Een succesvol leven in 24 uur

Nacht. Alles slaapt en is stil. Misschien dat de wind door de bossen jaagt, of de regen op de daken slaat, maar niemand die het hoort. Het bewegen van de borstkas doet leven vermoeden, maar ook niemand die dit ziet. Laat staan de beelden die zich op de cortex projecteren: illusies en dromen. Groots in ambitie, maar onschuldig omdat ze vergeten zullen worden.

Ochtend. Nog voor de wekker gaat een voorzichtig ontwaken. Vroeg schouwspel van kleuren aan de hemel: een belofte van een zomerse dag. Maar de wereld gaat nog gehuld in een sluier van mist. Duidelijk is het, dat ze wat te verbergen heeft. Je trekt je schoenen aan om de nieuwe dag te vieren. Een eerste begroeting van een jonge vrouw die je bewonderend toelacht: “dat ziet er soepel uit! Mooi! Sterk!” Dat ze een vermomming is van de duivel realiseer je je later pas, veel te laat. Maar voor nu: talent wordt belofte, een drang om te worden. Al snel vallen records aan diggelen. De wereld ademt plezier, iedere overwinning wordt gevierd. Niet om te gedenken wat is bereikt, maar om te vieren dat nog meer je te wachten staat.

Het middaguur. Als je je op straat begeeft, klampen mensen zich aan je vast, zo beroemd ben je om je daden. Medailles hangen aan de muur en je lacht de wereld toe vanaf de billboards langs de kant van weg. Nog nooit heb je zoveel vrienden gekend: iedereen wil een slokje uit de graal van succes. De zucht naar meer. Een enkeling keert zich van je af en spuwt op de grond van jaloezie. Gewend zijn we eraan tot de besten te worden gerekend, terwijl de dag pas halverwege is. Zoals de zon haar weg aan de hemel zoekt dat ben jij: steeds hoger. Met het verschil dat de zon weet dat ze ook weer af zal dalen, en morgen opnieuw haar baan zal kiezen. Oneindige cycli, die zich in de zomer steeds hoger wagen, in de winter bescheidener maar het jaar erop opnieuw steeds hoger komen. Maar jij, als je in de ochtend zo hoog geklommen bent, dan is het toch zonde weer af te dalen! Je neemt je voor om, in tegenstelling tot de zon, nog hoger te klimmen, je plek te kiezen in het zenith en de zon overbodig te maken door altijd je licht over de wereld te verspreiden. De mensheid zal je dankbaar zijn, omdat de nacht tot het verleden behoort. Altijd zullen er mensen omhoog kijken en je bewonderen.

Namiddag. Je krijgt een eerste kleine tegenslag is te verwerken. Het succes van de ander is vast tijdelijk, een eendagsvlieg. Straks zul je weer bovenaan staan, de plek innemend waar je hoort. Een volgend verlies vraagt om verandering. Er hapert iets, het is zaak de boel weer op de rails te krijgen. Even later dienen zich volgende tegenslagen: blessures en, erger nog, de buurman die je voorbij rent. Welk onrecht wordt je aangedaan? De ouderdom dwingt je op je knieën, maar toegeven zul je niet. Strijdvaardig als op vroegere uren duw je je tegenstanders aan de kant. Je zult ze laten zien dat er niet me je te spotten valt!

Avond. Een enkeling die je nog herkent. Was jij niet de man die toen op nummer 1 stond? Wil je dat liedje nog eens voor me zingen? Je staat voor een keuze: blijf je standvastig strijden tot de dood, of werp je de handdoek in de ring? Er is eigenlijk geen keuze, want de ouderdom tast je lichaam aan terwijl de roem je geest al heeft aangevreten. Verdoemd die vrouw die jou toen zo bemoedigend toesprak. Nu herken je de duivel in haar, maar het is al te laat. Er zijn middelen die je het oude, bekende gevoel weer geven. Poedertjes. Of nog een laatste heldenvlucht als superman van een flatgebouw af. Het moet een kortstondig gevoel van macht geven, de wereld die weer op je afkomt.

