Mijn bolwerk

Een vermolmde boomstam is zacht en warm, dat zit beter dan een rotsblok ook al is die met mossen bekleed. Je zou ze moeten zien, grijs en groen en zwart en bruin bevlekt, met zilver aangezet en bekleed met bronzen dennennaalden die altijd gepaard zijn, met een zwarte knot aaneen gebonden. Het geruis door de bomen zou je gemakkelijk voor een snelweg kunnen houden, als je uit Nederland kwam, waar geen plek buiten gehoorsafstand van het wegennet ligt. Er klinkt ook gekauw en gekraai en getjilp, maar wel met mate. Je vraagt je af waarom ze die geluiden maken, om de beurt, de een laat de ander zijn deuntje rustig uitzingen. Plegen ze overleg, zijn ze in een soort vogeldiscussie verwikkeld waar wij met ons verstand niet bij kunnen, of is het de afspraak om geen stilte te laten vallen, een verbond tegen de eenzaamheid van het bos? Maar nee, eenzaamheid kun je dit niet noemen, zelfs als je de vogels wegdenkt. Het heeft eigenlijk wel wat gezelligs, als een bruine kroeg, de zachte kleuren van de naderende herfst, het roodverkleurend blad van de bessen, het antieke tapijt van mossen en de zilveren franje van het rendiermos. De boomstronken en keien liggen her en der verspreid, uitnodigend als tafels en stoeltjes. Jugendstil, maar dan echt, levend en dood. Hier kan ik vrij denken en dichten, dit is mijn bolwerk. Alleen de kranten ontbreken, de kranten op de leestafel, en een kopje koffie met een speculaaskoekje.

Advertisements

Parels in de zorg

Vanwege een besmettelijke vorm van tuberculose wordt Helmi enige weken in isolatie verpleegd. Dagelijks steek ik me in de groene beschermende kleding om haar te bezoeken. Muts op, plastic bril en een speciale mondkap. Iedere morgen zwaai ik even door het raam voordat ik me in die kleding steek, om haar te laten zien dat ik een echt mens ben en geen buitenaards wezen. Dat is geen overdrijving, want behalve tuberculose lijdt Helmi ook aan Alzheimer. Maar misschien is ‘lijden’ niet het juiste woord: de ene dag lijdt ze wel, maar de andere dag is ze dolgelukkig.

Hoewel de medische noodzaak om haar dagelijks een bezoekje te leveren verwaarloosbaar is, neem ik altijd even de tijd voor haar. Ik vraag haar hoe ze zich voelt en wat ze die ochtend heeft gedaan. Haar antwoorden kunnen verrassen.

Begin deze week vertelde ze dat ze de Schepper had gezien. Dat maakte haar verdrietig, een beetje paniekerig zelfs, ze was bang om dood te gaan. Ik vertelde haar dat ze op de longafdeling was en dat ze de beste zorg van de wereld kreeg, omdat ze dat verdiende. L’oreal voor bejaarden. Ze was de parel van de afdeling, vertelde ik haar. Dat laatste was een halve leugen: ze was niet dé parel, maar een van de parels. Dat is namelijk wat zorgverleners op de been houdt. De ellende van kanker, ernstig invaliderende longziektes, sterfgevallen en soms slopende diensten is alleen te dragen omdat ‘de mens’ als patiënt ertegenover staat. De zorg is waar alle mensen samenkomen, het is een vangnet voor iedereen, wel met een oververtegenwoordiging van mensen met sociaaleconomische achterstand en mensen op leeftijd.

Helmi’s tuberculose heeft ze te danken aan haar jeugd. Destijds kwam tuberculose veel meer voor dan nu, ze raakte besmet maar decennialang heeft ze de bacil op eigen kracht onderdrukt. Een van de kenmerken van ouderdom is dat het immuunsysteem langzaam verzwakt. Daar wacht de tuberculosebacil op, in een holte die hem beschermt tegen de afweer van zijn gastheer. Tuberculose is opgekropt kwaad. In Lapland zijn de meeste tuberculosepatiënten ouderen zoals Helmi, maar de ziekte komt ook voor bij mensen met afweeronderdrukkende medicatie of emigranten uit arme landen waar tuberculose vaak nog welig tiert.

