De stervende

Als ik op zijn kamer kom, bazelt hij maar wat voor zich uit. Ik kijk de verpleegkundige aan, kan zij er wat van maken? Nee, zegt de blik op haar gezicht, hij raaskalt, hij serveert ons een vreemde woordensoep. Ze loopt de kamer uit om koffie voor hem te halen, want dat had zijn zoon opgemerkt: zodra hij koffie proeft, klaart hij op.

Ondertussen leg ik hem opnieuw uit waar hij is, en waarom. Hij heeft kanker. Een kwaadaardig gezwel sluit de luchtweg af, zijn rechterlong doet niet meer mee. Hij grijpt zich vast aan de boei van mijn woorden. Door het koord voorzichtig naar binnen te halen, red ik hem uit de zee van onzin waarop hij ronddobbert.

Hij droogt zich af en komt naast me op het voordek staan. Slurpend aan zijn koffie wijst hij in de verte.

Ik knik. ‘Daar houdt de wereld op,’ antwoord ik op de vraag die hij niet stelt, ‘daar eindigt het bestaan.’

‘Ik weet het,’ zegt hij. ‘Ik voel het in mijn borst en buik. Mijn hele lichaam schreeuwt het uit. De zwaarte drukt op me, ik voel de beklemming, en adem luchtledigheid. Het komt dichterbij hè, met de dag, het uur… We varen er met een rotvaart op af.’

Hij kijkt me aan, haastig ademend. De rimpels liggen dieper in zijn gezicht dan gisteren en zijn ogen zijn kleiner geworden, als uitgebrande kooltjes. ‘Jij bent de kapitein, je kunt me niet laten gaan.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘het is jouw schip. Ik ben hoogstens een stuurman aan wal.’

‘Je hebt al veel schepen die kant opgestuurd.’

‘Het waren onbestuurbare schepen,’ werp ik tegen, ‘net als die van jou. Vaak zinken ze al voordat ze de afgrond bereiken. Want dat onderscheidt ons van de Goden, schreef een Duitse dichter: dat vele golven voor hen al vervloeiden, een eeuwige stroom: ons heft de golf op, de golf verslindt ons, en wij gaan onder.’

‘Ik niet,’ zegt hij met zijn laatste restje trots. ‘De zwaarte klotst tegen mijn lichaam, ik voel dat de zee mijn gedachten probeert mee te trekken de diepte in, maar ik geef me niet gewonnen. Ik wil niet zinken, ik wil de boel besturen, tot de laatste mijl.

‘Het kan de ziekte zijn,’ leg ik hem uit, ‘maar ook de medicatie. Ze brengen je in de war, maar dat maakt niet uit. Het belangrijkste is dat je vrouw en kinderen aan je zijde weet.’

Het is onvoorstelbaar dat hij tot voor kort nog kon doen alsof er niets aan de hand was. Een heel eind in de zeventig maar trotse eigenaar van een bedrijf in de scheepsbouw. Daar heeft zijn zoon me uitgebreid over verteld. Het laatste schip waar hij aan werkte, vaart binnenkort uit naar de Noordpool. Tussen neus en lippen kon ik hem achteraf vertellen over de trots van zijn kinderen, alsof hij daar zelf geen weet van had. Van het ene op het andere moment was hij ziek geworden. Twee weken geleden kreeg hij de diagnose te horen, en nu ligt hij al op sterven.

‘Ik heb een sterke wil. Een onhoudbare levensdrang. Maar natuurlijk, ik begrijp het best. De medicijnen slaan niet aan. Dat ligt niet aan de medicijnen natuurlijk, maar aan de ziekte, die ze niet voor niets kanker noemen.’ Hij sluit zijn ogen en vouwt zijn handen samen onder zijn achterhoofd. ‘Ik vind het moeilijk om het op te geven,’ zegt hij dan, ‘ik wil nog zo graag.’

Ik zeg niets. Hoe bereid je iemand voor op de dood? En moet je dat wel willen? Ik geloof niet dat er een handleiding voor is, en dat is maar goed ook. Iedereen heeft zijn eigen behoeften. De een verkiest de dood met open vizier, de ander overlijdt liever in zijn slaap.

Als een patiënt op sterven ligt, gaat het over de grote vragen. Ze houden me bezig, ik neem ze mee, de vragen die door de dood van God hun antwoorden verloren. Telkens loop ik vast in mijn gedachten, terwijl je aanvoelt dat het antwoord zo voor de hand moet liggen. Het is een strikvraag, besluit ik dan. De dood is een non-existentie, dus kun je er ook nooit iets zinnigs over zeggen. We moeten het dus niet over de dood hebben, maar over het leven. En misschien is het met het leven wel net zoals met de wereld: een horizon die zich steeds maar verplaatst, een ronding die onwaarneembaar is, maar er voor zorgt dat er nooit een eind aan komt.

Ik geloof niet dat de levensdrang van mijn stervende patiënt kwaad kan, denk ik als ik zijn kamer verlaat. Levensdrang is iets anders dan angst om te sterven. Gezien de snelheid waarmee de ziekte hem overvalt, is het bovendien ook niet verwonderlijk dat hij er nog niet klaar voor is. En wie zegt dát je ooit klaar moet zijn voor de dood? Berusting is toch iets heel anders? Misschien zijn we wel nooit klaar om te sterven, misschien is dat een zegen.

Het is niet zo dat we het leven alleen leiden. Steeds meer kom ik tot de overtuiging dat wat we het leven noemen, de geest, minder persoonsgebonden is dan we wel eens aannemen. Onze geest is onze verhouding met de anderen, familie en vrienden, mensen met wie je een band aangaat. Het leven hangt dus als het ware tussen ons in. We beleven elkaar. Want kun je wel van leven spreken als je niet samenleeft? Leven is het zien en het horen, leven is het gesprek en ons verhaal. En, zoals Laura Broekhuysen naar haar dochter fluistert: ‘een verhaal kan toch niet dood?’


Deze column verscheen op Joop.nl

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s