Nacht. Woelend grijp je naar het potje slaappillen. Sluimering maakt zich van je meester maar de rust heb je nooit meer hervonden. Je wordt weer wakker uit een nachtmerrie: een stadion vol mensen met witte zakdoekjes. La pañolada. Een van de zakdoekjes waait naar je toe, wordt groter en groter, en valt als een parachute over je heen. Handen knopen haar dicht terwijl je geen woord kunt uitbrengen. Onbekenden dragen je weg, komen tot stilstand bij de waterkant. Terwijl je in de verte twaalf klokslagen hoort beland je met een zwaai in het water. Een plons en water dat snel door het laken heen lekt en je neus binnendringt. Geen dood erger dan de verdrinkingsdood, die je doet verstikken in de stille duisternis van de Ganges.

Het is triest om te zien hoe Yuri van Gelder nu publiek ten onder gaat. Bram Bakker laat in het NRC optekenen dat topsporters die niet langer winst opleveren worden weggegooid. Niets zo vergankelijk als succes en de daarmee gepaard gaande bewondering. Als sporter moet je uitkijken dat die zucht naar bewondering niet de belangrijkste drijfveer wordt. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor sporters, maar ook voor muzikanten, politici, wetenschappers en ieder ander. Want wat onderscheidt eerzucht eigenlijk van ambitie? Bewondering en aandacht doen bloeien, maar wat als we minder krijgen dan waar we naar streven? De eerzucht neemt, volgens La Bruyere, alle andere hartstochten in zich op en geeft hun een tijdlang de schijn van alle deugden. Bewondering maakt de mens slaaf van haar ambities. Pas daarom op voor complimenten – accepteer ze als uiting van vriendschap, maar wees er niet gevoelig voor, want wat doet de mening van een ander er eigenlijk toe?

Een dromer op de marathon

Thijs Feuth (28) heeft een website. Daarop stelt hij zichzelf de vraag: ‘Arts of marathonloper?’ En het antwoord luidt dan: ‘Het meest nog ben ik een romanticus’. Hij woont in Enschede. Niet ver van zijn favoriete bruine café Het Bolwerk dat hij graag aan zijn interviewer wil laten zien. Eerst eet hij thuis nog een bordje havermout. 
Rekken aan de oever van de Dinkel ‘Ach, romanticus… Ik moest gewoon een stukje over mezelf schrijven. Wat ben ik? Geen idee eigenlijk. Niemand is wat hij doet. Misschien ben ik vooral een dromer. Altijd geweest. Wij woonden in een boerderijtje, aan de rand van Nijmegen. Eerst was ik er samen met mijn broer, toen kwamen er steeds meer bij. Uiteindelijk waren er zes kinderen. We hadden dieren, er was een tuin; eigenlijk waren we altijd op vakantie. Bovendien las ik veel. Overal waar de Kleine Kapitein was geweest, daar kwam ik ook. Op mijn twaalfde begon ik op een oude fiets de wereld te verkennen. Soms wel honderd kilometer per dag.  Over de Maasdijk naar Zaltbommel en weer terug. Daar zie je al iets van de duursporter in mij terug. Het lopen begon toen we een keer een paar Belgen te logeren hadden. Ze deden mee met de Vierdaagse en kwamen op de tweede of de derde dag, om zeven uur ’s ochtends, bij ons huis voorbij. Ik dacht: ik loop een stukje mee, maar het ging zo lekker dat ik pas na vijftig kilometer ben gestopt. De fysieke kant – het zo lang mogelijk volhouden – speelde een rol, maar ik denk dat er ook veel romantiek in het spel zat. Grenzen verkennen. Avontuur. Ik liep ook mee met de wandeltochten die aan de Vierdaagse vooraf gingen. Tien, vijftien kilometer, vlot doorstappend.’

Kom je uit een sportieve familie?

‘Mijn vader vertelde een paar jaar geleden dat hij ooit een tijdje heeft hardgelopen. Mijn broer heeft in de bouw gewerkt – echt een krachtpatser – en mijn broertje is hoefsmid. Ook heel sterk. Een van mijn zusjes deed aan ballet en mijn jongste zusje doet nog aan paardrijden. Dat is het zo’n beetje.’

Wat heb je nog meer van je vader?

‘Zijn gedrevenheid. En zijn wiskundeknobbel, waarschijnlijk. Mijn vader is statisticus in het Radboudziekenhuis. Intelligente man, beetje afstandelijk. Hij is lief, interesseert zich voor mensen, maar hij uit zijn gevoelens niet zo. Mijn moeder is vooral een gevoelsmens, hartelijk, maar ze  kan ook nogal dominant zijn. Dat geldt eigenlijk voor iedereen in onze familie. We vragen aandacht, we zijn allemaal nogal aanwezig.’

