Interview in het AD

ZEIST – Wat kan hard fietsen door de bossen zo nu en dan frustrerend zijn. Vindt Thijs Feuth. De verleiding om vol in de remmen te hangen, zijn Look tegen een boom aan te kwakken en vervolgens een stuk te gaan lopen, is soms onweerstaanbaar. Waarom? Heel simpel: de 29-jarige Thijs Feuth, lid van het Utrechts Running Team, wordt het meest gelukkig van rennen in het bos. Daar mag je hem ‘s nachts zelfs voor wakker maken.

lees het interview door Jeroen Kreule verder op de website van het Utrechts Runningteam

Advertisements

Sneeuw in het Panbos

Vanaf de verlichte straatweg lijkt het Panbos gehuld in duisternis. Maar zodra je vanaf Z. over het kronkelende pad langs het elektriciteitshuisje het bos in draait, wennen de ogen snel. De door straatlantaarns oranje gekleurde wereld maakt gauw plaats voor een mystieke zwartwitfilm met silhouetten van naakte bomen en takken die afsteken tegen de witheid van de sneeuw. Het is de eerste sneeuw van deze nieuwe winter. Net als vorig jaar verken ik de bospaden die nog onbelopen zijn. In de centimeters dikke laag laat ik zwarte plekken na, als bloeddruppels van een gebroken maagdenvlies.

Het magische licht, dat geen schaduwen werpt, lijkt van boven de komen, net als de aanhoudende sneeuw. Een licht dat niet afkomstig is van de maan, want die komt in haar laatste kwartier pas op als de nacht al een flink eind onderweg is. Het zal van de stad komen, die haar verkwiste energie weerkaatst ziet in de wolken, volgens de eerste wet van de thermodynamica.

Als ik op een kruispunt van paden stop, heerst er stilte die nog extra benadrukt wordt door een eindeloze stroom van witte, zwevende vlokken, die elk afzonderlijk met een unieke parachutesprong neerdwarrelen en samen een deken vormen die de aarde beschermt tegen de kou. Ik stel me voor dat iedere sneeuwvlok een mensenleven symboliseert: na de baring door de wolk kiest ieder individu min of meer zijn eigen weg. Toch is het maar de vraag of ze daadwerkelijk zelf kiezen, of dat ze worden meegedragen door de wind en door kleinere luchtstroompjes. Hoe dan ook, uiteindelijk dalen ze allemaal neer, behouden nog enige tijd hun kristalvorm maar worden dan anoniem opgenomen in het sneeuwdek dat de geschiedenis van de gevallen vlokken behelst. Verloren zielen.

De sneeuwvlokken die elk hun unieke weg volgen, doen dat zonder te botsen. Er zullen er vast wel zijn die elkaar raken, kristallen grijpen elkaar vast aan de dendrieten en dwarrelen samen verder, maar dat alles gebeurt in stilte. Geen doodse stilte, maar een vredig en berustend zwijgen. Daarin ligt dan ook het verschil met de mensheid. Wij vliegen elkaar in de haren, beklimmen een politiek podium en scanderen fascistische teksten onder het mom van vrijheid van meningsuiting.  En als we dan uiteindelijk neerkomen op de grond gaat dat gepaard met gejammer en gekerm hoewel het bij de baring al duidelijk was dat de vlucht ooit zou eindigen.

Hier, in het Panbos, worden gedachten gesmoord door de dempende deken van ijskristallen. Meningen zijn overbodig geworden. Al het leven kleurt vanavond zwart terwijl het levenloze gehuld gaat in een witte deken. Tientallen zwarte hoopjes liggen op een veld van landgoed Houdringe, maar die hoopjes blijken te leven als ik passeer, ze stuiven uit elkaar: konijnen. En in het dennenbos van landgoed Beerschoten schiet een ree als een flitsende schaduw over het pad. Was onze gekleurde wereld maar zo als die van het Panbos in de winter: koud en wreed, zwart-wit, maar wel eerlijk en zonder schijn of verborgen bedoelingen.

Zomerdans

Met het gezicht naar me toegedraaid staat ze daar, half verscholen tussen de bomen. De regen van zojuist geeft haar roodbruine zomervacht een doffe glans. Een vragende blik, die het midden houdt tussen angstig en uitdagend, alsof ze hoopt ten dans te worden gevraagd. Druppels gevangen in bladeren breken het licht van de doorbrekende avondzon als een discobal. Op aangeven van de specht stap ik op haar toe. Mag ik je Capri noemen?

