäntä, het woord voor een boerin, bazin of de vrouwelijke oudste van een kleine traditionele gemeenschap. Onze emäntä houdt er seksistische ideeën op na: mannen (en zeker mannelijke patiënten) zijn zelden in staat voor zichzelf te zorgen, en als geen vrouw het hen belet, zitten ze aan de alcohol. Vrouwen hebben volgens haar juist vaak weer een neiging tot hysterie, maar het is de man die hen daartoe drijft. En de uitzonderingen bevestigen de regel. Kortom, onze emäntä is zoals ieder mens: we zien onze vooroordelen altijd bevestigd en nooit ontkracht.

Onlangs had ik een patiënt op de afdeling die vanaf het eerste moment boos op me was. Omdat ik een arts was en ook nog eens uit het buitenland kwam. Ik liet hem stoom uitblazen en probeerde erachter te komen wat zijn probleem was met de medicatie die een andere arts hem had voorgeschreven voor zijn kortademigheid. Maar in plaats van te bedaren werd hij alleen maar bozer. Hij wilde ‘het beste medicijn tegen kortademigheid’, dat wil zeggen, het medicijn dat zijn vrouw gebruikte. Omdat ik niet direct wist welk medicijn hij bedoelde, zei hij dat ik geen dokter kon zijn want een dokter zou wel weten wat het beste medicijn was. Waarschijnlijk was ik een ongediplomeerde Rus. Hij liep rood aan en had zijn vuisten gebald, alsof hij er zo op los kon slaan.

Toen werd ik boos. Zoiets hoefde ik me immers niet te laten zeggen en ik liet me niet intimideren. Ik verhief mijn stem en zei dat hij erover na mocht denken of hij mijn behandeling wenste of niet, en toen liep ik bij hem weg.

Direct daarop kreeg ik spijt. Door zijn habitus was ik in de veronderstelling geweest dat hij een man was van primaire reacties, iemand die zich snel opwond en uit zijn slof schoot, en in dat geval vond ik het gerechtvaardigd dat ik hem terechtwees toen hij mij respectloos bejegende. Maar was dat wel zo? Of was hij misschien emotioneel labiel door de medicatie die hij kreeg? Het was niet professioneel dat ik mijn stem had verheven en boos bij hem was weggelopen.

Later op de dag ging ik opnieuw bij hem langs. Zijn vrouw was erbij en hij was gekalmeerd. We hadden een goed gesprek over de medicatie en na afloop maakte ik een relativerend grapje over de confrontatie in de ochtend. De volgende dag kon hij naar huis, met het beste medicijn dat er was. Bij het afscheid drukte hij me stevig de hand en ik wuifde zijn excuses weg. Misschien had hij dat moment van boosheid inderdaad gewoon nodig had gehad, dacht ik. Zijn boosheid kwam voort uit wantrouwen, en met die kennis kon ik begrijpen welke zorg hij precies nodig had. Hoewel een dergelijke confrontatie niet tot de communicatie uit het boekje behoorde, voelden we elkaar goed aan en waren we na afloop tevreden met elkaar. Hij met mij als zijn dokter en ik met hem als zijn patiënt. Ik hou eigenlijk wel van mensen met emotionele reacties, maar mooier is het natuurlijk om zelf geen seconde boosheid te voelen en dus denk ik dat ik me dit incident over tien jaar nog herinner.