Je was een dromer, zei je. Droomde je ook over de toekomst?

‘Ja, ik wilde schrijver worden. En concertpianist. Dat ik naar het conservatorium zou gaan stond voor mij lange tijd vast. Tot mijn pianoleraar, met wie ik een goed contact had – hij was een rolmodel voor me – terugkwam uit Afrika met verhalen over honger, ziekte en armoede en ik me begon af te vragen hoe nuttig het eigenlijk was om pianist te worden. Was dat de zin die ik aan mijn leven wilde geven? Na de middelbare school ben ik naar Engeland gegaan. Eerst werkte ik in een Organic Farmshop, later in een fabriek. Daarna heb ik in Ierland in cafeetjes gewerkt. Het was een prachtige tijd. Als je in je eentje zit, ver van je bekende omgeving, leer je jezelf wel kennen.’

Besloot je daar geneeskunde te gaan studeren?

‘Dat gebeurde toen ik net terug was. Een vriendin lootte mee voor de studie geneeskunde en ze vroeg: “Is dat niks voor jou?” We hebben alles op een rij gezet en het leek te kloppen: met mensen bezig zijn, iets nuttigs doen, meer verdieping. Ik zag het wel voor me. En weet je wat zo bevrijdend was? Dat ik buiten het kader van de muziek trad. Er bestonden eerst geen andere mogelijkheden. Iedereen ging er vanuit dat ik die kant op zou gaan. En nu brak er ineens iets open: ja, ik kan ook voor een andere studie kiezen! Ik nam mijn besluit en daarna leek alles vanzelf te gaan. Ik werd ingeloot – terwijl ik maar dertig procent kans had – en ik mocht naar Amsterdam, mijn eerste keuze. Alles – de co-schappen, de stages – beviel me. Ik begon in 2001 en in maart 2008 ben ik afgestudeerd. Niet getreuzeld.’

En wanneer begon je het hardlopen serieus te nemen?

Bij boerderij in De Lutte‘In Ierland werkte ik op een gegeven moment in een restaurantje. Na het werk dronken we vaak iets in de pub om vervolgens, moe en belabberd, naar huis te gaan. De volgende dag moest ik me pas aan het einde van de middag weer melden dus ging ik ’s ochtends een stukje hardlopen om mij weer iets fitter te voelen. Al snel liep ik hele stukken en ik merkte dat het me niet veel moeite kostte.  Toen ik begon te studeren was er bij het ziekenhuis waar ik stage liep de jaarlijkse AMC-loop. Na drie weken trainen liep ik daar 10 kilometer in veertig minuten. Ik keek er zelf wel van op en dacht: als ik hier nou eens mijn best voor ga doen, zou ik misschien een goede hardloper kunnen worden. Ik sloot me aan bij Phanos, de atletiekvereniging, en daarna werd het… nou, een obsessie wil ik niet zeggen, maar het werd wel steeds belangrijker voor me.’

Waarom wil je dat woord niet gebruiken?

‘Het is deels obsessief – elke dag trainen – maar het is ook een manier van leven geworden. Ik kreeg al snel, tijdens mijn co-schappen, een doel: de marathon lopen. Voor mij is het logisch om daarvoor vroeg op te staan, te trainen, te werken, thuis te komen en weer te gaan trainen. Dat is mijn levenspatroon op dit moment. Het geeft, naast het werk, ook richting aan mijn leven. Nadat ik hier, in Enschede, de marathon in 2:29:55  had gelopen dacht ik mijn doel bereikt te hebben. Ik kon wel stoppen. Maar na een paar weken begon ik me ongelukkig te voelen. Ik kwam thuis van mijn werk en ging… ja, wat moest ik nu doen? Lezen? Ook leuk, maar toch… Ik besloot weer te gaan lopen en een half jaar later liep ik weer een marathon. Sindsdien ben ik marathonloper.’

Heb je nu een bepaald doel?

‘Snellere tijden. Vorig jaar sprak ik Hugo van den Broek. Hij zei: “Over een paar jaar loop je misschien wel onder de 2:20.” Absurd, dacht ik – mijn record was op dat moment 2:28 – maar in het najaar liep ik makkelijk 2:24 en haalde brons bij het Nederlands kampioenschap. Brons! Als twee mensen niet hadden meegelopen had ik goud gehad. Dat is misschien ook wel een drive: goud halen. En onder die 2:20 komen.’