Even lijkt ze te aarzelen. Was de vraag wel aan haar gericht? Een ruk met het hoofd en daar gaat ze, in vloeiende passen, sprongen, zwieren, begeleid door een krekel die haar vleugels droogstrijkt. Haar verlegenheid schudt ze van zich af, om plaats te maken voor trots en gratie.

De wolken zijn nog niet verdreven maar hullen het bos in een sprookjesachtige duisternis. Licht is pas mooi als er schaduw is. Het bos is groener, bruiner en lijkt meer te ademen. Lucht waar je je longen mee vol pompt, waar je liefde uit put. En troost.

Troost kan iedereen wel gebruiken, ook zonder verdriet. Van troost word je vanzelf een beetje verdrietig. Oog in oog met Capri schieten me de tranen in de ogen. Pijnscheuten als speerpunten in het hart. Waarom? Je kunt om van alles verdrietig zijn. Om gemiste kansen, om verlies, maar ook door liefde en geluk.

Net als liefde kan hardlopen pijn doen, maar ook voldoening geven. Soms geeft pijn juist een geluksgevoel en een andere keer kan voldoening verdrietig maken. Daarom probeer ik het hardlopen maar te zien als een dans, die blijft voortduren tot je er uitgeput bij neervalt.

Mijn dans met Capri was echter van korte duur want al snel werden we betrapt door haar broer. Schaamde ze zich, of was het een ontwaken in de werkelijkheid? Reeën zijn geen mensen, en horen zich ook niet met mensen in te laten. Toch kun je de werkelijkheid soms even vergeten. Die momenten, gestolen uit een droomwereld, kun je je leven lang bij je dragen, om moed uit te putten. Moed, om het lopen voort te zetten als de duisternis valt.

Vajra, of hoe het hardlopen zijn leven redde

Het was op een doordeweekse avond dat de hardloper verdwaalde in het bos – min of meer vrijwillig omdat hij op zoek ging naar het onbekende door de paden te nemen die hij altijd links (of rechts) had laten liggen. Het was een zomerse dag geweest, een drukkende warmte deed hem de koelte van het bos opzoeken.

De hemel verschool zich achter het bladerdek van de zomerse gedaante van de bomen. Zo kwam het dat hij niet wist wat zich boven hem afspeelde. Donkere wolken pakten zich onheilspellend samen. De langzaam inzettende duisternis weet hij aan de dicht op elkaar staande bomen en het tijdstip op de avond, de cijfers op zijn digitale horloge telden maar door. Vogels trokken zich terug in hun nest en hielden zich bedaard, alsof ze daarmee het gevaar konden afwenden. Windstoten vertaalden zich in een geruis van bladeren in de toppen van de bomen. Een ree negeerde de hardloper door een tiental meters vóór hem het pad over te steken. Op de vlucht leek ze, een schuilplaats zoekend voor een onzichtbare dreiging.

Pas aan de rand van een heide werd hem duidelijk wat hem te wachten stond: deze zomerse avond zou een onweer inluiden dat zijn weerga niet kende. De lucht boven het bos leek geschilderd van een palet donkergrijze tinten, dat deed denken aan de lucht op de schilderijen in het Rijksmuseum, waarop fiere driemasters huizenhoge golven bedwingen. Een fractie van een seconde lichtte de heide op, gevolgd door een luid geroffel.

Zijn vader had hem vroeger altijd gewaarschuwd niet onder bomen te schuilen bij onweer. Maar een boomloze plek zoeken in het bos is lastig, en is men op de heide niet nog veel kwetsbaarder? Hij sloeg op de vlucht, net als de ree, op weg naar zijn schuilplaats. Door het bos, de kortste weg naar huis.

Opeens brak de hemel open en goot haar water uit over het bos. Al snel vormden zich stroompjes op de paden en in een mum van tijd werd het bos een Amazonedelta in het klein. Bliksemschichten vlogen om de haverklap door de lucht, en de donder leek een eindeloos gebulder. Zijn voeten werden zwaar door de doorweekte schoenen, maar hij besefte dat het juist nu van belang was de snelheid te bewaren. Want bij een hogere snelheid is de zweeffase van de pas langer en zolang je de grond niet raakt kan de bliksem je niet deren. Plotseling

Flits en Knal!

en dan niets

Heel subtiel begint daar een voorzichtig bewegend beeld – een soort televisie op het scherm van een mobiele telefoon-formaat. Het beeld wordt geleidelijk groter tot het hem als het ware omsluit. Een film, waarin hij zichzelf herkent als de hoofdrolspeler. In de zandbak met zijn broertje, op de fiets met zijwieltjes, hoe hij steeds beter wordt met knikkeren tot de knikkers niet meer in de zak passen en hij ze vervolgens allemaal verliest in één partijtje….