De volgende dag vertelt Helmi me dat ze ’s ochtends broodjes had gebakken. Ze is in een goede bui en biedt me ook wat broodjes aan. We praten even, ik luister naar haar longen en vertel haar welke dag het is. Wanneer ik afscheid van haar neem, tilt ze haar rechterarm met de linkerhand op, om mij de hand te schudden. In haar vingers heeft ze normale kracht, maar in de spieren daarboven niet. Die verlamming is het gevolg van poliomyelitis die ze in haar jeugd heeft doorgemaakt. Behalve een parel, is ze dus ook een infectiologisch museumstuk.

Misschien meer als schrijver dan als dokter vraag haar hoe het haar lukt om broodjes te bakken met de verlamde arm. Neemt ze die verlamming mee in haar fantasie over wat ze die ochtend had gedaan?

‘Ach,’ zegt ze, ‘je leert ermee leven. Kijk, mijn vingers kan ik gewoon bewegen, en voor de rest heeft die arm alleen een steuntje nodig. Iedereen heeft zijn ongemakken, maar door een ongemak hoef je je nog niet te laten beperken. Mij hoor je over mijn arm niet klagen.’

Wat me nog meer raakt dan haar woorden, is de bescheiden uitdrukking op haar gezicht waarmee ze haar verlamming bagatelliseert. Dit is geen confabulatie meer, dit is hoe ze in haar leven haar lichamelijke ongemak een plek heeft gegeven.

Misschien is ze toch dé parel van de afdeling, denk ik als ik de kamer uitga, de beschermende kleren uitdoe en mijn handen was. Ondanks haar vergevorderde dementie, haar algehele zwakte, de verlamming, het feit dat ze feitelijk opgesloten is op de afdeling en ondanks de naderende dood, is ze het leven nog niet verleerd.

Hoe ik van rokers leerde houden

Mevrouw Zwanenmeer kwam twee maanden geleden op mijn polikliniek om de uitslag van de CT-scan te horen. Longkanker. Lymfekliermetastasen.

‘Dus ik ga dood,’ liet ze vallen.

Bij haar moest je niet om de dingen heen draaien, besefte ik. Ze was haar hele leven schoonmaakster geweest. Van smerige dingen zag ze in een oogopslag of het nog op te poetsen viel, of dat het beter kon worden weggegooid. Haar door kanker aangetaste lichaam behoorde tot die laatste categorie.

Vorige week viel me op dat ze moeilijk liep, en een paar uur later moest ik haar vertellen dat ze uitzaaiingen had in het brein.

‘Dan hebben we beiden slecht nieuws,’ zei ze, doelend op haar kamergenoot die eerder die dag een nare diagnose had gekregen.

Weer die nuchterheid! Het deed me perplex staan. Hoe krijg je het voor elkaar om je eigen leed binnen een seconde in perspectief te plaatsen?

Later die dag kwam ik haar op de benedenverdieping tegen toen zij onderweg was naar het rokershuisje om een sigaret op te steken. Ik kwam uit de kleedkamer, in korte broek en mouwloos shirt, klaar om door de bossen naar huis te rennen. De korte groet die volgde, voelde als een intiem moment, alsof we twee acteurs waren die achter de coulissen uit hun rol waren getreden.