Hoe zit het eigenlijk met die gedachte dat je iets nuttigs moest doen? Hardlopen lijkt me nog zinlozer dan pianospelen, eerlijk gezegd.

‘Dat speelde toen: iets voor de wereld betekenen. Ik heb ook gedacht dat ik tropenarts wilde worden, maar dat idee heb ik losgelaten nadat ik de tropen had gezien. Ik heb vier maanden in Malawi gewerkt en daarvoor nog vier maanden in een lepra-ziekenhuisje in Nepal. Als student ben je in ontwikkelingslanden – zelfs met een studieschuld van hier tot Tokio – een rijk mens. Iedereen ziet je  als een rijke blanke, daar moet je mee kunnen leven. Bovendien moet je kunnen werken met beperkingen: die wereld draait anders. Er is een andere moraal. Het werk wordt sneller neergelegd, mensen komen te laat, afspraken gaan niet door… In Malawi worden doktoren en verplegers die voor een project van Artsen Zonder Grenzen – werken, beter betaald dan het personeel van een regeringsziekenhuis. Als je voor een schijntje moet werken, doe je minder je best. Het is niet alleen onwil. Het zijn ze omstandigheden. En je kunt er weinig aan veranderen. Iedere tropenarts knokt daarmee. Ik heb gemerkt dat die artsen vaak een enorme drive hebben; ze gaan erheen om dingen aan te pakken, zaken structureel te veranderen. En al snel blijkt er veel minder mogelijk dan ze hadden gedacht.’

Dus je hebt die ambitie laten varen?

‘Ik vraag me af of ik iets kan toevoegen. Hier, in Nederland, is één op de driehonderd mensen arts. In Malawi heb je één arts voor vijftigduizend mensen. Er zijn dus enorme tekorten en dan is er ook nog eens een enorme braindrain: Afrikanen worden vanuit Engeland aangetrokken. Ik begrijp het wel. Ze zullen de kans om als arts in het westen te gaan werken niet laten liggen, maar het is wel een ramp voor het land waar al zulke grote tekorten zijn. Volgens mij ligt daar ook de oplossing: je moet in de ontwikkelingslanden zelf meer artsen opleiden. Ik wil met de kennis en de ervaring die ik hier opdoe misschien over tien jaar weer die kant opgaan, om te helpen in het onderwijs.’

In Malawi kreeg je van een van de doktoren in het ziekenhuis een bijnaam: Chimwemwe.

‘Happiness. Ja, ik ben iemand die altijd gelukkig is. Ik lach veel. Ik weet niet hoe dat komt. Ik hou van mensen, ik vind het leuk om mensen te leren kennen. Als ik vrij ben, ga ik graag naar Het Bolwerk. Soms ga ik er gewoon heen om een boekje te lezen, ik vind het prettig om mensen om mij heen te hebben. Zeg, zullen we er nu even naartoe lopen?’

Op weg naar het café praten we verder over Malawi, waar hij het hardlooptalent Francis Khanje leerde kennen, waar hij iedere dag ging lopen zodra de zon opkwam. Eenmaal aan de stamtafel komt de liefde ter sprake – omdat ik meende dat ik op zijn website had gelezen dat Thijs verschillende keren hopeloos verliefd was geweest.

De Denker‘Heb ik dat echt geschreven? Ook op dat terrein ben ik gelukkig. Ik heb een lieve vriendin. Ik ken haar van de atletiek. Ze is fysiotherapeut en bewegingswetenschapper. Ze heeft een geweldige drive, wil continue bezig zijn. Als ik bij haar ben, en een keer geen zin heb om ’s ochtends vroeg op te staan voor een training, schopt zij me eruit.’

Je hebt vooral soortgenoten om je heen. Is het een bepaald type, de hardlopende mens?

‘Een specifieke diersoort, bedoel je? Ja, in zekere zin heb je gelijk. Op een of andere manier zijn mensen die hardlopen voor mij makkelijker te begrijpen. Ze durven, net als ik, iets te doen wat ogenschijnlijk nutteloos is; iets waar je vooral zelf plezier aan beleeft. En iedereen is bezig met zijn eigen droom: de tien kilometer binnen veertig minuten, een marathon lopen, noem maar op.’