Het beeld vervaagt en maakt plaats voor hoofdpijn. Voorzichtig gefluit van een vogeltje. In de modder van een beregend bos hervindt hij zich en voelt niets dan vreugde en een gevoel van onoverwinnelijkheid. Het vervolg van zijn weg is geen gouden weg maar de diamantweg – vajrayana. Hij, die de bliksem heeft overleefd, zal in geen mens de meerdere erkennen.

Mensen en dieren

Daar staan ze, een tiental meters van het pad af in het bos. De strepen avondrood die de zon heeft achtergelaten geven nog voldoende licht om ze te kunnen onderscheiden. De stokstijve silhouetten tekenen zich af tegen de felwitte sneeuw, half verborgen tussen de kale bomen. Zojuist stak een ree het pad over, bleef vlak voor me staan en keek me indringend aan, alsof ze me iets wilde zeggen. Net zo plotseling verdween ze het bos in, gevolgd door twee iets kleinere maatjes.

Dat is hardlopen. Als een wild dier ren je door het bos, niet anders dan een ree. Nu ik al een maand lang dagelijks bij schemering door het bos ren, naar mijn werk of naar huis, maar nog geen reeën gezien had, leefde ik in de veronderstelling dat ze zich niet in dit bos ophouden. Begrijpelijk, want als ik een ree was zou ik de Veluwe opzoeken, of de Holterberg.

Maar ik ben geen ree, ik ben een mens. Een mens zoals alle anderen. Vorige week werd een meisje van 23 jaar in brand gestoken en kwam te overlijden. In brand gestoken door een mens. Dat zijn mensen, die steken elkaar blijkbaar in de fik. Misschien heb ik het korte berichtje in het nieuws alleen maar onthouden omdat ze bij mij in de straat woonde. In Zeist, misschien wel één van de rijkste gemeentes van Nederland.

Een paar jaar geleden organiseerde ik in de zomervakantie activiteiten voor kinderen van een asielzoekerscentrum. Dat zijn van die kinderen die met een hele familie hutjemutje op één kamer wonen, onwijs gezellig. Ouders altijd thuis, want die mogen niet werken. Op een ochtend kwamen we ongelegen want er had zich een incident voorgedaan: een man had zichzelf in de fik gezet nadat hij te horen had gekregen dat het asiel werd afgekeurd. Uit pure wanhoop, of misschien in de hoop dat hij hiermee zijn vrouw en kinderen alsnog een kans kon geven, greep hij een jerrycan met benzine en een lucifer. De man overleed en de rest van de familie is ‘gewoon’ terug gestuurd, door het Volk der Nederlanden. Heerlijke mensen.

Omdat ik niet zo goed tegen onrecht kan trek ik me die dingen soms aan. Moet je niet doen, want je kunt er niets aan veranderen. Ja, flyeren voor Groenlinks op de Nieuwmarkt in Amsterdam. Gezellig! Maar dan bedacht ik me dat ik politiek stond te verkopen alsof ik de eerste de beste marktman was. Hoe harder men schreeuwt hoe meer men verkoopt. In de politiek is men steeds harder gaan schreeuwen, omdat men niets te zeggen heeft. Die marktlui besturen ons land. Flyeren doe ik niet meer, laat die Hollanders zelf maar bedenken waar ze op stemmen.

De krant staat vol berichten om wanhopig van te worden, daarom heb ik geen krant. Dan strik ik mijn veters maar en sla de deur achter me dicht. Een tikkeltje te hard. Wat zal de buurvrouw denken? Binnen is de krant, de radio, internet, actualiteit en politiek. Buiten, op straat, is de wereld onveranderd. Ieder voorjaar komt de wereld tot bloei alsof het feest is. Maar nu ligt er sneeuw en is het steenkoud. Een paar krullen breken af als ik door mijn haar strijk. En bij iedere ademhaling vormt zich een dampwolk alsof ik een fabriek ben.