Ik was een jaar of zeventien toen ik zelf mijn eerste pakje kocht. Het was een bewuste stap naar volwassenheid. Mijn vrienden rookten, en ik deed met ze mee. Met mijn bijbaantje verdiende ik ondertussen zo veel geld dat ik behalve cd’s ook wel mijn eigen sigaretten kon betalen en dus niet meer hoefde te bietsen bij anderen. Direct nadat ik de eerste sigaret had gerookt, stak ik een tweede op. Dat was immers de vrijheid die ik mezelf kon veroorloven. Drie sigaretten rookte ik op binnen een uur. Maar toen ik de vierde opstak, ging ik ineens over mijn nek, alsof de rook me een acute vergiftiging opleverde. Bij drie-en-een-halve sigaret is het gebleven. Ik gooide het pakje weg en zag dat er nog een andere manier was om volwassen te worden.

Tijdens mijn geneeskundestudie leerde ik dat roken verwerpelijk was. De sigaret is een van de grootste boosdoeners in de geneeskunde, of je het nu over kanker hebt of hart-en-vaatziekten. Roken was niet alleen schadelijk, maar ook een vorm van schuldig gedrag.

Dat wijsvingertje ben ik kwijtgeraakt. Mettertijd ben ik steeds meer van rokers gaan houden. Eerst ging de aangeleerde boosheid over in een gevoel van medelijden. Rokers waren slachtoffers, al zagen ze het zelf niet altijd zo. Rokers waren stuk voor stuk verslaafd, je moest ze tegen zichzelf in bescherming nemen.

Maar ook dat standpunt heb ik verlaten. Zeker, er zijn slachtoffers onder, mensen die liever niet hadden gerookt, maar dat geldt lang niet voor allemaal. Ik ben erachter gekomen dat er eigenlijk heel veel mensen zijn die zomaar kunnen stoppen als ze het daar tijd voor vinden. Roken is voor hen een gewoonte die ze maakt zoals ze zijn, een routine die het leven in een vorm giet, zoals hardlopen door het bos dat doet voor mij. Wie ben ik om iemand te vertellen hoe hij of zij moet leven? Zou ik stoppen met hardlopen als het me levensjaren zou kosten? Ik weet het niet.

Ik ben er sterk voor om het roken zo veel mogelijk te ontmoedigen, en zeker bij jonge, beïnvloedbare mensen. Maar de plannen om roken op straat te verbieden, vind ik erg ver gaan. We doen onze vrijheid geweld aan als we er niet meer in geloven. Ook al is de bedoeling om het roken tegen te gaan, zullen veel rokers het zien alsof niet hun gewoonte maar zijzelf worden afgekeurd, dat het sigarettenverbod net zoiets is als het hoofddoekverbod in verschillende Europese landen, waarbij veiligheidsargumenten worden misbruikt om bevolkingsgroepen te onderdrukken.

Sinds ik het roken heb ontdaan van het morele jasje waarmee het op de universiteit werd aangekleed, lukt het me beter om het roken met patiënten constructief te bespreken. Ik vertel dat ze voor mij absoluut niet hoeven te stoppen, maar dat ik het wel belangrijk vind dat ze zelf een keuze maken waar ze achter kunnen staan, en in die keus wil ik ze steunen als ze dat nodig hebben.

Voor mevrouw Zwanenmeer betekent dat, dat ze blijft roken tot de dood haar die mogelijkheid ontneemt. In termen van overleving is dat geen verstandige keus, maar de krachtige wijze waarop zij de dood in de ogen kijkt en het angstaanjagende ervan met een geroutineerde veeg heeft afgenomen, als stof op een tafelblad, en zoals alleen een schoonmaakster dat kan, geniet mijn bewondering.


Thijs Feuth (1981) is schrijver, marathonloper en werkt als arts in Fins Lapland. Zijn recentste boek is Achter de rug van God, dat in 2017 bij De Arbeiderspers verscheen.