Dat is wat jullie gemeen hebben: de wens om zo snel mogelijk van A naar B te komen.

‘Ja, maar het is niet zo dat we door die tijden gedreven worden. Tijd is nu eenmaal het enige houvast. Voor niet-hardlopers zijn het maar getalletjes. En het is natuurlijk relatief. Als het je lukt om die tien kilometer binnen veertig minuten te lopen, wil je die afstand daarna binnen de vijfendertig minuten lopen. Het is een kapstok.’

Waar denk je aan, als je loopt?

‘Als ik een wedstrijd loop, denk ik aan tijden en doorkomsten, maar ook aan de volgende bocht in het parcours. Aan diepe gedachten over de zin van het bestaan kom ik eerlijk gezegd niet toe. Zelfs die rekensommetjes – hoeveel moet ik versneller om rond die tijd te kunnen finishen? – zijn op den duur overigens teveel gevraagd. Het helpt wel als er iemand met schema’s naast je fietst.’

Wat helpt er nog meer?

‘Veel mensen langs de kant. Als ik door een publiek word aangemoedigd, loop ik op vleugels. Soms is een haas ook handig; iemand die ervoor zorgt dat je niet te snel van start gaat.’

En doping?

‘Nee!  Ik ken niemand die doping gebruikt. Natuurlijk: er gaan wel verhalen rond over Epo, maar ik kan me niet voorstellen dat je daar makkelijk aan komt. Ik schrijf het voor bij nierpatiënten.’

Dus voor jou is het geen probleem om…

‘Dan heb ik wel heel wat uit te leggen bij de apotheek. Nee. Kijk, het is heel eenvoudig: die middelen zijn eerst in dierenmodellen uitgewerkt, toen het beloftevol genoeg was, werd het op een zieke populatie mensen getest. Testen op een gezonde populatie is niet ethisch. We weten dus niet wat het gebruik van Epo bij een hardloper doet. We weten niet wat de risico’s zijn. Bovendien is het niet eerlijk. Als jij gebruikt en ik niet, voeren we geen eerlijke strijd meer. Ik slik, af en toe, vitaminetabletten. Dat vind ik al extreem genoeg. Ik zal niet tot diep in de nacht uitgaan en veel bier drinken. Rond elf uur is het voor mij welletjes. Dat betekent dat ik me bepaalde dingen moet ontzeggen, maar ik geloof niet dat de sport mijn leven beheerst. Je ziet dat ik hier gewoon een stuk appeltaart bij mijn koffie neem.’

Toe maar, appeltaart! Wat een uitspatting.

‘Het klinkt misschien een beetje saai, maar er staat veel tegenover. Ik ga vroeg naar bed, maar ik ben de volgende dag wel lekker fris. Heerlijk, buiten, in de natuur rond rennen. Ik vond uitgaan vroeger best leuk, maar ik weet dat ik op den duur alleen nog maar bleef omdat ik niet als eerste weg wilde gaan. Die tijd heb ik wel gehad.’

Over tijd gesproken: heb je haast?

Bos Lutterzand‘Ja, ik ben gretig, kom altijd tijd te kort. Veel plannen, veel te doen. Ik moet onder die 2:20 zien te komen. Ik zou graag in de Nationale ploeg terechtkomen, één van de vier of vijf mensen zijn die in een oranje tenue voor het land loopt. Dat lijkt me een enorme eer. Maar dan moet ik eerst, na de Europese Kampioenschappen, 2:18 kunnen lopen. Het zou kunnen…

En je ambities in de artsenij?

‘Ik wil internist-infectioloog worden. Infectieziekten, dat is zo’n beetje mijn hobby. Ouderenzorg is belangrijk, maar jonge mensen beter maken: dat maakt voor mij het vak geneeskunde mooi. Daar is, zeker in ontwikkelingslanden waar grote infectiegerelateerde problemen zijn, nog  heel veel winst te behalen. Ik heb inmiddels een gesprek gehad met professor Hoepelman van het Universitair Medisch Centrum in Utrecht; ze hebben daar een leuke setting om onderzoek te doen. Hoepelman is ook een sporter – als waterpoloër behaalde hij in 1976 brons bij de Olympische Spelen – dus het klikte meteen. Presteren. De lat hoog leggen. Dat zijn zaken die me wel aanspreken. Nu werk ik nog als zaalarts, met onregelmatige diensten. Daar, in dat traject, werk ik gewoon acht uur per dag. Dat maakt de combinatie met het hardlopen een stuk makkelijker.’