Ik bedenk me en keer om. Als ik ze zie zal ik ze achtervolgen. Van het pad af, het bos in. Over afgebroken takken springend, kuilen ontwijkend. Gelijke rechten voor mens en dier! De langzaamste zal mijn prooi zijn, met blote handen gevangen. Met mijn vingers druk ik de slagaders dicht tot ze verslapt. Dan sleep ik haar naar mijn hol, scheur de stugge huid los van het vlees dat nog rood en warm is. In de stilte van de nacht zal ik mijn honger stillen met het rauwe vlees van het dier, mijn dorst zal ik lessen met het bloed uit de slagader. Tot de morgen aanbreekt zal ik wachten in de kou. Bij een heldere sterrenhemel val ik in slaap.

Maar nee, ze zijn nergens meer te zien. Omdat het inmiddels zo goed als donker is snel ik terug naar de bewoonde wereld. Pasta en groente in een verwarmde kamer. Een boek van Fitzgerald en een strijkkwartet van Janáček.

Strijd (11): Een Donker Woud

Nel mezzo del cammin di nostra vita

Mi ritrovai per una selva oscura

Ché la diritta via era smarrita

Op het midden van het levenspad aangekomen

Bevond ik mij in een donker woud

Omdat ik van het rechte pad was afgedwaald

De eerste regels van Dante’s Goddelijke Komedie schieten me te binnen als ik me in de wildernis van de Sallandse heuvelrug bevind. Het is maandag, een 40km-lange duurloop vanaf station Holten naar de Hellendoornse berg en terug. Vanaf de westelijke flank van de Sprengenberg zie ik behalve een enkele torenspits, waarschijnlijk de Palthétoren, alleen maar heide en naaldbos, duizend tinten bruin, groen en paars. Tot het eind van de negentiende eeuw bestond het hele gebied uit heide, het naaldbos werd aangepland om te voorzien in de stuthoutbehoefte van de Limburgse steenkolenmijnen. De aangeplante pijnbomen hebben de wind door hun takken gevoeld als strelingen van een geliefde, hebben haar de verwoestende kracht ontnomen. Na tientallen jaren zijn sommigen langzaam kaal geworden, verdord en verouderd. Takken braken af, de stam begaf het tijdens een sleurende storm, ze zijn weer één geworden met hun oorsprong en hebben de ruimte aan nieuwe generaties planten en bomen gelaten.

Uiterlijk mogen onze vaderlandse bossen dan nog steeds het donkere woud voorstellen, maar van karakter zijn ze onvergelijkbaar. Waar in Dante’s tijd het bos nog synoniem stond voor de dreiging van onzichtbare gevaren, beesten en rovers, is het bos nu nog een park, de fauna bestaand uit onschuldig vreedzame grazers en knaagdieren: reeën en eekhoorns. De strijd is gestreden. Een eindje verderop staat een houten uitkijkhutje, het kronkelige pad gaat over in een geasfalteerd fietspad met langs de route bewegwijzering voor wandelaars en fietsers.

Ik ben van het rechte pad afgedwaald. Ik heb ervoor gekozen om enkele maanden aan mijn passie te besteden: het marathonlopen, waar ik redelijk maar geen uitzonderlijk talent voor heb. De marathon is voor mij een droom, een vlucht uit het georganiseerde maatschappelijk leven. Een strijd tegen de klok, tegen mijn fysieke grenzen, een strijd die tot bevrijding moet leiden, een leven buiten de gebaande paden, het donkere woud in. Geen gevaarlijk woud, maar misschien wel een met verassingen.

Nu, een kleine twee weken voor de marathon, wat mijn moment suprême moet worden, horen de puzzelstukjes in elkaar te vallen. Dat doen ze ook. Bij trainingen en testwedstrijden voel ik dat het lichaam barrières heeft doorbroken, ik ben sterker dan normaal en mag nu gas terugnemen om, gebruik makend van de fysieke supercompensatie, mijn normale kracht te overtreffen. De marathon als metafoor voor de maakbare wereld, het verparkte bos.

De 5 cijfers die mijn finishtijd zullen vormen, lijken nu van grote betekenis. Hoewel ze door hun abstractie ongevoelig zullen zijn voor de tand des tijds, zijn ze zoals de wind en de bomen van de Sprengenberg: ze zullen bemind worden, maar ze zullen ook vergeten worden. Van de gestorven boom blijft de stam nog over, maar door de jaren heen verteerd door mieren blijft er niets meer van over.