Aan de rand van de wereld begint het echte leven. De Nederlandse arts Thijs Feuth vertrekt met zijn Finse geliefde Laura naar Posio, een dorp diep in Lapland. In Achter de rug van God onderzoekt hij het contrast tussen de wereld waarin hij zich heeft gevestigd en de woelige wereld die hij achter zich heeft gelaten en die nog slechts via de (social) media tot hem komt. De natuur, de mensen van het dorp, het isolement en de strenge winter roepen grote en kleine vragen op over het leven, de maatschappij en zijn verhouding met Laura. De Finse mythologie, heemkundige zaken, hardlopen en langlaufen helpen de schrijver bij zijn zoektocht naar hoe te leven.

De geur van regen

Eerst rolde de donder over het door hitte en droogte uitgeputte land. Dreigende stapelwolken hingen bewegingloos in de lucht. Het duurde nog uren voordat de regen viel, en met een korte plensbui was het ook meteen gedaan. Toch was dat meteen voldoende om de poriën van het bos te openen.

Kruidige dampen dringen zich op als ik in de avond een wandeling maak door het bos. Heeft het dit jaar eigenlijk al eens geregend? Sinds het smelten van de sneeuw in mei wachtte ik op de geur van de moerasrozemarijn, een geur die zo vol is, vloeibaar haast, dat je het gevoel krijgt dat je op de lucht kan drijven, maar die geur, waar vorig jaar iedere dag in te drogen hing, was nergens te bekennen. Tot nu dan, nu ruik ik de moerasplant eindelijk, maar het is niet het enige dat in de lucht hangt. Alle planten zijn op hetzelfde idee gekomen, ze vieren de eerste regen van de zomer met de sterkste luchtjes waarover ze beschikken, en al die geuren mengen zich met petrichor dat opstijgt uit de grond.

Zijn het de geuren die me het gevoel geven dat alles is zoals het wezen moet? Is dit een of ander biochemisch proces dat zijn oorsprong vindt in de oertijd, waarin we direct van de weersomstandigheden afhankelijk waren?

Ook het groen is beduidend feller dan de afgelopen weken, het bos heeft een instagramfilter op zichzelf toegepast. Al het blad is schoongespoeld, de bessenstruiken die de grond bedekken, dragen op ieder blad een druppel, en in de berm schitteren duizenden parapluutjes van de bospaardenstaart die met diamantendruppels zijn besprenkeld.

Zou dit vocht voor de bessen en moerasbramen voldoende zijn om zich vol te zuigen, om op te zwellen met vitaminerijk sap?

De stapelwolken, die nog steeds triomfantelijk in de lucht hangen, als zegevierende oorlogsschepen na een zeeslag, krijgen een roze gloed. Ook dat is een teken dat de zomer over haar hoogtepunt heen is, want dat betekent dat de zon ’s nachts niet meer bovenlangs de noordelijke horizon scheert, maar eventjes onderduikt.

Met deze ene regenbui verdwijnt dat de angst dat deze hittegolf een meteorologisch Apocalyps zou blijken, dat een acute verergering van het broeikaseffect de kou voorgoed van onze planeet zou doen verdwijnen en we langzaam, heel langzaam, gegrild zouden worden op de barbecue van mythologische goden waarvan wij dachten dat we ze die met de rede verslagen hadden.

Het geloof in de rede, of beter gezegd in onze redelijkheid, ben ik de afgelopen jaren langzaam kwijtgeraakt, maar dat we nu op de gril van die goden belanden, blijkt niet waar.

Nog niet.

Het is goed

Lig je net, word je eruit gebeld. Lichtelijk geïrriteerd ben ik, vooral omdat de verpleegkundige aan de telefoon niet duidelijk kon maken wat nou precies het probleem was. Ik weet dat het niet goed is, geïrriteerd zijn, maar in de lift naar boven heeft niemand er last bij. Tweeënzeventig uur draai ik deze week, waaronder twee nachten, en dat rechtvaardigt mijn irritatie, vind ik. Maar dat is háár schuld natuurlijk niet, denk ik als de lift tot stilstand komt. Als een verpleegkundige je belt, heeft die daar altijd een goede reden voor.