Hoe zit het eigenlijk met je oude idealen? Schrijver? Concertpianist?

‘Pianospelen, dat kan ik er nu niet bij hebben. Als ik bij mijn ouders ben, speel ik nog graag een stuk van Beethoven of van Mendelsohn, maar als ik mijn spel op peil wil houden zou ik het veel vaker moeten doen. En schrijven… tja, je hebt mijn website gezien: ik schrijf weleens een stukje. Ook voor hardloopsite ‘Losse Veter’ heb ik een paar columns geschreven. Ik doe het tussen de bedrijven door. Niet hoogstaand, wel leuk. Op den duur zou ik er wel tijd voor willen nemen. Vooralsnog droom ik er vooral over. Dat mag toch ook?’

tekst: Arjan Visser

foto’s: Jannemien Bosman

(2009)

(9) Spijlen van Ambitie

Maandagochtend een rustig duurloopje over het strand bij Gandia, Costa Valencia. Een licht briesje brengt wat koeling, verder is het zonnig en warm. Golven spoelen aan, van een branding kan men eigenlijk niet spreken. Als ik op de veranda vers geperste sinaasappelsap drink, gemaakt van vruchten uit de streek die gisteren nog aan de boom hingen, word ik me bewust van een zomers gevoel. Waar dat precies van komt, zo vroeg in maart?

Twee dagen later (terug in Andalusië) volgt een van mijn mooiste lange duurlopen ooit, langzaam klimmend langs de helling van de Sierra Nevada, met passages door amandelboomgaarden, bloesemend in roze en wit, en adembenemende uitzichten over de vallei. Bij Alquife word ik met de auto opgepikt door de trainer van Paquillo. Als we in Guadix weer uitstappen komt een man op de populaire atleet afgerend: “Paquillo, ben jij het?! Je bent mijn held en mijn broer, ik volg je waar je ook loopt!” Lachend schudt de snelwandelaar hem de hand, inmiddels zijn Alex en ik gewend geraakt aan de enorme populariteit van de sportman.

‘s Middags kom ik voor de eerste keer in mijn leven bij de masseur. Aan de muur hangen posters van, jawel, Paquillo. De eerste minuten houd ik het bijna niet uit van de pijn en kan ik me niet voorstellen het komende uur te overleven. Maar de dag erna geen spierpijn hoewel de beul die voorspelling wel had gedaan. Overigens geloof ik dat het nut van massage in blessurepreventie bijna verwaarloosbaar is. Voor mij persoonlijk zeker, heeft een nagenoeg blessurevrije carrière me geleerd.

Die avond nemen we nog afscheid op de atletiekbaan, waar een talentvolle jeugdploeg aan het trainen is… Snelwandelende kinderen van amper 10 jaar, zoiets is in Nederland toch onvoorstelbaar!

Terug in Nederland valt de omslag van het weer me niet zwaar. Hoeveel ik ook in het buitenland kom, van binnen blijf ik toch een Nederlander, koelbloedig en gehard tegen weer en wind. Op zaterdag reis ik tussen de trainingen door op en neer naar Den Haag, onder andere om atleet Michiel Snuverink te coachen die verrast met een prachtig persoonlijk record. Dat Haile die dag niet wint en het beloofde wereldrecord niet eens in gevaar komt bewijst maar weer dat de wereld niet maakbaar is, ook niet voor een commerciële wedstrijdorganisatie.

Dit was qua omvang de zwaarste week van de marathonvoorbereiding, de volgende drie weken zal de nadruk meer en meer komen te liggen op rust en specifieke trainingen.

Week 11 (vakantie in Andalusië en Twente)

Maandagochtend: 60min duurloopje inclusief 10x20sec sprint. Over het strand bij Gandia, Costa Valencia: warm, zonnig, palmbomen, rijpe sinaasappels.

Maandagmiddag: terugreis naar Guadix (450km) waarna wat pijn in rechterbil.

Dinsdagochtend: 70min duurloop DI bij Val del Zalabi richting Charches variërend van 1100 tot 1300m hoogte. Met inmiddels krachtige bovenbeenspieren kwamen we pas bij de afdaling (na 200m klimmen) erachter dat we niet over vlak terrein hadden gelopen!

Dinsdagavond: baantraining in Guadix (980m hoogte): 2 series van 5x1200m 1e serie in 3min54, pauzes 90sec; 2e serie in 3min48, pauzes 90-120sec; seriepauze 3min. Eerste serie samen met Alex. Zonsondergang, de volle maan boven de bergen.

Woensdagochtend: 2uur05 rustige duurloop vanaf Guadix naar Alquife (hoogste punt ca 1300m).

Woensdagmiddag: massage.

Donderdagochtend: terugreis naar Enschede

Donderdagmiddag 35min loslopen (regenachtig maar niet koud)

Donderdagavond: baantraining met Rene Stokvis: 4 series 600m (1min54, pauze 2min) – 500m (1min35) – pauze 90sec – 400m  (72sec maar laatste in 62sec) – seriepauze 3min.

Vrijdagochtend: 70min duurloop 30min DI (15km/uur) – 40min DII (16km/uur).

Vrijdagavond: duurloop 70min inclusief vaartspel: 20min DI – vaartspel 15min – 15min DI – vaartspel 11min – 10min uitlopen1.

Zaterdagochtend: duurloop Enschede-Zuid.

Zaterdagavond: tempoduurloop totaal 1uur10 als volgt 10min DI – 15min DIII – 5min DI – 12’30 DIII – 5min DI – 10min DIII – 15min uitlopen, tot Duitse grens en terug via Lonneker.

Zondagmiddag: Lange duurloop 3uur08 vanaf Deventer door IJsselvallei en Veluwe naar Rheden. Behoudens enkele dwalingen langs het fietsknooppuntennetwerk: 43-14-16-17-     31-32-34-58-59-87-32-68-66-69-85. Daarna soep en pannenkoek in Zutphen.

Zwervend over de Veluwe

Of ik de veerpont naar Gorssel moet hebben, die vaart nu nog niet. ‘Nee hoor, ik ben een vrij man vandaag,’ antwoord ik, ‘ik ben op verkenning’. Een oude man is het die me aansprak, een peuk in zijn rechtermondhoek en een bal in de hand. In regenbestendige jas van de lokale klootschietvereniging gaat hij gekleed, meewarig kijkt hij toe hoe ik de kou en miezerige regen trotseer in korte hardloopkledij. ‘Concentreren!’ roept een ploeggenote die met lede ogen ziet dat haar team langzaam vordert. Schouderophalend draait de man zich van me af en werpt de bal, die met een mooie draai de bocht in de weg volgt, een eind vooruit.

Ik voel me een vrij man. Vanochtend nam ik de trein om de langste duurloop van de marathonvoorbereiding te volbrengen nabij Holten, maar aangezien het gezellig was in de trein tegenover een leuk bejaard stelletje bleef ik zitten tot Deventer. Vandaag voldoet immers het boekenweekgeschenk als treinkaartje door heel Nederland.

Een duurloop van drie uur, dat is zelfverwennerij! Dolend door de IJsselvallei, over de winterdijk langs volgestroomde uiterwaarden. voel ik me bijna volmaakt gelukkig als een vrij mens. Het fietsknooppuntennetwerk biedt hulp bij het vooruitplannen van de route, maar ik neem ook de vrijheid om af en toe af te dwalen. Maar hoe vrij ben ik eigenlijk? Ben ik geen slaaf van mijn eigen trainingsprogramma, anders zou ik toch vaker zulke duurlopen doen? Word ik niet gedreven door ambities, door zelf opgelegde eisen? Niks vrijheid, gevangen ben ik, in een kooi met spijlen van ambitie, hoop en liefde, maar desalniettemin een kooi. Gedrild door de morele plicht een bijdrage te leveren aan de maatschappij. Was die maatschappij er niet geweest dan was ik nu ook aan het rennen, vluchtend voor een roofdier. Had ik me dan ook zo vrij gevoeld?

*Vaartspel:

15min: eerste 5 minuten harde tempo’s uitbouwend van 10 sec t/m 50 sec met rest van iedere minuut rustig doorlopen, dan 3x5min hard met tussendoor 1min rustig, laatste 5min tempo’s afbouwend van 50sec tot 10sec hard met rest van minuut aangevuld met rustig doorlopen

11min: minuutjes met harde tempo’s van 10 sec uitbreidend tot 60sec en weer terugbouwend tot 10sec, rest van iedere minuut rustig doorlopen.