Bij de stroke-unit bekijk ik het hartfilmpje. Linkerbundeltakblok. Een oude bevinding, zie ik als ik het vergelijk met het vorige hartfilmpje. En niet eens pijn op de borst, begrijp ik van de verpleegkundige. Waar was ik dan voor nodig?

‘Wil je hem toch heel even bekijken?’ vraagt de verpleegkundige. ‘Even naar zijn hart of longen luisteren ofzo? Gewoon íéts doen. Hij is zo bang dat hij doodgaat.’

Het gaat om een man van vijfentachtig die door een herseninfarct halfzijdig verlamd is. Als ik naar hem toeloop, schreeuwt hij het bijna uit. ‘Help me, dokter, help!’

Hoewel deels verlamd, is zijn lichamelijke toestand stabiel. De angst op zich is nu het probleem, en zo ziet hij dat zelf ook. Maar of het de dood is, waarvoor hij bang is, weet ik niet.

Wanneer ik vijfentachtig ben, hoop ik dáár in elk geval niet bang voor te zijn. Bij een boswandeling met Eeva hadden we het daar vanmiddag toevallig over. De afgelopen jaren heb ik vaak het gevoel gehad dat ik vroeg zal overlijden. Binnen een paar jaar, zeg maar. Maar beangstigend is die gedachte niet. Integendeel, het lucht me op. De mogelijkheid van een vroege dood ontslaat je van alle verantwoordelijkheid die het leven met zich meebrengt. Als ik morgen dood neer zou vallen, zou het voor mij in orde zijn. Maar als Eeva dat zou doen, sterven, dan niet. Dat zou ik juist heel erg vinden. Egoïstisch eigenlijk, om zo over je eigen dood en dus andermans verdriet te denken. Ik sprak er met Eeva over in de hoop dat het haar ook gerust zou stellen, alvast. Dat áls ik zou doodgaan, dat ze het dan niet zielig zou hoeven te vinden.

En tegelijkertijd vermoed ik dat ik alleen zo over mijn dood kan denken omdat ik weet dat die vroege dood de odds tegen heeft. Met de dood in de ogen, zal ik vast anders piepen.

Over angst vertelde Eeva dat, in hun kindertijd, de grootste angsten van haar broertje konden worden verholpen door hem bij de hand te houden. Dan was hij ineens een held, die nergens meer bang voor was.

Ik moet denken aan meneer V., die met de ambulance een rit van drie uur met de ambulance maakte om in mijn armen te sterven. Althans, dat had zijn vrouw mij achteraf gezegd. Een paar weken eerder had hij op mijn afdeling gelegen met uitgezaaide longkanker. En na een paar weken thuis, kwam hij dus opnieuw naar de eerste hulp. Voor ons beiden was het een emotionele reünie. Hij zat overeind in bed en hapte naar adem. Maar vooral was hij bang, doodsbang.

Met mijn hand op zijn arm ontspande hij. ‘Het is goed,’ zei ik, hoewel ik niet eens wist of er wel iets goed was, en wat dat goede dan was. Maar het kwam aan. Hij had geruststelling nodig, een paar woorden die niets maar tegelijkertijd een hele hoop behelsden. Ik gaf hem zuurstof en wat morfine, en in minder dan een uur was het allemaal voorbij. Zijn vrouw, die hem had nagereisd, kwam aan net nadat hij gestorven was. Ze viel me om de hals en zei dat haar man haar had gezegd dat hij naar Matti moest (zo heet ik voor veel Finnen).

Ik was enorm dankbaar dat ik toevallig op dat moment dienst had op de eerste hulp. Het lot had op dat ene moment mijnheer V. en mij samengebracht. Medisch gezien had ik niets voor mijnheer V. kunnen betekenen, en toch voelde de zorg aan mijnheer V. als een van de belangrijkste dingen die je als arts kon doen. Toch had willekeurig welke arts in mijn plaats kunnen staan, want ik geloof niet dat ik daarin nu beter ben of dat ik liever voor patiënten ben dan een ander. Als er maar iemand was die zich om hem bekommerde. We hebben gewoon allemaal iemand nodig. Door het leven heen kan dat een partner zijn, maar er kunnen best momenten zijn waarop je iemand anders nodig hebt. Een arts, een hulpverlener, of een willekeurige passant.

De herinnering aan mijnheer V. schiet in een moment door me heen als ik op de stroke-unit aan het bed van deze half verlamde patiënt sta. Wederom doodsangst, daar heb je geen stethoscoop of hartfilmpjes voor nodig. Hij praat op luide toon en onrustig. Alleen door stevig te wrijven over zijn schouder en arm, komt hij enigszins tot bedaren. ‘Het is goed,’ probeer ik, zoals toen bij mijnheer V.. De uitwerking van die woorden is niet zo sterk als destijds, maar iets doet het wel. Het is drie uur en de nacht is donker, ook op de stroke-unit. Tijd om te slapen. De eenzaamheid van de nacht kan een oude man in een angstig kind veranderen. Ik pak zijn hand, zoals Eeva bij haar broertje deed, en blijf een paar minuten bij hem staan en wrijf hem alleen maar over zijn arm. En dan sluip ik stilletjes weg.

Seksualiteit

Naar aanleiding van #MeToo denkt men over strengere regels voor seksuele omgang en zwaardere straffen. Maar of dat ons goed gaat doen?

Seksualiteit hoort bij de nacht en gesloten gordijnen. Seksualiteit is intimiteit, en eigenlijk altijd emotioneel beladen. Het is vaak heel gewild, maar kan ook juist totaal ongewenst zijn. Seksualiteit is ja maar ook nee, soms tegelijkertijd maar ja en nee kunnen elkaar ook opvolgen of afwisselen. Wil en daad lopen elkaar voorbij. Seksualiteit is ontdekken wat je wilt en gissen naar wat de ander wilt. En dat gaat de taal voorbij. Seksualiteit is een leerproces, dat ook. Leren wat goed is en wat slecht, leren waar de grenzen liggen. Maar seksualiteit is ook spijt hebben en schaamte. Seksualiteit is respect en verachting, net zoals seks lekker is en vies, teder en grof. Juist die onzekerheid over wat je zelf en wat de ander wilt, maakt seks ook zo spannend. Wie geen negatieve seksuele ervaringen heeft of nooit fouten heeft gemaakt, is nog maagd. Seks is nooit onschuldig, maar daardoor hoeven we seks nog niet in het verdoemhoekje te laten zitten.

Gestoorde seksualiteit kán ook een misdrijf zijn, maar ik denk dat dat vrij uitzonderlijk is. Vaker berust het op een misverstand, op het niet begrijpen wat de ander wil, een discrepantie tussen intentie en perceptie, een kortsluiting in het seksuele leerproces.

Ik denk dat vanwege #metoo onze verwachtingen van justitie te hoog zijn. Wil en onwil zijn immers moeilijk te bewijzen en de sporen van de daad zijn snel verdwenen terwijl de psychische gevolgen juist in de loop van de tijd kunnen toenemen. Het is vaak woord tegen woord, en daar staat de rechter machteloos tegenover.

Laten we #metoo dus vooral aangrijpen voor een stap in onze persoonlijke seksuele ontwikkeling. Verdiep je beter in wat de ander wilt en vooral in wat hij of zij niet wilt. Besef ook dat je je eigen grenzen moet bewaken, en dat het niet ok is als iemand die passeert. Juist door grenzen te respecteren, kan seks ook bevrijdend zijn. En als dat in de slaapkamer lukt, achter gesloten gordijnen, kunnen we het geleerde ook daarbuiten toepassen.